begin  prepost
[p. 29]

Naamgevingsfactoren in de Kempische toponymie, geïllustreerd aan Opglabbeek

0.

In een breed opgezette toponymische studie is veelal een afrondend hoofdstuk voorbehouden voor een onderzoek naar de semantische velden: de nederzettingsnamen, waternamen, namen voor bouw- en grasland (grondwoorden en bepalende bestanddelen), namen voor onbebouwd land met daarbij aansluitend de ontginningsactiviteit, huisen erfnamen en wegnamen. Duidelijk blijkt dat er in de Kempen in vele gevallen een enge relatie bestaat tussen naam en de aspecten bezit, bodemgesteldheid, begroeiing en reliëf. In dit artikel willen wij eens van het klassieke patroon afstappen en het op een andere manier aanpakken, in de hoop daardoor wat meer samenhang in de semantische velden te brengen. Drie belangrijke aspecten vormen voor ons het uitgangspunt: het fysisch landschap met de eventuele ingrepen van de mens erop (het water, de opeenvolging loofbos-heide-dennenbos, de verwaaiingen), de verhouding gemene en private gronden, en de genese van de gemeente. Een aantal niet-relevante plaatsnamen zal in dit overzicht vanzelfsprekend niet aan bod komen, of althans niet expliciet. Van belang is het immers in de eerste plaats de grote lijnen in het naamgevingsproces te onderkennen.

1. Enkele demografische gegevens

Opglabbeek is een Middenlimburgse gemeente gelegen tegen Genk (Belg.-Limb.). In 1982 telde de gemeente, die een oppervlakte van 2.498 ha heeft (tot het midden van de vorige eeuw voor nagenoeg 60% heidegronden), 7.414 inwoners, een opmerkelijke uitbreiding in vergelijking met de vorige vier eeuwen.

Een goederentelling van 1596(1) geeft voor Opglabbeek 43 woningen, wat met de pastorie en kapelanie samen een inwonersaantal van circa 225 laat veronderstellen. Ook het feit dat in 1603 41 gezinshoofden een plaats op de schans - het gemeentelijke verdedigingswerk opgetrokken tijdens de Tachtigjarige Oolog (1568-1648) - verwierven,

[p. 30]

bevestigt dat met de twee geestelijken erbij de gemeente uit 43 gezinnen bestond. Een 225-tal inwoners zijn voor die tijd aanvaardbaar, mede op basis van het genealogisch onderzoek(2).

Een zekere bevolkingsafname tegen het einde van de 16de eeuw is niet onwaarschijnlijk. Oorzaken hiervan moeten dan liggen in de teloorgang van de textielnijverheid, die in de Kempen in de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijden een betrekkelijke bloei kende, in de pestepidemie die omstreeks 1578-1579 Opglabbeek en het hele Land van Loon teisterde, maar vooral in de rampzalige gevolgen van de eerste helft van de Tachtigjarige Oorlog. In een periode van dertig jaar stapelden de moeilijkheden voor de gemeente zich op: de plunderingen door het leger van de prins van Oranje (1568) en de godsdienstige troebelen in deze periode, de nefaste gevolgen van het beleg van Maastricht (1579) en de vlucht van inwoners van Opglabbeek naar naburige plaatsen, de zittingen van de Schepenbank van Opglabbeek in de stad Bree (1583), de Spaanse muiterijen (vooral tussen 1589-1607), een nieuwe brand in de gemeente en het vertrek van inwoners naar Bree en Stokkem (1590), en het Luikse proces over de betaling van de landtaksen, die vermoedelijk de aanleiding tot de genoemde goederentelling van 1596 waren.

In 1688 telde de gemeente ongeveer 170 kommunikanten, in 1711 circa 200(3), wat omstreeks 240, resp. 280 inwoners betekent. Dit laatste getal lijkt ons te hoog, ook omdat het doopregister eerst vanaf het tweede decennium van de 18de eeuw een aangroei van de geboorten aanwijst.

In 1796 bestond het landbouwersdorp uit 263 inwoners: 185 van 12 jaar of ouder en 78 kinderen, verdeeld over 59 gezinnen(4). Een gemiddeld gezin telde vier tot vijf leden.

In 1842-1844 telde de gemeente 99 woningen, een graan- en oliemolen en een pastorie. Er werden zes kwaliteitsklassen genoteerd, afhankelijk

[p. 31]

van het bouwjaar, het materiaal, de grootte, enz.(5) Het gemiddeld kadastraal inkomen bedroeg 16,30 Fr., een gering bedrag in vergelijking met vele andere gemeenten waar het gemiddelde meer dan het dubbele van dat in Opglabbeek bedroeg.

klasse aantal huizen kadastraal inkomen
1 1 51 Fr.
2 3 39
3 11 30
4 28 18
5 46 12
6 10 6

Van de 105 woningen in 1845 stonden er 37 in het Dorp, 32 in Ophoven, 27 in Louwel, 5 op de Hoeve en 4 op de Broekkant.

2. Het fysisch landschap

Het grootste deel van het grondgebied is gesitueerd op het Kempens Plateau, met absolute hoogten tussen 85 m in het zuiden (de Grote Heide) en 80 m in het noorden (de Grote Heide en het Laar). Dit plateau werd versneden door de Bosbeek, thans een 25-tal meter dieper gesitueerd. De dalbodem van de Bosbeek is enorm breed ontwikkeld op de linkeroever. Een rand van 10-35 m, met sterk variërende oriëntatie en gekenmerkt door relatief zachte hellingen, vormt de overgang tussen het Kempens Plateau en de dalbodem; deze rand bevindt zich op de overgang tussen het dominerend weidegebied in de dalbodem van de Bosbeek en de akkers en bossen op het Plateau(6).

2.1. Het water

2.1.1.

De dalbodem van de Bosbeek(7) is nog steeds een vochtig

[p. 32]

gebied. Dit blijkt o.m. uit het bodemgebruik en de plaatsnamen, uit de aanwezigheid van moerassige plekken, van moerasplanten in de weiden, van bodems met venige A-horizonten en van ontwateringsgrachten(8). Wat de plaatsnamen betreft hunnen we wijzen op een aantal broeknamen, met het bestanddeel broek dat, zoals bekend is, primair ‘moeras’ betekent. Van noord tot zuid, parallel met de Bosbeek, zijn dit:

1)De Leisenbroeken (kadastraal A 4-36), heide en moeras(9) tegen de Kattenbeek op de grens met Gruitrode. Het eerste lid is de familienaam Leisen.
2)Het Louwelsbroek (kadastraal A 1-13, 37-39) tegen de nederzetting Louwel op de grens met Gruitrode en Opoeteren. In de oudst bekende vermeldingen is van de gehuchtnaam Louwel nog een -er-afleiding gevormd, bijv. 1562 dat Louweler Brock(10).
3)De alluviale zone langs de Bosbeek bij de twee Opglabbeekse watermolens, de Dorner- en Slagmolen, is zowel bekend als Molenbroek (naar de ligging bij de molens), Nielerbroek (grens-ligging met Niel) als Oetersbroek. Deze laatste naam is blijkens de bronnen de oudste, in 1526 vermeld als in geen Oteren(11), de datiefvorm van O(e)ter (= Bosbeek). Te vermelden is dat Oetersbroek nog in de volksmond bekend is, hoewel de naam vanaf de 18de eeuw niet meer in de bronnen voorkomt.
4)Het Groot Broek, Dorper- of Schansbroek (kadastraal A 530, 534, 880, 1136), een moerasgebied van 54 ha, gelegen bij de Schans en tegen de Broekkant, resp. het Dorp. Dorper- en Schansbroek zijn later (18de-19de e.) geattesteerd dan Groot Broek; in de volksmond bekend als Dorperbroek.
5)De Beivaardebroeken (kadastraal A 1387-1439), een heide- en moerasterrein op de grens met Niel en As, genoemd naar de ligging bij de Beivert, een brug op de Bosbeek(12).
[p. t.o. 32]


illustratie



illustratie

[p. 33]

Met Broek worden veelal drassige heidegronden aangeduid. In de loop der tijden zijn een aantal broekgronden door afwateringswerken hooilanden of beemden geworden.

