Bij het onderzoek van de toponymie van de Kempen, die belangrijke delen van de provincies Antwerpen, Limburg en Noord-Brabant omvat, staat men voor heel wat problemen. Hoewel een belangrijke reeks Kempische plaatsnamen en naambestanddelen tot de vóór-Romeinse of jong-prehistorische tijd teruggaan(1), wordt de Kempen gewoonlijk een ‘(vrij) jong ontgonnen gebied’ genoemd (in vergelijking met de meeste aangrenzende gebieden); deze visie is wellicht meestal bepaald door het feit dat er zo weinig relikten uit de Romeinse en Merovingisch-Karolingische periode (4de-8ste eeuw) aangetroffen worden. Daartegenover staat dan weer dat de Kempen in de vóór-Romeinse tijd een belangrijke bewoning kende; hiervan getuigen alleen reeds de talrijke ontdekte grafvelden(2).
Een bijzonder grote moeilijkheid bij het onderzoek van de Kempische toponymie is dan nog, dat het beschikbare bronnenarsenaal gewoonlijk vrij jong te noemen is: doorlopende bronnen (schepen-protokollen e.d.) die tot de veertiende eeuw teruggaan, zijn eerder zeldzaam; eventuele oudere bronnen (oorkonden, cijnsregisters) zijn nog schaarser. Vandaar dat in naslagwerken die bij voorkeur zo oud mogelijke namenlagen behandelen (vóór 1400 of vroeger), de Kempen, vooral dan nog de Limburgse Kempen, niet sterk aan bod komt.
De bovenlaag van het Kempisch onomasticon kan tot een oude laag behoren, ook al zijn de oudst bekende vermeldingen in de bronnen vaak jong(3). Maar ook het jongere namengoed (dat er inderdaad overvloedig aanwezig is), is vanuit naamkundig standpunt een grondig onderzoek waard, in de eerste plaats omdat men er de naamgeving a.h.w. op de voet kan volgen. In de tweede plaats omdat de relatie naam-zaak dikwijls nauwkeurig kan onderzocht worden, wat zonder
meer van groot belang is bij de betekenisverklaring van toponiemen als donk, dries, eusel, laar, lo, schoot e.a. Wat deze toponiemen ‘precies’ of ‘meestal’ betekend hebben, welke de eventuele betekenisverschuivingen in kronologisch of geografisch opzicht zijn geweest, kan in belangrijke mate achterhaald worden door het nauwkeurig lokaliseren van de diverse donken c.s. en een precieze beschrijving van de geografische kenmerken van de betreffende plaatsen. In dit perspektief is het wenselijk te blijven opteren - voorlopig althans - voor nog meer ‘waardevolle’ naamkundige monografieën, die onze gemeenten naamkundig zo grondig mogelijk ontleden, daarbij liefst binnen een zo ruim mogelijk aaneengesloten gebied. In zulke monografieën dient de relatie naam-zaak een fundamentele plaats in te nemen. In zekere zin overbodig zijn werken waarin hoofdzakelijk een lijst van plaatsnamen voorkomt en met per lemma één of meer hypothetische verklaringen die overigens reeds lang bekend zijn en die ons derhalve ook geen stap verder brengen. Primair blijft voorlopig het zoeken naar de ‘meest waarschijnlijke verklaring’ van ‘doordeweekse namen’ in diverse gebieden van beperkte geografische omvang. Vanuit wetenschappelijk standpunt zijn dergelijke werken niet zo spektakulair: een boek onder de titel ‘veldnamen in Vlaanderen’ zal op het eerste gezicht heel wat belangrijker aandoen dan een werk over de ‘Veldnamen in Godveerdegem’. Maar wat hebben we aan zogenaamde wetenschappelijke werken op los kwarts-zand?
Om tot een zo genuanceerd mogelijk inzicht in deze problematiek te komen, onderzoeken we het nederzettingsnamenpakket van de gemeenten As, Bocholt, Ellikom, Hamont, Kaulille, Kleine-Brogel, Neerglabbeek, Neerpelt, Niel-bij-As, Overpelt en Sint-Huibrechts-
Lille(4), alle gemeenten uit de Limburgse Kempen. We hebben deze elf gemeenten vanuit naamkundig standpunt zo grondig mogelijk onderzocht, wat voor een mogelijke synthese een conditio sine qua non is, zoals uit de verdere uiteenzetting moge blijken.
In de reeds bestaande kompilatiewerken over de nederzettingsnamen(5) uit de Antwerpse en Limburgse Kempen(6) wordt de lezer dadelijk gefrappeerd door het groot aantal nederzettingsnamen die een gemiddelde Kempische gemeente blijkt te tellen. Ook bij de door ons ondernomen mondelinge en/of schriftelijke enquêtes komt dit tot uiting: voor de gemeente Genk worden meer dan 40 nederzettingsnamen opgegeven, voor Lommel ruim 20, terwijl Genk slechts vijf historisch overgeleverde gehuchtnamen telt en Lommel vier(7). Het is bijgevolg evident, dat we alle thans opgegeven Kempische nederzettingsnamen niet op één lijn kunnen plaatsen: er dienen stratificaties doorgevoerd te worden - liefst voor elke gemeente afzonderlijk -, waardoor een primaire laag van een sekundaire, tertiaire en zelfs van een kwartaire laag kan onderscheiden worden.
Om de vereiste stratifikaties te kunnen doorvoeren is een grondig historisch-naamkundig onderzoek, gekoppeld aan een eksploratie van het terrein, noodzakelijk.
Een eerste kriterium om - zij het grofweg - oudere van jongere nederzettingsnamen te onderscheiden, bestaat erin te achterhalen hoe tijdens het Ancien Régime de bestuurlijke indeling in gehuchten(8) er uitzag.
Vóór 1800 waren de ingezetenen van de Neerpelter gehuchten Boseinde, Broeseinde (+ Dorp), Grote Heide en Herent in het gemeentebestuur vertegenwoordigd door één burgemeester per gehucht. Het betreft hier vrijwel zeker de vier oudste woonkernen van deze gemeente. Onder deze vier bestuurlijke eenheden ressorteerden nog een aantal subentiteiten: kleine en (wellicht meestal jongere) woonkernen, die zowel uit de late middeleeuwen (Boelehoeve, Daamsheide), de 15de-16de eeuw (Hagenhoek, Kolis, Rosen) als uit de 19de-20ste eeuw (Heerstraat, Kolonie, Zonhoek) kunnen dateren.
Wat voor Neerpelt geldt, gaat daarom nog niet voor om het even welke Kempische gemeente op. Hamont bijv. was verdeeld in drie bestuurlijke eenheden: de stad met twee burgemeesters, de buitengehuchten Haart en Koleneinde elk met één gezworene. Wanneer men een 16de-eeuwse nederzettingsnameninventaris van de gemeente Hamont onder ogen neemt, is de vermelde bestuurlijke indeling wel misleidend: het aantal bestaande woonkernen is niet enkel veel talrijker(9), maar sommige hiervan zijn even oud of ouder dan de gehuchten Haart en Koleneinde(10).