Het moerassige karakter van de vlakte bij de Bosbeek was vroeger nog meer uitgesproken, zoals o.m. kan worden afgelezen van de Ferrariskaart (1771/1778) en uit de kadastrale legger (1844), maar is sterk gereduceerd door een algemene verlaging van de grondwatertafel in de streek tijdens de jaren zestig van deze eeuw. Thans vertoont de grondwatertafel opnieuw de neiging tot stijgen.

2.1.2.

In Opglabbeek stroomden, afgezien van de Bosbeek, ten minste vier beken, waarvan er twee droog zijn gevallen:

1)De Kattenbeek, in de dalbodem van de Bosbeek, voor het eerst vermeld in 1511(13), was een grensloop met de gemeente Gruitrode. Thans staat deze beek droog. - Kat is vermoedelijk een wisselvorm van kade ‘aarden opworp’, waarbij kan gedoeld zijn op de verhoogde bermen.
2)De Kleine Beek, ouder Rijt(14) (Mnl. rijt ‘waterloop’). De naam Kleine Beek is zeker contrastief met (de grote of brede) Bosbeek. Rijt is in de Kempen zeer verspreid als waternaam, met in vele gevallen ook een overdracht van de waternaam op een terrein en/of een (meestal kleine) nederzetting(15). De Kleine Beek of Rijt loopt thans nog doorheen Opglabbeek-Dorp, maar eertijds tot in het gehucht Ophoven(16).
3)De Kreeftenbeek in het Dorperbroek, in de dalbodem van de Bosbeek, is een jonge naam, voor het eerst vermeld op de kaarten van het Militair Geografisch Instituut.
In de 16de-17de eeuw wordt ze in de bronnen vermeld als Wijerbeek(17), wel een zinvollere naam dan Kreeftenbeek, vermoedelijk een vervorming van een ander etymon, dat we evenwel niet hebben kunnen achterhalen. Deze beek, die doorheen een wijergebied naar de schans leidde, bestaat niet meer.
[p. 34]
Volgens de Ferrariskaart (1771/1778) lagen er tussen de nederzetting de Hoeve en de Kleine Beek of Rijt zeven wijers en een schans(18). In de vier grootste wijers is telkens de naam Schansvijver(19) ingeschreven. De oppervlakte van ieder van de drie grootste wijers bedroeg volgens de kaart minimaal 10 ha, terwijl de kleinste wijer nog een oppervlakte van één ha zou gehad hebben. Schanswijer of -vijver hebben we evenwel niet uit de bronnen opgetekend, wel Schansbroek, naam voor het gebied waarin de wijers gelokaliseerd zijn en identiek met Dorperbroek en Groot Broek(20).
Hoewel de topografische aanduidingen op de Ferrariskaart niet altijd juist zijn, is dit gebied terecht als een wijerzone gekarakteriseerd. Deze wijers werden ongetwijfeld door de mens aangelegd, vermoedelijk door het afsluiten van natuurlijke laagten die met bronwater gevuld waren, wat in Opglabbeek al in het begin van de 16de eeuw (maar wellicht eerder) moet gebeurd zijn, daar de eerste vermelding van Wijerbeek, die toch naar de Opglabbeekse wijers in het Dorperbroek verwijst, uit 1531 dateert. In tegenstelling tot de vennen(21), die voor de viskweek ook ongeschikt zijn, zijn de wijers geen gemeen maar privaat bezit(22). Verder treffen wij de wijers niet op heidegronden aan, maar in broekgebieden, nl. in de
[p. 35]
Beivaardebroeken(23), het Dorperbroek(24) en het Louwelsbroek(25).
4)Een beek in de benedenloop van de grote vallei richting As. Ook deze beek bestaat niet meer; ze liep doorheen een hooilanden-terrein bekend als Beivaardebeemden (hooiland en heide, kadastraat A 1301-1386), gelegen tegen de Beivaardebroeken(26).

Waar waterlopen zijn, treffen we ongetwijfeld ook oude namen voor waterovergangen aan. Vanuit het Dorp vertrekken de Gebelsdijk of Nielerweg en de Vasenstraat, die via twee voorden of waterovergangen op de Bosbeek naar het buurdorp Niel leiden. De ene voord, waarheen de Gebelsdijk of Nielerweg leidt, is de Brede Voord: 1511 Breijvoert(27) > 1529 Beijvort(28) > 1560 Beijvert(29). Een evolutie dus van Breijvoert tot Beijvert, met dissimilatie, en verdoffing van het tweede bestanddeel. Hoewel Beivert thans nog in de volksmond bekend is, wordt deze voord ‘brug’ nu ook Kastersspek genoemd, naar de ligging bij de Kastersbeemden; het tweede lid is het bekende spek (spik), een synoniem van schoor of vonder ‘brug’.

Deze brede voord was ongetwijfeld een nieuwe doorgang op de Bosbeek, contrasterend met de Oude Voord(30) waarnaar de Vasenstraat via de nederzetting de Hoeve leidt. Dat het bestanddeel oud al in 1511 voorkomt, wijst erop dat ook de Brede Voord of Beivert toen al functioneel was. Eenmaal wordt de Oude Voord in de bronnen ook Hornsspek genoemd: een spek ‘brug’ in een horn ‘hoek’; in de volksmond thans Nielerspek, een a.h.w. voor de hand liggende naam wegens de ligging tegen de buurgemeente Niel.

Er waren natuurlijk niet alleen verbindingen met de buurgemeente Niel, maar ook met de andere buurgemeenten; voor de bruggen heeft dit niet tot naamgeving geleid:

-De Diepestraat naar Opoeteren (Dorne) via de Slagmolen op de Bosbeek. - Diep = laag, i.c. doorheen een depressie waarin ook wijers liggen.
[p. 36]
-De Heerdstraat naar Gruitrode via de Kattenput, een bron waar de Kattenbeek ontspringt. - Heerd = herder.
-De Molenstraat (vanuit Louwel) en de Molenweg (vanuit Opglabbeek-Dorp) naar Opoeteren (Dorne) via de Dornermolen op de Bosbeek.
-De Opoetersebaan(31), in het verlengde van de Hoogstraat, naar Opoeteren via de Kattenbeek.

Te vermelden zijn hier ook verbindingswegen met enkele andere buurgemeenten maar via de heide:

-De Helchterensebaan via de Grote Heide naar Wijshagen-Meeuwen en vandaar naar Helchteren.
-De Kimpenstraat of Meeuwerbaan doorheen de heide het Laar naar Meeuwen (via Gruitrode).
-De Rooierweg via het Laar naar Rooi = Gruitrode.
-De Asserweg, ook Trichterweg(32) genoemd, doorheen de Grote Heide naar As en vandaar naar Maastricht.
-De Zonhoverweg doorheen de Grote Heide naar Houthalen (via Hengelhoef) en vandaar naar Zonhoven.

2.1.3.

Ook de sites van Opglabbeek-Dorp en van de meeste gehuchten bevestigen het algemeen lokalisatiepatroon van de Kempische nederzettingen, nl. dat de kernen op de overgang tussen droge en vochtige gronden werden aangelegd. Waar de mens ook verbleef, steeds had hij water nodig, voor zichzelf, zijn vee en zijn gewassen. In het alluvium was het overstromingsgevaar evenwel te groot. Daarom treffen we de oude sites aan langs een beek op iets hoger gelegen plaatsen op de valleiflank, ofwel in een zijvallei. Op dit patroon zijn er ook voor Opglabbeek de klassieke uitzonderingen, zoals verder blijkt.

1)Woonkernen op de valleirand van de Bosbeek:
a)Het gehucht Louwel, S-N gericht op de valleirand van de Bosbeek, vormt de overgang tussen het Kempens Plateau en een grote vervlakking in de Bosbeekvallei.
b)Het gehucht Broekkant, een uitbreiding bij Opglabbeek-Dorp, ligt naar de kant of zijde van het Dorperbroek.
[p. 37]
c)De Vinkenkant, een kleine nederzetting met aanvankelijk slechts twee winningen, is tevens een uitbreiding van Opglabbeek-Dorp naar het Dorperbroek toe.
In de nederzettingen Louwel, Broek- en Vinkenkant dienden de bewoners zich zeer waarschijnlijk van bij de aanvang van waterputten te bedienen.
2)Woonkernen op de valleirand van de Kleine Beek of Rijt:
a)Opglabbeek-Dorp. Op, zoals in Ophoven, duidt op de iets hogere ligging dan de nederzettingen op de valleirand van de Bosbeek.
b)Ophoven, letterlijk ‘de hoger gelegen hoven (= winningen)’ is een naam die voor zichzelf spreekt. Eertijds had de Kleine Beek nog een permanente loop tot stroomopwaarts Ophoven, zodat er ook daar nog beekwater voorhanden was. Het gehucht bezat ook een - weliswaar klein - hooilandgebied, tot 1700 vermeld als Ophovenderbroek(33). Na 1700 wordt dit hooilandgebied niet meer vermeld, wat zeker te maken heeft met het feit dat het bovenste deel van de Kleine Beek of Rijt droog is gevallen.
Merkwaardig is dat de zijvallei richting As, in tegenstelling met het dal van de Kleine Beek of Rijt, onbewoond is gebleven, wat ongetwijfeld is toe te schrijven aan de afwezigheid van een belangrijke beek in deze tweede vallei(34).
3)Uitzonderingen op de klassieke Kempense patronen:
a)De Hoeve, een afgezonderde nederzetting, is volledig in de vochtige dalbodem gesitueerd.
b)Het Roeks- en Stegereinde, twee zuidelijke uitlopers van het gehucht Ophoven naar de Grote Heide op het Kempens Plateau.

2.2. Loofbos - heide - dennenbos

Wie van Kempische landschappen spreekt, denkt in de eerste plaats aan uitgebreide heidevelden. Daarvan zijn er in de Kempen, ook in Opglabbeek, slechts enkele schamele restanten overgebleven. Tot in de 19de eeuw was het akkerland - een aaneensluitende gordel rondom de woonkernen - volledig omgeven door weidse heidevelden, hier en daar afgewisseld met kleine eikenbossen. Ook in de beekvalleien

[p. 38]

was er nagenoeg geen bos meer; wel onderbrak een klein elzenbroek plaatselijk de valleigraslandjes.

Mettertijd had zich op de Kempense zandgronden een duurzaam evenwicht ontwikkeld tussen de mens en zijn omgeving, in die zin dat hij zijn milieu optimaal wist te benutten. Hij had zich namelijk volledig aangepast en een gesloten landbouweconomie ontwikkeld die steunde op heiden, schapen en stalmest. We spreken van potstaleconomie. Op het einde van de 18de eeuw, toen de potstaleconomie op een hoogtepunt was, kan men op de Ferrariskaart zeer goed zien - een aantal fouten en foutjes niet te na gesproken - hoe nederzettingen, heidevelden, akker- en hooilanden ten opzichte van elkaar lagen en hoe dat alles gestructureerd was.

Een verschil met het Subboreaal, 3.000 jaar eerder, is opvallend. De nederzettingen lagen toen als kleine open plekken in het bos, in de 18de eeuw lagen ze omringd door heggen en houtwallen tegen een open heide.

Het heidegewas wordt beschouwd als een semi-natuurlijke plantengroei, die zich ten nadele van het natuurlijke bos (het linde-eikenbos) heeft uitgebreid. Door gedetailleerd pollenonderzoek van fossiele stuifmeelkorrels in de Kempen, uitgevoerd door A.V. Munaut(35), is heel wat over de uitbreiding van de heide bekend; we gaan hierop thans niet in extenso in.

De opeenvolging in vegetatie voor de zgn. vage gronden is steeds bos - heide - eventueel en heel recent dennenbos.

2.2.1.

De opeenvolging loofbos - heide weerspiegelt zich ook in de bodemprofielen en in een aantal plaatsnamen.

1) Bodemprofielen

Onder loofbos ontwikkelt zich een ijzerpodzol, onder heide een humuspodzol. Deze humuspodzol ontwikkelde zich dikwijls in de ijzerpodzol die geleidelijk werd ‘opgevreten’ (geoblitereerd); zulke gesuperponeerde bodem noemt men een humusijzerpodzol. Het type bodem dat we aantreffen leert ons bijgevolg iets over de vegetatiesuccessie (steeds loofbos, steeds heide of heide na loofbos), maar het leert ons ook iets over de relatieve ouderdom van het oppervlak waarin de bodems zijn gevormd. Zo was het mesolitisch site van

[p. 39]

Opglabbeek-Ruiterskuil bedekt door een humus-ijzerpodzol(36): dit betekent dat tijdens en/of na de occupatie op het site een bos groeide of ontwikkelde dat later door de heide werd vervangen, thans bekend als Grote Heide.

2) Plaatsnamen

Een heel pakket nederzettingsnamen maar ook terrein- en perceelsnamen bevat o.m. de elementen hout en lo, die beide ‘bos’ betekenen. Dit zou kunnen betekenen dat er ook nog in de late middeleeuwen aanzienlijk veel loofbos in de Kempen moet geweest zijn. M.i. is deze zienswijze het gevolg van een te sterk geloof in een vaste betekenis van toponymische bestanddelen; we moeten rekening houden met semantische ontwikkelingen, bij hout en lo bijv. van hoog opgaand tot laagstammig bos(37). Vele vragen zullen op dit vlak wel voor altijd onopgelost blijven; als de geschreven bronnen beginnen (in het beste geval 13de-14de eeuw), is de heide er al.

Het tweede lid van de Opglabbeekse gehuchtnaam Louwel(38) is de verdofte vorm van lo ‘bos’: dit bos moet een elzenbos geweest zijn, te situeren bij het Louwelsbroek in de dalbodem van de Bosbeek. Andere Opglabbeekse lo-namen betreffen percelen: de Lobeemd(39) in de Beivaardebeemden, en de Lokamp(40), 4 ha 25 a (bouwland, heide en dennenbos) op het Einderveld tegen de heide het Laar. We betwijfelen of lo in beide gevallen nog aan het vroegere loofbos refereert; m.i. heeft lo hier betrekking op laagstammig bos. Een interessant toponiem is de Groenstraat, ook vermeld als Groenweg en als Lostraat(41). Lo en groen zijn hier synoniemen! Deze weg leidt van het gehucht Ophoven naar de Grote Heide, het vroegere loofbos. Als ‘groen’ hier als ‘bos’ mag geïnterpreteerd worden, vormt deze straatnaam een merkwaardig relict.

2.2.2.

Tot in de 19de eeuw was het akkerland volledig omgeven door heidevelden: de Grote Heide (in 1850 ca. 1100 ha), het Laar (208 ha),

[p. 40]

de Hoeverheide (101 ha) en het Heike (14 ha); beide laatste natte heidegronden in de Bosbeekvallei.

Zoals elders in de Kempen was ook in Opglabbeek Heide de gangbare naam geworden voor de open vlakten begroeid met het heidekruid. Een uitzondering is de naam het Laar, waarvan de etymologie niet vaststaat. Het hele heidecomplex werd - vooral op papier - ook Gemene Heide(42) en Gemeente(43) genoemd; gebruikelijker was wel Glabbekerheide(44), een nog in de volksmond levende naam.

In de heide treffen we een hele reeks gesloten laagten aan, gaande van kommen met weinig dopheide(45), over kommen met uitsluitend dopheide tot de prachtige vennen, kommen die permanent met water gevuld zijn(46).

Het niveau van de algemene grondwatertafel in het Opglabbeekse vennengebied bevindt zich circa 5 m onder de oppervlakte. De oorzaak voor de aanwezigheid van water in de vennen - eertijds wellicht nog grondwatervennen(47) - is het lokaal voorkomen van een ondoordringbare laag, nl. een ijzeroerlaag (klip) of iron pan, op geringe diepte onder de venbodem. Deze ijzeroerlaag houdt plaatselijk het voedselarme regenwater op. Zulke vennen zijn ongeschikt voor de viskweek(48), in tegenstelling met wijers(49).