Een kleine gemeente zoals Ellikom had slechts één burgemeester. De indeling in zogenaamde gehuchten is eerder recent (17de-18de eeuw); het zijn daarenboven alle namen op -kant ‘zijde’, wijzend op de ligging van een reeks erven naar de kant van het broek, de heide en de buurgemeente Meeuwen: Broekkant, Heikant, Meeuwerkant.
Niel-bij-As kent evenmin een oude indeling in gehuchten ‘bestuurlijke eenheden’. Wel maakt het kadaster sedert de vorige eeuw een administratief onderscheid tussen Niel-Dorp en Geenstraat(11); in de Atlas der Buurtwegen (1845) worden Kalen- en Moorsberg eveneens als gehuchten vermeld: in feite zijn het steile hellingen genoemd naar de nabijgelegen boerderijen Kalen en Moors(12).
Uit talrijke attestaties is gebleken, dat heerdgang voorkomt in de betekenis van gehucht(13), bijv.:
| Beringen 1636 huijs gelegen onder den heertganck van d'laer(14). |
| Bree 1769 heertganck genaempt het hasselt(15). |
| Eksel 1596 op eenen hertganck genaempt het cleijnent(16). |
| Kaulille 1643 een gehuijcht offt hertganck genaempt de raeck(17). |
| Tessenderlo 1607 onder die gehuchte of heertgange van schoot(18). |
De eigenlijke betekenis van heerdgang, mnl. hert ganc is weideplaats: de vroente of heide bij een nederzetting waarop het vee gehoed werd; bij uitbreiding kreeg heerdgang de betekenis van nederzetting. Heerdgang is een samenstelling van heerd ‘herder’ en gang ‘het trekken, het gaan’. Heerd, dat tot in de vorige eeuw nog een gebruikelijke naam was voor (koe-, schaaps-)herder(19), treedt eveneens op als bepalend bestanddeel van heerdweg(20) - soms niet (meer) begrepen en dan geïnterpreteerd als heerweg(21) -, de weg waarlangs de heerd het vee naar de heide drijft.
Synoniemen van heerdgang zijn heerdwagen en heerdschap. Heerdwagen is een samenstelling van heerd ‘herder’ en wagen, dat (zoals -gang in heerdgang) eveneens de betekenis heeft van ‘het trekken, het gaan’(22). Mnl. herdscap ‘heerdschap’ betekent letterlijk: de gezamenlijke (buurtschaps)herders.
In de bronnen treffen we meestal heerwagen en heerschap aan i.p.v. heerdwagen, -schap; zulks is vermoedelijk te verklaren door analogie naar namen als heerbaan, -straat, -weg enz.(23) Uit de enkele hier volgende voorbeelden blijkt opnieuw de gelijkstelling heerdwagen/heerdschap met gehucht:
| Bocholt 1572 onder die herscap crijel geleghen(24). |
| Genk 1596 gelegen opden heerwagen oft gehuchte van wentersloij(25). |
| Tessenderlo 1667 ingeseten des heerwagens schoot(26). |
Soms werd heer(d)wagen verkort tot wagen: (Zolder 1429) dy inghesetene vand(en) kerspel ende prochie(n) des dorps van zuylre en(de) ghehucht van baelreberch met honnen drij heerwagenen, dat is te weten der dorp wag(en) met den gehucht van baelreberch voor eenen wagen, ende der wag(en) ter boockt ende der derden d(er) wag(en) vand(en) voert...(27).
De betekenisontwikkeling van gemene weideplaats tot gehucht(28) is enkel te verklaren door de centraal-funktionele plaats die de heide waarop het vee door buurtschapsherders werd gehoed(29) destijds bekleedde. De indeling in heerdgangen (-wagens, -schappen) was organisatorisch en berustte op het gebruik van de voorhanden zijnde gemene weideplaatsen. Terwijl het aantal heerdgangen per gemeente
steeds hetzelfde bleef, kon het aantal buurtschappen gebeurlijk toenemen (cfr. 1.1.2): een jongere of sekundaire buurtschap werd steeds bij een bestaande heerdgang gevoegd, zodat het voorkomt dat onder één heerdgang twee en zelfs meer buurtschappen ressorteren(30).
Enkele andere benamingen voor (gemene) weideplaats zijn:
| 1) | Mnl. he(e)rnesse ‘kudde; weiland’ (MW III, 379-80) is - met reduktie van het tweede bestanddeel - bewaard in de Kleine-Brogelse gehuchtnaam Heris, 1570 opt heijeris (Top. XXII/2: 32-33). De hernisse-namen, waarmee uitgestrekte graslanden worden aangeduid, komen meestal voor in de Vlaamse kustvlakte. |
| 2) | Peister(31) is een afleiding van het ww. peisteren (cfr. MW VI, 216-17). Op lat. pascere, pascuum gaan eveneens de talrijke pes- en pa(a)stoponiemen terug, die voornamelijk in het oosten van ons land en in het Rijnland voorkomen. |
| 3) | Veeweide ‘(met gras begroeid) terrein waarop het vee gehoed wordt’(32) komt op talrijke plaatsen voor als perceelsnaam: bedoeld worden dan wel ontginningen tot hooiland. |
In de Kempen bestond op talrijke plaatsen de gewoonte, dat de kudden van twee of meer buurgemeenten vrij over de wederzijdse gemeentegrenzen mochten geleid worden: dit gebruik werd schellen ende bellen genoemd, wellicht naar de rinkelende bellen die de dieren waren aangebonden. In teksten wordt meermaals een onderscheid gemaakt tussen het gebruik van de heide als heerd- of heidegang, waarbij de gemeentegrenzen overschreden mochten worden, en de heide als gebied voor het winnen van turf- en heidestrooisel; dit laatste mochten alleen de ingezetenen op de gemene gronden die onder hun gemeentelijke jurisdictie hoorden. Op 30.10.1612 brengen de burgemeesters van Overpelt voor de schepenbank van Pelt een aanklacht tegen Adriaan Hollen en Jan Boeijvoets van Neerpelt, beschuldigd wegens het maaien van heide op Overpelts grondgebied; zij verklaren ‘dat die gemeijnte van Ouerpelt ende Neerpelt egheen gemeynscap met malcanderen en hebben om reciproie onder den anderen te moghen op hunnen aert ende gemeynte toruen te steecken,
heijde te meijen offt te slaghen dan alleen met scellen ende bellen...(33).
Tot in het midden van de vorige eeuw bezaten de gemeenten Achel, Hamont, Kaulille en Sint-Huibrechts-Lille grote heideterreinen in onverdeeldheid(34). Deze toestand is vermoedelijk een gevolg van het vroegere gebruik schellen ende bellen. De definitieve scheiding van deze Onverdeelde Heide (naam die in de vorige eeuw ontstaan is) kwam er eerst na vele moeilijkheden.
De heerdgangen bleven in de Kempen bestaan tot omstreeks 1850. Een decreet van keizerin Maria Theresia (1772) om gemeentelijke heidevelden tot akkers, weiden en bossen te ontginnen had weinig of geen praktische gevolgen gehad. Daar de kunstmeststoffen er eerst kwamen in de tweede helft van de 19de eeuw, bleef de heide een noodzaak voor de voorziening van potstalmest. Op het einde van de 18de eeuw stellen we een eerste aanplanting met dennenbossen vast(35), vooral op initiatief van kloosters(36). Na 1830 drong de provinciale overheid sterk aan tot de verkoop van delen uit deze heerdgangen, waarvoor de gemeentebesturen aanvankelijk helemaal niet te vinden waren. Interessant is in dit verband een rondschrijven van de gouverneur van de provincie Limburg d.d. 22.4.1844(37) en de antwoorden hierop van de diverse gemeenteraden(38). De wet van 25.3.1847 maakte het evenwel mogelijk, op advies van de provinciale deputaties, de gemeenten te verplichten gemene gronden aan partikulieren te verkopen en zo de ontginningsaktiviteit te bevorderen. De huidige heideterreinen zijn niet meer dan relikten van de vroegere heideheerdgangen.
Men kan ook een linguïstisch kriterium hanteren om een oudere van een jongere laag nederzettingsnamen af te zonderen: het intern-lokalizerend voorzetsel bij de oudste laag is in, bij een jongere veelal op(39).
In de late middeleeuwen kende de Kempen vermoedelijk een demografische ontwikkeling op beperkte schaal en in dezelfde periode begonnen kloosters en abdijen belangstelling op te brengen voor de Kempen. Wellicht liggen deze faktoren aan de basis van de vrij talrijke geïsoleerde nederzettingen, gewoonlijk op de rand van de heide; in recente tijd zijn ze meestal tot kleine woonentiteiten ontwikkeld, waarvoor thans vaak gehuchtnamen optreden.
De volgende types van nederzettingsnamen dateren wel grotendeels uit de late middeleeuwen, hoewel enkele ook tot een jongere periode kunnen teruggaan:
A. Een eerste en belangrijke reeks betreft nederzettingsnamen met het bestanddeel hoeve (sinds de 16de eeuw enkel bewaard in de betekenis van boerderij), onl. *hova, mnl. hoeve, hove, hoef, lat. mansus. Een hova wordt gewoonlijk omschreven als de oppervlakte land nodig voor het onderhoud van één gezin. In deze betekenis is hoeve bewaard als veldnaam (cfr. infra), maar ook in de namen van plaatsen waar abdijen en kloosters in de late middeleeuwen een landbouwuitbating vestigden op (heide)gronden, die ze meestal van grootgrondbezitters ten geschenke hadden gekregen. In de Limburgse Kempen bijv.: de Hoef te Hechtel (abdij van Averbode) en te Helchteren (abdij van Sint-Truiden); de Hoeven te Overpelt (abdij van Floreffe); Hengel- en Kelchterhoef te Houthalen (ibid.); de Grote Hoef te Lommel (abdij van Averbode).
Hoeve moet evenwel niet per se betrekking hebben op klooster- of abdijgoederen, maar kan ook op gemeentelijke ontginningen, evtl. op lekenbezit wijzen, zoals bijv. de Hoef (thans gehuchtnaam) te Opglabbeek en Wijchmaal, en met bepalende bestanddelen: (Neerpelt) Boelehoeve, 1529 vanden bolen hoeue (Mon. IX: 62-63), Mnl. bule ‘heuvel, hoogte’; (Sint-Huibrechts-Lille) Duisen Hoeve, 1613 de duisen hoeff (Mon. XII: 130-31), een afgezonderde nederzetting waarop in de 17de eeuw één woning stond.
B. Een tweede reeks nederzettingsnamen is afgeleid van persoonsnamen, veld- en waternamen enz. De gemeente Sint-Huibrechts-Lille telde blijkens 16de-eeuwse bronnen toen vijf woonentiteiten in de
bet. van gehuchten: Broek(kant), Dorp, Hork, Ven(der)straat en Zaan/Zand. Daarnaast waren er evenwel in die gemeente in die tijd niet minder dan zes afgezonderde nederzettingen, waarvan er twee zijn afgeleid van een persoonsnaam: Geerkens, 1767 op de geerkens (Mon. XII: 106) en Geuskens, 1724 geuskens hoffstede (ibid. 104). De vier overige namen wijzen op de hoogteligging: Heuvel, 1509 op geen hoeuel (ibid. 108) en Kompen, 1581 op di compen (ibid. 107); de ligging in een (uit)hoek op de grens met Hamont (Hork, 1580 opten horrijnck) (ibid. 108), en bij een waterloop (Rijt, jonger Riet, 1586 op die rijt) (ibid. 109-10). Het eerste lid van 1844 Fierkensheikant (ibid. 105) is eveneens een persoonsnaam: een reeks boerderijen op de Heikant bij het erf van Fierkens.
Ook in de buurgemeente Hamont zijn twee afgelegen nederzettingen afgeleid van een persoonsnaam: Robbert, 1612 den robrecht(40), en Winter, 1519 den wynter(41). Dielishoek, 1668 aen den dyelis hoeck(42) en Emmelenhoek, 1613 aenden emmelen hoeck(43) zijn twee kleine agglomeraties in hoekvorm (tussen drie wegen), genoemd naar de hierin centraal gelegen boerderijen van Dielis en Emmelen; te vergelijken met de Janshoek te Kaulille (Top. XXII/1: 56).
In de Kempen is er een nauwe relatie tussen persoons- en plaatsnaam. Mogelijk houdt zulks verband met de invloed die in bepaalde ontginningsperioden van individuele boerderijen is uitgegaan. Het hierboven behandelde nederzettingsnamentype voor Hamont en Sint-Huibrechts-Lille komt in nagenoeg elke Kempische gemeente voor.
C. Namen van het type persoonsnaam + heide kunnen eveneens wijzen op een (aanvankelijk) afgezonderde nederzetting(44) op de rand van de gemene heide, zoals bijv. (Neerpelt) Daamsheide, 1553 op gheen daems heijde (Mon. IX: 63-64): het goed van Daams, gelegen tegen de heide en waarrond zich een kleine nederzetting heeft gevormd. Te vergelijken met dit type zijn deze gevormd door persoonsnaam + -einde, bijv. te Meeuwen: 1684 opt vliegen eynde(45).
Het is bekend dat de Kempen sedert het midden van de vorige eeuw, toen zij nog voor ca. 2/3 met gemeentelijke heidevlakten bedekt was, een belangrijke demografische expansie heeft gekend, met het gevolg dat regelmatig nieuwe woonkernen in de heide ingeplant werden en worden. Uit een mondeling onderzoek is bijv. gebleken dat de Bocholtenaren thans als gehuchtnamen beschouwen: op de Bosheide, in de Kempen, op de Kleine Landeigendom, in het Meierbroek, in de Moesputten, in de Voort (Mon. VIII: 50). Behalve de Kleine Landeigendom (maatschappijnaam) en de Voort (oorspronkelijk een waterovergang) zijn het historisch overgeleverde veldnamen.