Het feit dat er in de vennen een watervrije zone tussen het venwater en de eigenlijke grondwatertafel voorkomt, was in landbouwmiddens bekend. Tijdens Wereldoorlog II heeft men getracht het Opglabbeekse Turfven droog te leggen, met het doel het met rogge te te bezaaien.

[p. 41]

Dit gebeurde door het graven van gaten in de bodem om het ven te laten leeglopen. Nadien werden grachten gegraven - enkele zijn nog zichtbaar - om de geplande drooglegging te bespoedigen. Dit plan werd uiteindelijk niet gerealiseerd, maar men mag veronderstellen dat de wateroppervlakte van dit ven werd gereduceerd. Het plan voor drooglegging van het Turfven hoeft ons niet te verwonderen; de vochtige heide was uiteraard geschikter voor landbouw dan de droge heide.

2.2.3.

Vanaf het einde van de 18de eeuw komt het bestanddeel bos voor in de betekenis dennenbos. De eerste dennenbossen in de Kempen werden op het einde van de 18de eeuw aangeplant, gestimuleerd door het Oostenrijks bewind. Dennenaanplanting werd toen als dé ontginningsmethode voor de Kempen beschouwd. De eerste Opglabbeekse dennenbossen zijn het Armenbos of Groot Bos (vermeld in 1807) en het Kerkenbos of Nieuw Dennenbos (vermeld in 1785), beide gelegen in de Ophovenderbossen tegen de Grote Heide, evenals het Gemeentebos (eerst vermeld in 1846 maar ook aangelegd op het einde van de 18de eeuw). Uit de namen blijkt dat deze eerste aanplantingen op kleine schaal(50) gebeurden op initiatief van de gemeente, de Armentafel en de Kerkfabriek. Wat het Kerkenbos betreft maakt de kerkrekening van 1776 voor het eerst gewag van dit dennenbos: kosten voor het omgrachten van het stuk, aankoop van dennezaad e.d. In februari 1790 werd het bos voor de eerste maal gesleund, wat 2.680 mutsaards opleverde, verkocht tegen 1 gulden 15 stuivers per honderd.

Kort na deze proefaanplantingen volgde een aanzienlijke bebossing van twee heideterreinen die vanaf 1844 bekend zijn als Ophovender-en Roekseinderbossen, naar hun ligging achter de nederzettingen Ophoven en Roekseinde (subentiteit van Ophoven). Het betrof geen bebossing van gemene gronden maar van heidevelden in privaat bezit. Ook een aantal ingezetenen zijn dus in het begin van de 19de eeuw tot bebossing van heidepercelen overgegaan.

Een derde fase in de bebossing van heidegronden had plaats na 1847, toen een wet de ontginning van alle zogenaamde woeste gronden verplicht maakte. Zo werd de uitgestrekte Grote Heide in Opglabbeek a.h.w. stelselmatig bebost, niet alleen door de gemeente maar ook door

[p. 42]

partikulieren; om de gemeenteïnkomsten te vergroten bood het gemeentebestuur immers regelmatig grote kavels uit de heide te koop aan. Door de grote vraag naar mijnhout in het begin van deze eeuw werd de bosbouw een bloeiende onderneming.

2.3. Verwaaiingen

De duinen, ook zavelbergen(51) genoemd, ontstonden als gevolg van verwaaiingen in periodes dat het zand bloot lag. Daar in de Kempen de voorwaarden betreffende winderosie en erosiegevoelig materiaal steeds aanwezig zijn, zullen er verwaaiingen optreden telkens als het beschermend plantendek ontbreekt. Het ontbreken van een vegetatiedek kan het gevolg zijn van natuurlijke degradatie (de Laat-glaciale duinen, 15.000 tot 10.000 jaar geleden) of van menselijk ingrijpen (de middeleeuwse duinen).

Achter Opglabbeek-Louwel op de grens met Gruitrode strekt zich een duinmassief van 5 à 6 km lengte en 500 m breedte uit, dat in historische tijden o.i.v. ZW-winden is opgebouwd. Hoewel dit duinmassief slechts voor een klein gedeelte op het grondgebied van Opglabbeek ligt, is al het duinzand vanaf het grondgebied van Opglabbeek opgewaaid. Vóór de aanplantingen van dennenbossen was het duinmassief nog vrijwel integraal actief. Thans zijn de vegetatieloze delen van het massief nog aan actieve windwerking onderhevig.

In het noorden van het gehucht Louwel, op de grens met Gruitrode en tegen het genoemd duingebied, ligt het goed Berger, een naam die voor zichzelf spreekt, want het is een -er-afleiding van berg ‘zavelberg’. In de oudst bekende vermeldingen duidt een voorzetselconstructie duidelijk op de ligging tegen de zavelbergen of duinen: 1533 den Hoff aen die Berghe(52); 1581 den Hoff aen die Berge tot Louwel, reeng. dije Savelberge(53). Recenter is de -er-afleiding: 1667 den Bergher Hoeff(54); 1754 te Berger(55).

Het herkomstgebied van de grote massa van duinzanden achter Opglabbeek-Louwel dienen we te zoeken in het akkergebied van Opglabbeek. Naarmate de Opglabbeekse akkeroppervlakte in oostelijke

[p. 43]

richting toeneemt, worden de duinen in het noordelijk verlengde van dit akkercomplex het hoogst. De oorzaken van deze verzwaaiingen zijn het gevolg van overbegrazing, van uitputting van de gronden, van een te frekwent plaggen(56) en van een onoordeelkundige uitbreiding van het akkerareaal. Wat dit laatste betreft kunnen we erop wijzen dat heel wat bouwlandterreinen blijkens hun naam (bijv. Nieuwe Kamp, Vreeveld) en hun site, met name een concentrische uitbreiding naar de heide toe (het opvallendst in het Ophovender- en Einderveld), ontginningen uit de late middeleeuwen maar mogelijk ook recenter zijn.

Het historisch duinmassief achter Opglabbeek-Louwel is vergelijkbaar met de stuifzandmassieven in de Veluwe, volgens Koster voor het merendeel ontstaan na 1150 à 1250(57). Deze conclusie bevestigt de mening van Slicher van Bath(58), volgens wie de 12de, 13de en de eerste helft van de 14de eeuw door een spectaculaire bevolkingsaangroei en grote ontginningsactiviteit werden gekenmerkt. Deze visie zouden we voor Opglabbeek maar al te graag bevestigd willen zien, maar daarvoor ontbreken de bronnen, op één uitzondering. Blijkens twee oorkonden die op het Rijksarchief in Hasselt berusten, kregen de ingezetenen van Opglabbeek van hun grondheer (de graaf van Loon) de toelating om resp. 100 en 120 bunders (samen ca. 200 ha) vroonte of gemene grond te ontginnen, dit op 14 februari 1341 en op 28 mei 1353. In de oorkonde d.d. 14 februari 1341 wordt deze vroonte die Burct genoemd, een collectief van burk of berk: berkenbos; in de tweede oorkonde Bern- en Boernhese. Wat deze tweede naam betreft is het eerste lid vermoedelijk de stam van Mnl. bernen (bornen) ‘branden, van land: afbranden’, en het tweede lid hees

[p. 44]

‘struikgewas, kreupelhout’. Beide namen leven niet meer verder, zodat we deze terreinen niet hebben kunnen identificeren, wat zeer jammer is in het perspectief van de relatie ontginning - zandverstuiving.

3. Gemene versus private gronden

De heide- en broekgronden vormden een open landschap, al kon het gemeentebestuur delen ervan tijdelijk palen of afsluiten, o.m. om een overdreven heide maaien en plaggen tegen te gaan.