Een belangrijke reeks nieuwe nederzettingen in de Kempen dateert uit de 19de eeuw(46), maar de omvangrijkste groep betreft nieuwe woonwijken van na 1940. In vele gevallen werd daarbij de overgeleverde kadastrale benaming op de woonwijk overgedragen, zoals voor het Look te Neerpelt; de Haag, de Hoeven en de Zavel te Neerglabbeek; de Nieuwe Kempen te Opglabbeek; de Hoven en de Molendel te As; de Rieten te Meeuwen enz.
Zoals bekend zijn de meeste Kempische gemeente- en gehuchtnamen geen nederzettingsnamen in de strikt etymologische zin, i.c. namen op -heem, -hoven, -wijk, -zele e.a., bestanddelen die, wat hun betekenis betreft, duidelijk op bewoning wijzen. In de gemeente Bocholt bijv. wijst alleen de naam Veldhoven(48) op bewoning of nederzetting. De overige zijn primair ofwel waternamen (Lechten, Lozen), ofwel namen die verband houden met de aanvankelijke begroeiing met (loof)bos (Bocholt, Goolder, Kreiel), resp. kreupelhout (Hees). Voor de overige Kempische gemeenten geldt grosso modo dezelfde vaststelling: de gemeente- en gehuchtnamen zijn in de meeste gevallen primair waternamen, natuurnamen e.d.; sekundair (nadat
bewoning had plaatsgevonden) funktioneerden ze als nederzettingsnamen. Wanneer de overdracht plaatsvond is vrijwel nooit te achterhalen.
In de elf door ons onderzochte gemeenten zijn er buiten Veldhoven slechts drie nederzettingsnamen die eksplisiet bewoning aanduiden:
| 1) | Ellikom, een -ingaheem-naam(49), psn. + suffiks -inga + heem, germ. *Aljinga haim ‘woning van de lieden van Aljo’ (Top. XXII/4: 1-2). |
| 2) | (Kaulille) Hostie, 1519 in gheen hosteij < ho(f)stede ‘plaats waar een hof of hoven staan’ (Top. XXII/1: 53). |
| 3) | (As) Heide(huizen)/Zevenhuizen, 1345 op gheen heyde / 1639 die heijder huijsen / 1788 de seven huijse (Mon. XI: 90-91). - Nederzetting die - vermoedelijk in de late middeleeuwen - ontstaan is op de rand van de uitgestrekte heide tegen Genk en Opglabbeek. Van de 16de tot de 19de eeuw precies zeven erven, vandaar de naam Zevenhuizen. |
Tot een oude, (jong-)prehistorische laag behoren o.m. de gemeentenamen Brogel en Hamont:
| 1) | Kleine-Brogel, 1222 minor brogela, 1253 brogele. De dorpsnamen (Grote/Kleine) Brogel en Breugel (bij Eindhoven) zijn ontleningen aan Keltisch *brogilo (Top. XXII/2: 1-2)(50). |
| 2) | Hamont, 1257 hamont. Ofwel samenstelling van hage(n) en munt < lat. montem ‘berg’ of mund ‘bescherming, afweer’, ofwel teruggaand op *hamot(h) ‘afgesloten, resp. versterkte plaats’(51). In alle voorgestelde hypothesen is een gemeenschappelijk element te onderkennen, nl. de betekenis ‘afsluiting, omheining, verdediging, verweer’. |
Vrij talrijk zijn de waternamen die nederzettingsnamen zijn geworden en waarvan er verschillende tot de prehistorische tijd teruggaan. Dit grote aantal waternamen in de nederzettingsnamenvoorraad
van de Limburgse Kempen is te verklaren door het feit dat alle oude woonkernen op het Kempisch Plateau, met uitzondering van Wiemesmeer (Zutendaal), gesitueerd zijn in de nabijheid van een waterloop.
| 1) | Neerglabbeek ligt in de vallei van de Itter (cfr. ook Opitter), Opglabbeek in de vallei van de Oeter (cfr. ook Neer- en Opoeteren) of Bosbeek. Glabbeek, fra. Glabais, du. Gladbach zijn zeer gangbare waternamen geweest(52), die in vele gevallen door andere namen verdrongen werden(53). De nederzettingen Neer- en Opglabbeek zijn genoemd naar hun ligging bij een gladde ‘glanzende, heldere beek’: 1219 ecclesiam tam inferioris quam superioris ville que dicitur glatbeke(54). |
| 2) | As , 1140 asch(55), is een prehistorische waternaam (askā), te vergelijken met Asse in Brabant(56). Het oudste site van As is Oeleinde, 1597 op dat ulend(57). Deze wellicht jongere naam voor As wijst op de ligging op het uiteinde of de rand van het Oel ‘broek of moeras’ in de Bosbeekvallei. |
| 3) | Als synoniem van Oel (einde) wordt éénmaal Broets (1714) vermeld, teruggaand op Mnl. bruud, bruijd ‘drek, bij overdracht moeras’. Dit element is tevens het eerste lid van de Neerpeltse gehuchtnaam Broeseinde, 1520 op gheen broets eijnde (Mon. IX: 34). Broe(t)seinde, naar de betekenis verwant met Oeleinde te As, betekent, blijkens de geografische gesteldheid, (ligging op het) uiteinde, de rand van het moeras in de Dommelvallei = Pelt, 815 kop. ± 1170 palethe (Mon. X: 35-37), een kollektief *pal-ithi van Mnl. pael ‘poel, plas’ (MW VI, 22). |
| 4) | Te vergelijken met Oel(einde) en Broets(einde) is eveneens Niel (bij-As),
Mnl. niel ‘voorover’, als
zelfstandig naamwoord gebruikt in de bijwoordelijke uitdrukking int niel ‘in de diepte,
omlaag’ (MW IV, 2390). Niel ‘laagte, depressie’ doelt hier op de Bosbeekvallei (60 m) die ca. 30 m ingesneden is in het plateau (90 m) en een drassig kom- |
| pleks vormt, zulks in oppositie tot de hoger gelegen bouwland- en heidegronden (Top. XXII/5: 18-19). | |
| 5) | Een afgezonderde nederzetting te Achel-Hamont, genoemd naar een waterloop, is Beverbeek, 1360 beverbeke(58). Het eerste lid is zoals in Beverlo de diernaam de bever. |
| 6) | Rijt was in de Kempen zeer verspreid als naam
voor waterlopen. Niet alleen zijn talrijke nederzettingen genoemd
naar de ligging bij zulk een rijt, o.m. te Kaulille (Top. XXII/1: 84), Kleine-Brogel (Top. XXII/2: 58-59), Overpelt (Mon. X: 297) en Sint-Huibrechts-Lille (Mon. XII: 109), maar ook
tientallen terrein- en vandaar talrijke plaatsnamen - vooral voor
bouw- en hooiland - zoals Rijt(beemd,
-veld), zijn met dit bestanddeel samengesteld. In talrijke gevallen is de waternaam rijt in recente tijd verdrongen door jongere namen(59). Anderzijds is rijt een (jongere) variant van de Bocholtse nederzettingsnaam Lechten, die teruggaat op *lak-ti, bij lekken ‘druppelen, doorzijpelen’ (Mon. VIII: 45-46). Een andere Bocholtse gehuchtnaam, nl. Lozen, 1575 tot loessen (ibid.: 46-47), is genoemd naar een (water)loos ‘afwateringssloot’(60). |
| 7) | Talrijk zijn eveneens de nederzettingen die genoemd zijn naar de
ligging naar de kant ‘zijde’ van een broek
‘moeras’(61), vandaar de
gehuchtnaam Broekkant, o.m. te Ellikom (Top. XXII/4: 6-7), Kleine-Brogel (Top. XXII/2:
17-18) en Sint-Huibrechts-Lille (Mon. XII: 104). Zoals Heikant voor Heide is Broekkant in
de meeste gevallen een jongere formatie voor Broek(62). Naar de ligging bij een ven, resp. een wijer, zijn de nederzettingen Inkensven(63) te Hamont en Wijer te Sint-Huibrechts-Lille genoemd (Mon. XII: 110). |
Op de vroegere (loof)bosbegroeiing wijzen de bestanddelen lo, hout en evtl. bos, hees.
| 1) | Lo, 1465 op gheen loe, is een
gehucht van Hamont(64). Bedoeld wordt de huidige Lozenerheide
(gerooid loofbos?) op de grens met Lozen-Bocholt; tevens het hoogste
punt van de gemeente (43 m). Het Lo komt zo frekwent voor als perceelsnaam(65), dat we wellicht niet steeds moeten denken aan (gerooid) loofbos, maar eerder aan kreupelbos (cfr. Hees). Bij nederzettingsnamen komt lo meestal voor als tweede lid van een samenstelling:
|
||||||||
| 2) | Hout ‘bos’ is het tweede lid van de gemeentenaam Bocholt, 1162 bucolt (Mon. VIII: 42)(71) en het eerste bestanddeel van de Over- |
| peltse gehuchtnaam Houtmolen, 1451 houtmolen ‘de molen bij of in het hout ‘bos’) (Mon. X: 170). | |
| 3) | Een (jonger) synoniem van lo en hout is bos. De nederzettingsnaam Boseinde te As, 1702 aen den bosch (Mon. XI: 89), en te Neerpelt, 1543 opt boseijnde (Mon. IX: 90), duidt op de ligging van een nederzetting op het (uit)einde (rand of zoom) van een boskompleks. Het Varkensbos, 1474 den verkensbosch(72), is een gehucht van Hamont, met als jongere variant Bosstraat, 1617 de bosstraet(73): naar de ontwikkeling van de nederzetting langs een weg die naar het (Varkens)bos leidt. |
| 4) | Hees, germ. haisjō-
f. ‘jonge beukenbos, later struikgewas’, is een
gehucht te Bocholt, 1575 op die hees (Mon. VIII:
43-44) en te Hamont, 1470 op gheen hees(74). Als tweede lid (met reduktie tot -is) in (Neerpelt) Kolis, 1517 op gheen coelheze (Mon. IX: 64-65). Het eerste element is kool = boskool (wellicht turf). |
Veldnamen zijn oorspronkelijk:
| 1) | (Hamont) Haart, 1465 op die haert(75), nog onderscheiden in Grote en Kleine Haart. Germ. harud ‘beboste hoogte, zandige heuvelrug’. Bedoeld wordt de huidige Haarterheide. |
| 2) | (Overpelt) Heesakker, 1229 in helhackere (lees: heshackere) (Mon. X: 140). Deze naam herinnert wellicht aan de primitieve door kreupelhout besloten dorpsakker. |
| 3) | (Neerpelt) Grote Heide, 1504 op die grote heijde (Mon. IX: 59). Nederzetting op de boord van een uitgestrekt heideterrein. |
| 4) | (Kleine-Brogel) Heris (cfr. 1.1.2.2). |
| 5) | (Hamont) Mulk, 1399 molloc(76). Mol ‘fijne, droge, losse aarde’ + lo(o)k ‘afgesloten terrein’. |
| 6) | (Kaulille) Raak, 1503 op die raeck (Top. XXII/1: 83). Mnl. rac ‘strook (land)’. |
| 7) | (Sint-Huibrechts-Lille) Smeel, 1786 op den smeel (Mon. XII: 110). Terrein begroeid met smeel = buntgras. |
I.v.m. de bodemgesteldheid staan Zand en Zavel:
| 1) | (Sint-Huibrechts-Lille) Zaan, 1523 op sande / 1575 op san (Mon. XII: 109). Zaan = dialektisch voor zaande, de verbogen vorm van zand. |
| 2) | (Kleine-Brogel) Zavel,
1573 inden sauel (Top. XXII/2: 73). Zand en Zavel zinspelen op de zavelachtige ondergrond. Ook als perceelsnamen zijn ze voor vrijwel elke Kempische gemeente geattesteerd. In talrijke gevallen wordt ook gewezen op de ligging van een huis of van een groep huizen in zulk zand- of zavelgebied(77); ze hebben zich daarom niet steeds als nederzettingsnaam doorgezet. |
Wegnamen zijn (Overpelt) K(w)adijk, 1552 op de caetdijck (Mon. X: 225-26) en (Sint-Huibrechts-Lille) Venderstraat, 1640 aende venner straet (Mon. XII: 108).
De Kleine-Brogelse gehuchtnaam Voort, 1586 op die voirt (Top. XXII/2: 68) is genoemd naar een nabijgelegen waterovergang.
Nederzettingsnamen op -einde, -hoek en -kant (aanduiding van de ligging) zijn vrij talrijk:
| 1) | Einde:
|
||||
| 2) | Hoek:
|
| 3) | Kant:
|
Benoeming naar de hoek- of neusvorm (tussen wegen): (Overpelt) Neus, 1570 op die nues (Mon. X: 273).
In vrijwel elke Kempische gemeente komt een (gewoonlijk vrij uitgestrekt) gemeentelijk broek of moeras voor. De naam leeft voort in talrijke nederzettingsnamen als Broek(kant)(82).