In tegenstelling met de gemene gronden waren alle private gronden in levend hout geheind. Op het jaar- of voogdgeding, telkens in de maand januari, als de jaarkeuren werden bekrachtigd, werden de ingezetenen eraan herhinnerd dat zij hun landerijen dienden te heinen of tevreden. In 1563 bleven veel Opglabbekenaren in gebreke tegenover de bepaling dat alle onderdanen van de Schepenbank hun landerijen solden opgraven (= in houtwallen leggen), stoppen ende vreen (= afsluiten), ende ynen hecken ende specken (= bruggetjes voor het vee) hanghen solden binnen XIIII daghen(59). Op gevrede gronden mocht niemand schapen hoeden, heide maaien, heide of gras steken en mest rapen. In 1566 werd Hub. Gommers gedaagd, omdat hij op gevrede of afgesloten heide had gemaaid; hierop stond een boete van 5 1/2 stuivers, en het dubbele als de overtreding 's nachts gebeurde(60).

De meeste landerijen waren individueel geheind (de kampen en huisvelden bij de woningen en de kampen in veldcomplexen), ofwel collectief (het grootste deel van het Einderveld en het Hoogveld, beide achter de nederzetting Louwel tegen de heide het Laar). De individueel geheinde percelen zijn eerder blokvormig, de collectief geheinde daarentegen strookvormig. Opvallend zijn vooral de vele kampen in het bouwlandgebied rond de nederzetting Ophoven (Kimpenveld, Lang Veld, Ophovenderveld, Roekseinderveld en Stegereinderveld), wat wijst op een intense ontginningsactiviteit in dit gebied. Ook de hooilanden waren geheind, al zijn de houtwallen hier minder individueel opvallend; eerder werden grotere terreinen afgesloten. Dé gangbare benaming voor alluviaal land was beemd, dial. bampt, waarvan de grondbetekenis afgesloten ruimte is, in mindere mate en secundair broek, dat eigenlijk moeras betekent.

[p. 45]

Buiten Kamp en Beemd wijzen de elementen van een aantal toponiemen duidelijk op geheind land, zoals Heg(ge)par (Mnl. parre, perre ‘besloten ruimte’), Meer (bij meren ‘palen, heinen’) en Vreeheide of Vreeveld (Mnl. vrede ‘omheining, besloten ruimte’ bij vreden ‘afsluiten, omheinen’).

Het heinen van de landerijen had een symbolisch-juridische functie: kocht b.v. iemand een stuk heidegrond, dan was het zijn eerste plicht het stuk in een houtwal te leggen, ten teken van privatisering. Daarnaast hadden de houtwallen ook een praktische functie: winderosie tegengaan en houtvoorziening.

Het gros van de samenstellingen zijn van het type fn. + beemd, kamp, enz.: Bampsbeemd, Drogenbroek, Biersdries, Engelenhaag, Aartshouw, Branskamp, e.a. Bezitsaffirmatie is dus veruit dominant.

4. Genese van de gemeente

4.1. Het individuele erf als basiscomponent

Het individuele erf, eertijds een volledig door houtwallen besloten en daardoor afgezonderd domeintje, is de primaire nederzettingsvorm. In de 16de eeuw telde Opglabbeek iets minder dan 50 erven; van de 17de tot de 19de eeuw zou dit aantal geleidelijk toenemen tot 114, voornamelijk als gevolg van erfdelingen, met het gevolg dat deze erven ook in oppervlakte verminderden.

We spreken dus best niet van huizen of boerderijen, eerder van erven; een wellicht nog betere term is nederzettingen, wat met taalkundige argumenten te ondersteunen is. Voor dit laatste is er voor Opglabbeek - en ook andere gemeenten in oostelijk Limburg - de gelukkige omstandigheid, dat de individuele erven vrijwel alle een naam dragen: wat de 16de-eeuwse laag betreft zijn deze erfnamen voor meer dan 80% afgeleid van familienamen (type Engelen, Martens), de namen van de families die deze erven toen bezaten. Enkele erfnamen zijn van geografische aard, nl. -s- en -er-afleidingen van de grondwoorden bampt ‘beemd’ (Bamps), beek (Beeks), berg (Berger), broek (Broeker) en steeg (Steger); deze namen vertellen ons iets over het site van de vijf erven(61).

[p. 46]

Uit de bronnen blijkt dat deze erfnamen tot omstreeks 1800 verbindbaar zijn met de voorzetsels te/tot, evtl. op, net zoals de gehuchtnamen. Na 1800 treedt geleilijk het vertrouwelijke bij meer op.

4.2. De primaire gehuchten

4.2.1. De scheperijen

Zoals bekend behielden de oude buurtschappen of kwartieren binnen de latere gemeente (en parochie) een grote zelfstandigheid, wat tot uiting kwam op bestuurlijk gebied (vertegenwoordigd door een burgemeester), financieel gebied (inning van de grondbelasting) en economisch gebied (de beschikking over een weideplaats of -gang).

De indeling in scheperijen(62) was economisch en berustte op een rationeel gebruik van de voorhanden zijnde weideplaatsen voor schapen en hoornvee; deze weideplaatsen waren tot in de eerste decennia van deze eeuw in de Kempen de heidevelden. Synoniemen van scheperij zijn heerdgang(63), heer(d)wagen(64) en heerdschap(65), waarin telkens als eerste lid heerd, in de Kempen de gangbare naam voor (koe-, schaaps-) herder naast schaper, dial. scheper. In samenstellingen met heerd wordt de d veelal uitgestoten(66).

In de Opglabbeekse bronnen wordt tot op het einde van de 16de eeuw melding gemaakt van drie scheperijen, nl. Dorp, Louwel en Ophoven. Dit zijn tevens de oudste of primaire nederzettingen (cf. 4.2.2); jongere of secundaire nederzettingen (cf. 4.3) werden bij een bestaande scheperij of heerdgang gevoegd(67). In 1551 wordt pro memorie vermeld dat de scheperijen in Opglabbeek een traditie van meer dan 340 jaar zijn, zodat we hieruit kunnen afleiden dat ze al in de 13de eeuw bestonden.

Uit een fragment van de Opglabbeekse schepenrollen (1551-1553) blijkt dat alle erfhouders die onder één scheperij hoorden, de (wellicht door hen aangestelde) scheper gemeenschappelijk dienden te onder-

[p. 47]

houden. Omdat Lenart Hermans onder ‘den Dorpper scheperyen’ hoorde en zijn schapen ‘alle tyt met den Dorperen scheeperyen gegangen hebben’, eisten de naburen van de scheperij het Dorp van Lenart Hermans ‘gheborsschap’. Dit gebuurschap(68) hield de verplichting in de buurtschapsherder loon en voedsel te verstrekken samen met de andere naburen. De momber(69) van de naburen van de scheperij Louwel eiste in 1563 van Jacob Leyssen, ingezetene van Louwel, 27 stuivers omdat deze hem ‘ghen geborsschap en heeft willen halden’(70), eraan toevoegend dat hun scheper ‘een ghemeynnen schepper vanden ganssen naboren tot Louwel was’(71).

Tot omstreeks 1600 mocht niemand een eigen herder in dienst nemen, wat in de loop van de 17de eeuw wel het geval was. Vóór de 17de eeuw werden ook meer schapen gehouden dan nadien, wat verband houdt met een relatieve bloei van de lakennijverheid, die door de 80-jarige Oorlog evenwel teloorging.

4.2.2. De nederzettingen

De kernnederzettingen binnen een Kempense gemeente vallen samen met de scheperijen zoals in Opglabbeek, elders met de heerdgangen of -wagens zoals bijv. in Zonhoven(72).

A. Opglabbeek-dorp

De nederzettingen Neerglabbeek(73) en Opglabbeek, die tijdens het Ancien Régime een schepenbank vormden, zijn blijkens hun naam genoemd naar de ligging bij een ‘glanzende, glinsterende beek’ (= de Bosbeek). Opglabbeek-Dorp ligt evenwel, evenals het gehucht Ophoven, in het dal van de Kleine Beek of Rijt, iets hoger (vandaar op-) dan bijv. de nederzetting Louwel (in de dalbodem van de Bosbeek).