Synoniemen van broek zijn:
| 1) | Mnl. bere ‘modder, slijk’ (MW I, 914): talrijk zijn de plaatsnamen Ber(en)broek, eigenlijk een tautologische samenstelling. |
| 2) | Mnl. bruud, bruijd ‘drekke grond, moeras’ (MW I, 1470-71), het eerste lid van de Neerpeltse gehuchtnaam Broeseinde (cfr. 1.2.3), die kan vergeleken worden met Oeleinde te As (ibid.). |
| 3) | Goor, Mnl. gore ‘slijk, moeras’, in talrijke gevallen nog als gemeen broek vermeld(83), maar ook als naam voor viswijers en terreinen voor de hooiwinning (na ontwatering). |
| 4) | Maal, germ. malhō- f. ‘zak, depressie’, o.m. in de gemeentenaam Wijchmaal, 1139 wimale(84). |
| 5) | Mortel, eigenlijk mortelspecie, overdrachtelijk: slijk, modder; dit bestanddeel leeft in tientallen Kempische plaatsnamen voort. |
| 6) | Solt, kollektief van germ. sula- ‘slijk, modder’, o.a. in de gehuchtnamen Solt (Neeroeteren), Bovensolt (Opitter) en Neersolt (Tongerlo). |
In het broek werd klot of moer gedolven. Er dient een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen turf (voes)(85) en klot (moer, vurt).
| 1) | Turf was de bovenste humuslaag (met het heidekruid), die uitgestoken, uitgeturfd of afgevlagd werd. Turfschadden werden in eerste instantie op de natte heide gestoken - vandaar ook de benaming heiturf -, waardoor evtl. een uitgeholde bodem, resp. een ven kon ontstaan: cfr. de talrijk voorkomende plaatsnamen als Hool en Turfbroek, -put, -ven, -wijer. |
| 2) | Onder de turflaag bevond zich klot, ontstaan
door een ophoping van afgestorven plantenresten (moerasplanten).
Vgl. ook
Goossenaerts
: ‘Klot = moergrond zonder groes - aan turf is
groes - in vierkante blokjes verdeeld, dan met een turfbod tot op
ca. 15 cm diepte uitgestoken en gedroogd’(86). Klot, Mnl. clotte, is ablautend verwant met kluit en kloot. Zoals kloot(87) betekent klot in het algemeen ‘kluit, klomp’, maar heeft |
|
hier de specifieke betekenis van ‘turfklont of
-klomp’ (MW III, 1589-90). Synoniemen van klot zijn moer en vurt. Moer is veengrond (MW IV, 1779-80)(88). Vurt, dat teruggaat op Mnl. vort, vurt, adj. ‘(ver)rot’, van hout ‘vergaan’ (MW IX, 1170), waarbij wellicht gezinspeeld wordt op de vergane resten bij de klotvorming. Gessler(89) citeert vuert in de betekenis van brand(stof). Dat vurt en klot synoniemen zijn bewijzen ook attestaties als deze: 1595 1 roeije vuerts offt drij carren clots(90); 1615 een halff vierdel vurts offt clot(91). |
Talrijke (gemeentelijke) moerassen in de Kempen worden Holven genoemd, in de meeste gevallen wel te verstaan als: uitgehold ven door het steken van klot. Geschikt voor de klotwinning waren eveneens de Goren (cfr. 2.1.1), gewoonlijk vrij uitgestrekte terreinen moerasland, bestaande uit vennen en hooilandpercelen; in recente tijd zijn ze ook vaak tot viswijers omgevormd.
De gemene heidegronden, die gemiddeld 2/3 van een Kempische gemeente in beslag namen, werden of worden meestal aangeduid als Vroente, Aard, Gemeente, Heide, Kamp, Veld, Woestijn e.a. Heide heeft zich van al deze namen het best in het dagelijks gebruik kunnen doorzetten; de overige namen zijn vooral als toponiemen bewaard, niet het minst als benamingen van ontgonnen terreinen waarop de namen werden overgedragen (cfr. infra).
A. Vroente, Mnl. vroonte, vreunte ‘heerenland, domeingoed, gemeentegrond’ (MW IX, 1419-21), uit Mnl. vrone, vroon, adj. ‘heerlijk, des heren’ (MW IX, 1412) - eigenlijk de genitief mv. van *vrō, ohd. frō, germ. *frawan ‘heer’(92) - + suffiks -te. Vroente betekent dus letter-
lijk herenland(93) en vandaar: gronden in gemeenschappelijk gebruik.
Zoals Aard en Gemeente doelt Vroente niet enkel op het onbebouwd liggende veld, maar tevens op straten, bossen, pleinen enz., m.a.w. op alles wat openbaar of gemeen was. Vandaar ook de vaak optredende bestanddelen gemeen of 's heren(94), ook in verbinding met namen van waterlopen, grachten, wegen, vennen enz. (de betekenis is vrijwel steeds ‘gemeen’, openbaar vs. privaat).
Uit de enkele hier volgende voorbeelden - alle uit de Limburgse Kempen - blijkt dat in oudere documenten (gemene) vroente, (gemene) heide, gemeente en veld vrij afwisselend konden optreden:
| Achel: 1497 die gemeyn vroente = 1502 die gemeyn hey(95). |
| Beringen: 1469 dy vroende = 1502 die gemeyn heyde(96). |
| Genk: 1453 die ghemeynte = 1515 die gemeyn heyde(97). |
| Hamont: 1465 dye ghemeene vroente = 1545 die gemeyn heyde(98). |
| Zolder: 1434 die ghemein vroende = 1456 die gemeyn heye = 1457 dy ghemeynt = 1485 dat gemeyn velt(99). |
| Zonhoven: 1427 op gheen heye = 1428 die ghemeyn vroende = 1442 die ghemeyn heyde(100). |
In de Limburgse Kempen werd vroente in de 16de eeuw voornamelijk door heide verdrongen. De naam leeft evenwel verder in overtalrijke perceelsnamen, i.c. ontgonnen heidegronden. Vroente blijkt historisch vooral in de Belgische Kempen te zijn opgetreden; De Bont (101) vermeldt dit toponiem niet voor Kempenland in Noord-Brabant.
B. Aard, Mnl. aert ‘beploegde of bebouwde grond, bouwland; land (in het algemeen), grond, vaste grond; landstreek; plein of werf, markt, kade’ (MW I, 193-94), Ohd. art ‘akkerbouw, -land’, os. ard ‘verblijf, woning’, oe. eard ‘land, streek, woonplaats, bebouwde grond’.
Aard wordt beschouwd als een afleiding van de wortel *ar ‘ploegen’(102), got. arjan, mnl. aren (MW I, 453), eren, erien (MW II, 690-91), bij Kiliaan 11 vermeld als aeren, (e)eren, errien. De grondbetekenis van aard is dan bouwland, beploegde akker, met de afgeleide betekenissen: land waar men (van vader op zoon) woont, en verder afkomst en hoedanigheid (de aangeboren aard)(103).
Indien de primaire betekenis van aard, aldus de etymologische woordenboeken, bouwland zou zijn, is het moeilijk te verklaren waarom in de Kempen aard een synoniem is van vroente en gemeente in de betekenis van het open, onbebouwde veld(104). De ontwikkeling van woeste grond tot bouwland (door ontginning) is logisch te verwachten, maar niet die van bouwland tot heidegrond, zeker niet voor de zo talrijke en zo uitgestrekte terreinen die de Kempische aarden blijken uit te maken. De oudste betekenis van aard is, aldus Gysseling (105), (terecht) gemene weide.
In Brabant en Zuid-Oost-Vlaanderen is aard, dial. ert. eerd de koerante benaming voor de vruchtbare alluviale gronden langs de waterlopen(106); in de Antwerpse Kempen is aard identiek met beemd, eusel en weide (eerder gronden van slechte kwaliteit)(107). Schuermans (108) en Cornelissen-Vervliet (109) vermelden aard ook in de betekenis van een stuk bouwland. Blijkbaar hebben we hier in alle gevallen te doen met ontginningen uit de aard (gemene weide); zoals
in de andere gevallen (heide, gemeente, vroente ...) ging de naam van de gemeentegrond over op de ontgonnen percelen.
J. Helsen (110) heeft erop gewezen, dat de benaming Aard ‘gemene grond’ wellicht het frekwentst in de Antwerpse Kempen voorkomt. Zulks lijkt inderdaad het geval te zijn: Aard is weliswaar niet onbekend in Noord-Brabant(111), maar even talrijk zijn aldaar gemeente, heerdgang en heide. In de Limburgse Kempen komt Aard in de genoemde betekenis vooral voor in de Verbeterde Kempen(112) o.m. te Heppen, Heusden en Tessenderlo.
C. Gemeente, een afleiding van mnl. meen ‘gemeenschappelijk’, heeft primair dezelfde betekenis als aard en vroente, nl. het gemeenschappelijk grondbezit (MW IV, 1280).
De betekenisomschrijving van gemeente door Smulders (113) is nagenoeg identiek met die van aard door Helsen : ‘Een gebied met woeste gronden (hei- en moervelden en wild grasland) binnen een bepaalde omgrenzing, dat in gemeenschappelijk gebruik is bij de inwoners van één of meer dorpen of bij de bewoners van een dorp. 't Wordt gebruikt om vee en schapen te weiden, turf en leem te steken, strouwsel en buunt te maaien en heiplaggen te steken’.
Gemeente is historisch voor de hele Kempen geattesteerd, maar heeft zich klaarblijkelijk het best kunnen doorzetten in Noord-Brabant.
D. Vroente, Aard en Gemeente komen in de hele Kempen voor als perceelsnamen: en wel voor door de gemeentebesturen verkochte en door de kopers (meestal) ontgonnen percelen heidegronden (cfr. 3.1.3.2).
Mnl. heide (hede, hei): 1) heide, onbebouwde zandgrond; bij uitbreiding ook in het algemeen vlakke veld, synoniem van mnl. plein; 2) heidegewas (MW III, 253-54). Heide heeft een engere betekenis dan gemeente (aard, vroente): het is de gangbare benaming geworden voor de - al dan niet gemene - onvruchtbare zandgronden begroeid
met heidegewassen of voor niets opbrengende zandgrond. Men kan hierbij nog een onderscheid maken tussen de droge heide, begroeid met de struikheide (erica) en de natte heide(114), begroeid met gagel(115) en met de dop- of hommelheide(116).
Vermits de gemene gronden meestal heidevelden waren, is het niet verwonderlijk dat (gemene) heide een konkurrent geworden is van vroente, aard en gemeente en dat heide deze namen vanaf de 16de eeuw ook in belangrijke mate heeft verdrongen. Heide is tot vandaag de benaming bij uitstek gebleven ter aanduiding van de nog resterende gemeentelijke heide.
Voor de belangrijkste onderdelen van deze gemene heide zijn specifieke namen voorhanden, waarbij het eerste lid in de meeste gevallen wijst op de ligging (bij een gehucht, een buurdorp, een moeras enz.).
Daar de heide de Kempische gemeenten in zo sterke mate landschappelijk domineerde, is het logisch dat talrijke nederzettingen - zowel oudere als zeer recente - genoemd zijn naar de ligging bij of tegen de heide:
| 1) | In de Limburgse Kempen is Heide een gehuchtnaam te As, Genk, Kuringen, Lanaken, Lommel, Meeuwen, Molenbeersel, Opglabbeek, Ophoven, Zutendaal; Heike fungeert als nederzettingsnaam o.m. te Hoelbeek en Wijchmaal. |
| 2) | Zeer produktief was Heikant (cfr. ook 1.2.8)
voor kleine en meestal jonge woonkernen, in de Limburgse Kempen
bekend te Achel, Beek, Ellikom, Gellik, Helchteren, Lanaken, Sint-Huibrechts-Lille, Neeroeteren en Oostham. A. Helsen (117) vermeldt Heikant voor de volgende gemeenten uit de Antwerpse Kempen: Arendonk, Berlaar, Bevel, Eindhout, Essen, Herenthout, Kalmthout, Meerhout, Merksplas, Oostmalle, Poederlee, Schoten, Vorselaar, Weelde, Westmalle en Zandhoven. Te vergelijken met namen op -kant zijn namen op -zijde zoals Heizijde te Turnhout. |
| 3) | Voor Noord-Brabant beschikken we niet over een volledige inven- |
| taris; zie echter de voorbeelden met Heide en Heikant bij De Bont (118). |
A. Veld was in de middeleeuwen de meest algemene benaming voor onbebouwde, woeste grond(119), maar maakte reeds vroeg de semantische ontwikkeling door van onbebouwd tot ontgonnen land, bijv.:
| (Hechtel) 1502 een stuck lants liggen(de) int velt(120). |
| (Houthalen) 1473 1 bonre lants op dat velt geleg(en)(121). |
| (Zolder) 1442 een bonre lants op gheen velt gheleg(en)(122). |
Sommige nederzettingsnamen herinneren nog aan de ligging naar de kant of zijde van het middeleeuwse open veld, zoals de volgende hoven-namen: Veldhoven in Bocholt en Kwaadmechelen (Limb.); Veldhoven en Meerveldhoven in Noord-Brabant.
Aan de primaire betekenis van veld ‘onbebouwd terrein’ herinneren:
| 1) | Veld in verbinding met een gehuchtnaam(123) ter aanduiding van veldkompleksen, die wellicht in de late middeleeuwen (of vroeger) ontgonnen en verkaveld werden; zo kreeg veld de sekundaire betekenis van een perceel bouwland en werd een synoniem van akker (cfr. 3.1.1). |
| 2) | Het toponiem Heideveld, een samenstelling van heide (meestal verkort tot heit-) en veld. Heideveld benoemt een stuk heidegrond in privaat bezit, gelegen buiten de gemene heide, maar waarvan het eens deel uitmaakte. Deze plaatsnaam is algemeen verspreid in de Kempen, evenals het betekenisverwante Heidehoeve. |
B. Kamp, een ontlening aan lat. campus, is oorspronkelijk een synoniem van veld in de zin van ‘het open, onbebouwde veld’(124). Weinige plaatsnamen in de Kempen herinneren nog aan deze primaire
betekenis. Een duidelijk voorbeeld is de Kempen (mv. van kamp) te Bocholt, een heideterrein van meer dan 200 ha.
Wel is Kamp een zeer verspreid toponiem in de sekundaire betekenis: een individueel, uit het veld gewonnen en door een heg of een houtkant geheind perceel (cfr. 3.1.1).