[p. 48]

De oudst bekende vermelding die op beide Glabbeken slaat, is: 1219 ... ius patronatus ecclesiarum tam inferioris quam superioris ville que dicitur Glatbeke(74). In latere vermeldingen: 1) de geassimileerde vorm Glabbeek, 2) en met toevoeging van de onderscheidende bestanddelen op = hoger vs. neer = lager: Op- en Neerglabbeek. Opglabbeek wordt in de bronnen dikwijls als Glabbeek vermeld; ook in de volksmond is het [γlabək], terwijl het onderscheidend bestanddeel van Neerglabbeek nooit werd (wordt) weggelaten.

De Bos- of Molenbeek heette eerder 1) Glabbeek en 2) Oeter/*Askā. Beide laatste namen zijn formeel de oudste(75). Zowel Glabbeek (Neeren Opglabbeek), Oeter (Neer- en Opoeteren) als *Askā (As) werden overgedragen op nederzettingen en hielden op te functioneren als waternamen.

B. Louwel

De oudst bekende vermelding van deze oude nederzetting is: 1295 in loco qui dicitur Loule(76). Nadien vrijwel steeds Louwel, in de volksmond [en lø̣wəl].

Formeel is Louwel een tweeledige naam, waarvan het tweede lid -el de verdofte vorm is van lo ‘bos, eigenlijk: open plaats in een bos’ (Du. Lichtung, Fra. clairière), zoals in overtalrijke Kempense nederzettingsnamen (type Eksel, Lommel e.a.). Bedoeld is hier een elzenbos in de Bosbeekvallei.

Het eerste lid louw is vermoedelijk Nederlands luw en lij(77), Middelnederlands luw ‘beschut tegen de wind’. De betekenis van Louwel is dan te omschrijven als ‘beschutte (zonnige) plaats of woning(en) in een open plaats van het bos’, circa 15 m lager dan het Plateau en 5 m hoger dan de Bosbeekvallei.

C. Ophoven

De oudst bekende vermelding is: 1549 tot Ophoven(78). Ook nadien steeds Ophoven, soms Ophoeven.

Ophoven, in de volksmond [en ǫphy̅əvə], is een samenstelling van op ‘hoger gelegen’ (zoals in Opglabbeek) en hoven, datief meervoud

[p. 49]

van hof ‘woning, boerderij’. Zoals Opglabbeek-Dorp bevindt het site van deze nederzetting zich in het dal van de Kleine Beek of Rijt. Aan de westzijde wordt het begrensd door het Ophovenderveld, een bouwlandterrein, en daarachter de Ophovenderbossen, een heide- en dennengebied. Verder situeert zich de Grote Heide, het hoogste gebied binnen de gemeente.

4.3. Jongere of secundaire nederzettingen, resp. uitbreidingen

Een aantal nederzettingen bestempelen we als secundair, wat daarom niet wil zeggen: ‘zeer’ jong of recent. In principe kunnen ze al uit de late middeleeuwen dateren. Wel beschouwen we ze als jonger en dus secundair ten opzichte van de drie kerngehuchten Opglabbeek-Dorp, Louwel en Ophoven. Op deze secundaire status wijzen een drietal factoren:

1)Naar hun site blijken deze nederzettingen, behalve Hoeve, uitbreidingen of uitlopers van kerngehuchten te zijn: Broekkant en Vinkeneinde of -kant bij het Dorp, Roeks- en Stegereinde bij Ophoven. De nederzetting Hoeve komt in geïsoleerde positie voor.
2)Het lokaliserend voorzetsel bij deze nederzettingsnamen is steeds op, terwijl ze ook met het lidwoord verbonden worden: op de Broekkant, op de Hoeve, enz. De namen van de kernnederzettingen anderzijds worden verbonden met in (historisch ook met tot en te) en hebben geen lidwoord: in Louwel, in Opglabbeek, in Ophoven. Hier hanteren we dus linguïstische criteria om oudere van jongere nederzettingsnamen te onderscheiden(79).
3)Namen op -einde en -kant zijn zeer jong geattesteerd. Vgl. volgend tabelletje op basis van de eerste vermeldingen:
Opglabbeek 1219 Hoeve 1549
Louwel 1295 Stegereinde 1673
Ophoven 1549 Vinkenkant 1695
Broek(kant) 1549 Roekseinde 1844
De kerngehuchten worden het eerst in de bronnen vermeld. Nochtans is het verband tussen het ontstaan van een nederzetting en de eerste vermelding in de bronnen zeer betrekkelijk. De redenen hiervoor zijn:
[p. 50]
-Het ontbreken van (doorlopende) bronnen vóór 1500. Gelukkig zijn er voor Opglabbeek enkele charters in het archief van de abdij van Averbode, waardoor we op het spoor van de 13de-eeuwse vermeldingen voor Opglabbeek en Louwel zijn gekomen.
-Ook in de bronnen na 1500 worden bestaande nederzettingen soms vrij laat voor het eerst vermeld, zoals Roeks- en Stegereinde en Vinkenkant. Het eerste lid is hier telkens een erfnaam die zeker al omstreeks 1500 bestond.
Als we tot een opsplitsing in primaire en secundaire nederzettingen komen, gebeurt dit in se niet op grond van bronvermeldingen. Drie andere criteria zijn veel belangrijker: historisch-economische (indeling in scheperijen), geografische (hun site) en taalkundige (gebruik van voorzetsel en lidwoord).
Is er een hypothetische datering voor deze secundaire nederzettingen? Naar onze mening zijn ze grotendeels in verband te brengen met een bevolkingstoename gepaard met een ontginningsactiviteit in de 12de-14de eeuw die ook tot verwaaiingen heeft geleid, maar daarover hebben we het eerder gehad(80).

A. Broekkant

In de 16de eeuw vier winningen (Beeks, Broeker, Gommers en Ooms), gelegen langs de Broekkanterstraat naar de zijde van het Dorperbroek, een moerasgebied van 54 ha, ook vermeld als Groot Broek en Schansbroek.

Twee van de genoemde erven hebben een naam die in relatie staat tot de ligging tegen het broek aan de Kleine Beek, nl. Beeks, een -s-afleiding van beek (= Kleine Beek), en Broeker, een -er-afleiding van broek (= Dorperbroek c.s.).

Aanvankelijk wordt deze kleine nederzetting, een uitbreiding van Opglabbeek-Dorp, omschreven als op het Broek(81). Broekkant [ǫpə 'brōkānt] wordt eerst in de 19de-eeuwse bronnen vermeld.

B. Hoeve

Deze nederzetting, volledig in de vochtige dalbodem gesitueerd, vormt een uitzondering op het Opglabbeeks en Kempens nederzettingspatroon

[p. 51]

(d.i. tussen de droge en vochtige gronden). De oudst bekende vermelding dateert uit 1549: Huijss ende hooff geleghen opghen Hooffe(82). Nadien Hoeve (Hoef), in de volksmond [ǫpə hōf] maar ook [ǫpə 'hōfkan̅t], deze laatste formatie analoog naar Broek-, Steger- en Vinken-kant.

In de 16de eeuw lagen hier slechts twee winningen, nl. Bamps, een -s-afleiding van bamp(t) = beemd (naar de ligging tegen een hooiland-terrein aan de Bosbeek), en Hoeve (Hoef), de basisnederzetting. Wellicht heeft er vóór de 16de eeuw al een deling plaatsgehad.

Zoals nog uit 19de-eeuws kaartmateriaal blijkt, was de Hoeve een vrijwel afgezonderde nederzetting tussen gemene gronden (het Dorperbroek en de Hoeverheide), ten oosten grenzend aan de Bosbeekvallei (de Ouwerdebeemden). Op deze geïsoleerde positie wijzen ook vermeldingen m.b.t. het erf de Hoeve, bijv. 1671 hoeff (= hier ‘hof, winning’) genaempt de Hoeve ‘rontsom in de gemeijnte gelegen’(83).

Hoeve, vanaf de 16de eeuw enkel bekend in de betekenis van boerderij, heeft hier nog de oorspronkelijke betekenis van oppervlaktemaat, Oudnederlands *hova, Middelnederlands hoeve, hove, hoef (in het Latijn mansus). Een hoeve was de oppervlakte land nodig voor een kolonist (één gezin). De gezamenlijke oppervlakte van de twee erven Hoeve en Bamps bedroeg op het einde van de 18de eeuw 25 bunders 395 roeden of ca. 21,5 ha (1 bunder = voor Opglabbeek 84 a 48 ca); deze 21,5 ha oppervlakte komt nagenoeg overeen met een laatmiddeleeuwse hova of mansus, waarvan de oppervlakte evenwel van streek tot streek kan verschillen, o.m. bepaald door de kwaliteit van de grond.

De Opglabbeekse Hoeve is qua ligging en grootte nagenoeg vergelijkbaar met die onder Wijchmaal in Noord-Limburg(84). Beide nederzettingen zijn ook nooit het bezit geweest van een abdij of klooster, wat elders in de Limburgse Kempen wel het geval was: de Hoef in Hechtel (abdij van Averbode), de Hoeven in Overpelt (abdij van Floreffe), de Grote Hoef in Lommel (abdij van Averbode), Hengel- en Kelchterhoef in Houthalen (abdij van Floreffe)(85).

[p. 52]

C. Roekseinde

Roekseinde [ǫpt 'rōksẹn] is als zodanig eerst vermeld op kadastrale documenten, voor het eerst in 1844. Deze entiteit is een zuidwestelijke uitloper van het kerngehucht Ophoven en telde aanvankelijk (volgens gegevens uit het begin van de 16de eeuw) zeven winningen, waarvan de namen van familienamen zijn afgeleid: het Jannis, het Kuipers, het Martens, het Oijen, het Roeks, het Schrijvers en het Teeuwis.

De nederzetting ligt tegen het Roekseinderveld (akkerland, vnl. kampen), waarachter de Roekseinderbossen (heidevelden en dennen-aanplantingen), het geheel vrijwel afgezonderd in de heide.

Roekseinde betekent letterlijk: ligging op het einde ‘uiteinde’ van (het erf) het Roeks; het meest zuidelijk gelegen erf is evenwel het Teeuwis, maar het Roeks was wel het grootste (21 bunders).

D. Stegereinde

Deze zuidoostelijke uitloper van Ophoven telt vier erven (het Hermans, het Klissen, het Schas en het Steger), gelegen aan het Stegereinderveld tegen de heide. Analoog met Roekseinde is ook deze subentiteit genoemd naar een grenssituatie tegen de heide, mat als eerste lid de erfnaam Steger, een -er-afleiding van steeg ‘smalle weg’; dit goed is al vermeld in het begin van de 16de eeuw.

De oudst genoteerde vermelding van deze entiteit is: 1673 goet int Steger Eijnd gelegen(86). In de volksmond [ǫpt 'stẹ̄γərẹn]. Thans horen wij ook wel eens Stegerkant, met het produktieve element -kant.

E. Vinkenkant

De oudste vermelding is een -einde-naam: 1695 Coussen goet gelegen opt Vincken Eijnde(87). Gangbaar in de volksmond is thans evenwel Vinkenkant [ǫpə 'veŋkəkānt].

Deze uitbreiding van Opglabbeek-Dorp telt twee erven: het Koesen en het Vinken, beide begin 16de eeuw vermeld.

4.4. Het dorp en de gemeente

Zoals de meeste Kempense gemeenten behoort Opglabbeek tot het type van de kerspelen(88): het Dorp bij de parochiekerk en daarrond

[p. 53]

- soms op een grote afstand - de overige gehuchten die samen met de dorpskern de gemeente en de parochie vormen.

Dorp wordt de jongste tijd niet goed onderscheiden van gemeente en parochie, wat ten zeerste verwarrend is, want deze drie termen doelen telkens op iets heel anders. Het Dorp in de Kempen is de plaats bij de parochiekerk, meestal met de woningen rondom een plein, waarin al dan niet een waterpoel. Frankomanen spreken altijd over een ‘Frankische driehoek’, als ze het over een Kempens dorpsplein hebben. Dat plein is niet altijd driehoekig, en als het driehoekig is, heeft dit meer te maken met de wegenaanleg dan met de Franken. Waar men ook over de zgn. ‘Frankische driehoek’ spreekt of schrijft, een afdoende verklaring wordt nooit gegeven(89).

De term gemeente staat in secundaire relatie tot nederzetting. Historisch heeft gemeente twee specifieke betenissen, die thans in de Kempen onbekend zijn:

1)Het gemeenschappelijk grondbezit, m.a.w. alle broek- en heide-gronden, ook wegen die geen privaat bezit waren. In die zin identiek met Aard en Vroonte.
2)Alle ingezetenen van een woongemeenschap (vgl. ‘gemeente’ bij de hervormden). Tijdens het jaargeding of op tijdstippen dat belangrijke beslissingen dienden genomen te worden, vergaderde ‘de gemeente’ 's zondags na de hoogmis op het kerkhof of in de school; zo'n Kempense gemeente bestond in de praktijk evenwel alleen uit de gezinshoofden of hun meerderjarige vervangers.

Thans is een gemeente het kleinste bestuurlijk onderdeel van een staat, en overdrachtelijk het grondgebied ervan. Door fusie-operaties kunnen zich op dit vlak allerlei vreemde wijzigingen voordoen. De eerste fusie-operatie, niet van gemeenten maar van geïsoleerde nederzettingen, had plaats in de 7de-8ste eeuw (evtl. iets later) tijdens de parochiënstichting, waarbij we kunnen veronderstellen dat de Kerk een centraliserende rol heeft gespeeld. Een aantal tot dan toe zelfstandige entiteiten - soms twee of drie, soms ook zes of zelfs meer - werden a.h.w. gefusioneerd tot één parochie, o.m. om de parochiepriester via de tienden een behoorlijk inkomen te bezorgen. Wat de parochie en

[p. 54]

gemeente Opglabbeek betreft werd het een samenvoeging van de nederzettingen Louwel, Ophoven en Opglabbeek (het Dorp), drie gehuchten, d.w.z. ‘groepen of verzamelingen hoven of erven’(90); deze erven hebben we de basisnederzettingen genoemd. In de 12de-14de eeuw heeft er, zoals eerder werd uiteengezet, een vrij dynamische ontwikkeling plaatsgehad, zodat het aantal individuele erven toenam waardoor zich ook secundaire nederzettingen konden ontwikkelen. Van de 15de tot het einde van de 18de eeuw kende Opglabbeek een zeer geleidelijke toename van het inwonersaantal (van ca. 200 tot 263 in 1796), terwijl de oppervlakte van het cultuurland in die periode nagenoeg ongewijzigd bleef; dit betekent dat de opbrengst van het akkerareaal - dank zij de bemesting - lichtjes was verbeterd.

Bij recente fusie-operaties is het voor sommigen een belangrijke kwestie welke naam de fusiegemeente zal krijgen. Toen Opglabbeek, Ophoven en Louwel in de 7de-8ste eeuw één gemeente en parochie gingen vormen, was er eigenlijk geen gemeentenaam. Dat werd toen eenvoudig opgelost, hoewel ‘oplossen’ hier geen gelukkig werkwoord is, want het gebeurde o.i. spontaan en dit in alle Kempense gemeenten: de naam van de nederzetting waar de kerk kwam - in dit geval Opglabbeek - ging als gemeentenaam functioneren, terwijl de eigenlijke nederzetting Opglabbeek het Dorp werd.

 

Eksel
J. Molemans

(1)Rijksarchief Hasselt (RAH), Opglabbeek Schepenbank, Losse stukken bundel 5.
(2)J. Molemans en J. Mertens, Opglabbeek - een rijk verleden (Opglabbeek, 1984), dl. VI. - Ook opgenomen in de reeks Nomina Geographica Flandrica, Studiën en monografieën uitgegeven door het Instituut voor Naamkunde in Leuven, onder de titel: Toponymie van Opglabbeek, met geografisch, historisch en genealogisch onderzoek.
(3)RAH, Aartsdiakonale visitaties d.d. 1688 en 1711.
(4)RAH, Bevolkingstelling 1796. - Deze telling werd ondertekend door (municipaal) agent Joannes Lemkens, die evenwel een verkeerde optelling van het aantal inwoners maakte.
(5)J.J. Hannes, Provincie Limburg. Uitgave van kadastrale statistieken 1842-1844 (Leuven-Brussel, 1973), blz. 483.

(6)Zie hierover uitgebreid E. Paulissen, Het fysisch kader van Opglabbeek, in: J. Molemans en J. Mertens, Opglabbeek - een rijk verleden, o.c. 1984, blz. 29-56.

(7)Hoewel iedereen in de regio over Bosbeek spreekt, heb ik deze naam in geen enkele bron ontmoet.
De oudste namen voor deze beek zijn Glabbeek, Oeter en As, die evenwel als nederzettingsnamen zijn gaan functioneren. Formeel ouder dan Glabbeek zijn Oeter (overgedragen op de nederzettingen Neer- en Opoeteren) en *Askāa (overgedragen op de nederzetting As).
Buiten Bosbeek is ook Molenbeek zeer gangbaar, te verklaren door het groot aantal molens die op deze beek liggen (lagen). Daarnaast hebben we in de bronnen nog andere namen ontmoet, die evenwel nooit gangbaar werden, zoals Brede Beek, Grote Beek en Maalbeek.
(8)Bij de Opglabbeekse Dornermolen bijv. de Loosbeek (loos bij het ww. lozen ‘afwateren’).
(9)De werkelijkheid zoals die hier en ook in verdere voorbeelden wordt omschreven, is die blijkens de kadastrale legger uit 1844.
(10)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 206.
(11)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 2.
(12)Zie blz. 35.

(13)1511 dij Cattenbeeck (Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947, fo 122 vo).
(14)1568 die Rijt (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 55 vo).
(15)Zie hierover J. Molemans, Profiel van de Kempische toponymie. Naamkunde 9 (1977), blz. 15.
(16)Zie 4.2.2.
(17)1531 die Wijerbeeck (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 29 vo).
(18)In vrijwel iedere gemeente van de Luikse of Limburgse Kempen waren er één of meer schansen, opgetrokken op gemeenschapsgronden in of bij een depressie en gelijkend op stadjes in minivorm met watergracht en ophaalbrug. Hun ontstaan (einde 16de-begin 17de e.) was te ‘wijten’ aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) met zijn oncontroleerbare legerbenden, en aan de neutraliteit van het prinsbisdom Luik. Cf. J. Molemans, De Tachtigjarige Oorlog en het plaatselijk verweer in de Limburgse Kempen, in: Hulde-album Dr. F. Van Vinckenroye (Hasselt, 1985), blz. 227-243.
(19)Vanaf de 18de eeuw treedt vijver als concurrent van wijer op.
(20)Zie 2.1.1.
(21)Zie 2.2.2.
(22)Vandaar zijn de meeste opgetekende wijernamen voor Opglabbeek, zoals trouwens ook elders, samenstellingen met als eerste lid een familienaam: Dries-, Hoeven-, Joorkens-, Joosten-, Kremers-, Krijns-, Rutten-, Teeuwis-, Vinkenwijer(ke). Verder: Bosserwijer, Dorpwijer, Smal Wijerke.
De prins-bisschop van Luik bezat tijdens het Ancien Régime zeven wijers in Opglabbeek, waaronder de Bosserwijer (86 a), de Dorpwijer bij de pastorie (65 a 10 ca) en het Hoolven (7 ha 38 a). Opmerkelijk is de naam Hoolven voor een viswijer: 1692 den ‘wijer’ genaempt het Hoelvenne (RAH, Opglabbeek Schepenbank 7, fo 354). Het was wel degelijk een wijer en geen heideven! Vier van de zeven bisschoppelijke wijers hebben we niet kunnen lokaliseren.
(23)Krijnswijerke (18 a 40 ca), Teeuwiswijerke (43 a 80 ca).
(24)Bosserwijer (86 a), Hoevenwijer (83 a 50 ca), Joostenwijer (1 ha 63 a), Vinkenwijerke (68 a 80 ca).
(25)Drieswijer (60 a), Ruttenwijer (47 a 60 ca).
(26)Zie 2.1.1.
(27)Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947, fo 134 vo.
(28)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 19.
(29)Id., fo 190.
(30)1511 in geen Aeuvoert (Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947, fo 120).
(31)Baan is een Brabantisme dat voor het eerste in de Atlas der Buurtwegen (1845) opduikt; ouderen kennen hiervoor weg.
(32)Opglabbeek en andere gemeenten in de regio kennen geen Diester-, wel Trichterwegen; het verkeer was er dus gericht op Maastricht en niet op Diest. - In Opglabbeek-Dorp is er ook het Maaseikerstraatje: vandaar kon men via de Opoeterseweg naar Opoeteren richting Maaseik.

(33)1577 eenen bampt opt Ophovender Broock (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 149 vo).
(34)Zie 2.1.2. sub 4.

(35)A.V. Munaut, Recherches paléo-écologiques en Basse et Moyenne Belgique. Acta Geographica Lovaniensia 6 (1967), 191 blz.

(36)P.M. Vermeersch, A.V. Munaut en E. Paulissen, Fouilles d'un site du Tardenoisier final à Opglabbeek-Ruiterskuil (Limbourg Beige). Quartär 25 (1974), blz. 85-104.

(37)Ook toponymische bestanddelen als kamp en veld kenden een semantische ontwikkeling, nl. van open vlakte (onontgonnen gebied) tot bouwland.
(38)Zie 4.2.2.
(39)1543 den Loebampt in die Beijvort (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 85).
(40)1549 den Loije Camp (Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 948, fo 66).
(41)1546 eijnen camp gelegen aen geen Groen Straet (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 95 vo)./ 1597 dije Loe Straet oft Gronen Wech (Id., fo 249 vo).

(42)1554 dije Ghemeijn Heij (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 136 vo).
(43)1511 dij Gemeijnt (Rijksarchief Luik, Chambre des Comptes 947, fo 125).
(44)1779 de Gelabeecker Heijde (RAH, Opglabbeek Schepenbank 4, fo 208 vo).
(45)Op de droogste heidegronden vinden we uitsluitend struikheide (Calluna Vulgaris). In de iets vochtige gronden komen struikheide en de rossig bloeiende gewone dopheide (Erica Tetralix) in wisselende verhoudingen voor. Naarmate de laagte vochtiger wordt, wordt ook de dopheide belangrijker om uiteindelijk in de natte laagten dominant te worden.
(46)Op de Opglabbeekse Grote Heide liggen de volgende vennen dicht bij elkaar: Echelsven, Maasven, Schaapsven, Turfven, met daarbij ook nog de Ruiterskuil. In het Louwelsbroek: Diepven en Hoolven. - Alle gemeenschappelijk bezit, behalve het Hoolven, tijdens het Ancien Régime een prins-bisschoppelijke wijer.
(47)Men mag aannemen dat 10.000 tot 13.000 jaar geleden de algemene waterspiegel in de omgeving van de vennen een 4-tal meter hoger stond dan thans.
(48)Toch blijkt het Hoolven een viswijer te zijn geweest: gelegen in het Louwelsbroek was het grondwaterven.
(49)Cf. 2.1.2 sub 3. Zie evtl. J. Molemans, Wijers en heidevennen en hun relatie tot de visteelt, meer bepaald in Zonhoven. Limburg 62 (1983), blz. 1-8.

(50)Het Armenbos of Groot Bos had een oppervlakte van 2 ha 91 a 90 ca, het Kerkenbos of Nieuw Dennenbos 3 ha 3 a 40 ca, en het Gemeentebos 5 ha 52 a 70 ca.

(51)Bijv. voor Opglabbeek: 1581 dije Savelberge (RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, fo 184 vo).
(52)RAH, Opglabbeek Schepenbank 1, f