In ‘Het probleem dries’ bracht J. Lindemans (125) dit toponiem, volgens hem een afleiding van drie, in verband met de driejaarlijkse wisselbouw: het gebruik om alle drie jaar een derde van de akker te laten braak liggen; hij schetst vervolgens het semantisch verloop van het woordgebruik van dries van rustend land tot de met gras begroeide dorps- of gehuchtpleinen.
Aanvankelijk beschouwde Gysseling (126) ‘driesprong van wegen’ als de primaire betekenis van dries, waaruit zich die van (driehoekig) dorps- of gehuchtpleintje, en vandaar ook ledig land, schrale weide ontwikkelden. Later stelde Gysseling(127) ‘tijdelijk rustend land’ als de primaire betekenis van dries voorop, als de sekundaire ‘schrale weide’ (d.i. permanent dries liggend land) en driehoekig dorps- of gehuchtplein; hij verwerpt ook het verband tussen drie en dries en knoopt aan bij de door Mansion (128) voorgestelde hypothese dat dries een afleiding zou zijn van Indo-Europees treu- ‘gedijen, aan kracht toenemen’.
In de Kempen heeft dries in enkele gevallen betrekking op onbebouwde grond, al dan niet in gemeen gebruik. De specifieke betekenis van dries is er evenwel: onrendabel (hoog of laag gelegen) land, vaak in de zin van een bij de woning gelegen perceel weiland (de huis- of schaapsdries).
In de Kempen heet een dorpsplein niet Dries. Historisch is Plaats(e) - een met gras begroeid plein met daarin een waterkuil - frekwent geattesteerd. Thans is Plaats(e) vrijwel onbekend in de Kempen ter aanduiding van het dorpscentrum; de gangbare benaming is thans
Het zijn in de Kempen de benamingen bij uitstek voor heidepercelen in privaat bezit. Meestal liggen ze geconcentreerd op de rand van de gemene heide, waartoe ze eens behoord hebben. Op deze terreinen werd tot in het begin van deze eeuw heide gestoken en gemaaid. Toen op het einde van de 18de eeuw de eerste dennenaanplantingen plaatsvonden, kwamen deze percelen hiervoor het eerst in aanmerking.
Van het toponiem Laar werd nog geen algemeen bevredigende etymologische verklaring gegeven(136). Volgens Gysseling(137) gaat hlāri, ouder hlēri, terug op een Belgisch substraatwoord klēri. In de Kempen blijkt laar over het algemeen de betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond, met heide of minderwaardige grassoorten begroeid en waarop men het vee liet grazen(138). In
ruime zin was een laar dan een open weideplaats voor het vee(139). Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat zovele laren in de Kempen nederzettingsnamen zijn geworden(140). Te Opglabbeek is het Laar een heidegebied van enkele honderden hektaren. Daarenboven is laar algemeen verspreid als perceelsnaam (ontgonnen heidegronden?), bijv. in de Limburgse Kempen:
| 1) | Bouwland:
|
||||||||
| 2) | Hooiland:
|
In vrijwel elke Kempische gemeente was er een paardenkerkhof, een gemeentelijke begraafplaats - gewoonlijk op de rand van de
heide - voor dierenkrengen. In de 16de-17de eeuw meestal reeds verkocht en als akkerland in gebruik genomen.
Mnl. schom(me) ‘onvruchtbare heidegrond’ (MW VII, 629). Eigenlijk mos en, bij uitbreiding van betekenis, ‘hoog gelegen, onvruchtbaar stuk grond’ (WNT XIV, 788). De schomtoponiemen - vaak verlengd tot schommel(154) - hebben meestal betrekking op percelen in privaat bezit.
Meestal onvruchtbare grond: hierop wijzen de vaak optredende bepalende bestanddelen brem- en hei-(155); als tweede bestanddeel zijn -berg en -bos(156) koerant.
Magere zandgronden, waar hoofdzakelijk buntgras gedijt, worden ook Smeel en Smelen (mv.) genoemd. Smelen, een afleiding van smal, is de naam van een lange grassoort, meer bepaald van de soorten Aira Flexuosa (bochtige smelen) en Aira Caespitosa (op natte zandgronden)(157).
Op droge zandbodems gedijt ook Molinia Coerulia (pijpestrootjes), in de volksmond pijpevegers genoemd(158).
Met Smeel (Smelen) worden zowel gemene velden als private percelen benoemd.
Wild, o.m. in Wild Broek, Wildert, Wildernis voor wild begroeide, onvruchtbare heide-, resp. broekterreinen(159).
Een typisch fenomeen vormen de landduinen, waarvoor Zand- en Zavelberg de koerante benamingen zijn.
Zavel (uit lat. sabulum) en Zand komen ook voor als veldnamen en wijzen dan op de aard van de bouwlaag: droge en lichte dekzandgronden. Ook nederzettingen op zulke bodems worden aldus genoemd (cfr. 1.2.6), bijv. Zand/Zaan te Sint-Huibrechts-Lille; Zand te Elen en Kwaadmechelen; Zavel te Gruitrode, Kleine-Brogel en Neerglabbeek. Zand-Oerle is een gehucht van Oerle (N.-Brab.)(160).
Op talrijke plaatsen werd ook zavel gestoken, die o.m. diende om mortel te maken, de huisvloer te bestrooien, bij het kasseien van wegen enz.(161). Dit verklaart de talrijke, in elke gemeente voorkomende zavelkuilen ‘plaatsen waar zavel werd gestoken’.
Zoals het broekterrein was de gemene heide een grotendeels open gebied, in tegenstelling met de geheinde en door houtkanten besloten akker- en hooilanden; delen van deze gemene gronden konden evenwel gevrijd ‘afgesloten’ worden. Dit laatste gebeurde vooral in de 19de eeuw en om de gemeenteïnkomsten te vergroten werden de heikavels dan verhuurd.
Van oudsher werden evenwel de zavelgronden en -bergen afgepaald: binnen deze palen mocht niemand schapen of enig ander vee hoeden. Zulke afpalingen gebeurden meestal jaarlijks.
| 1) | De gemene heide vormde in de eerste plaats de vroegere weide- of heerdgang (cfr. 1.1.2), vooral voor de schapen, die in vlees, melk, wol, leer en vet voorzagen. Daarnaast vervulde de heide op vele andere wijzen een komplementaire funktie in de bedrijfs- en gezinshuishouding. |
| 2) | Timmer- en brandhoutvoorziening in bossen en heggen. Hiervoor kwamen ook de individuele en door houtwallen besloten percelen in aanmerking. Een thans niet meer in de volksmond levende naam voor een houtkant waaruit het hout geregeld gekapt werd is graaf(162); hiermee te vergelijken is houw (van houwen ‘kap- |
| pen’), een naam voor een houtkant die in talrijke
gevallen op de percelen werd overgedragen. In 1448 kregen de inwoners van Achel, Hamont en Lille van Robrecht, heer van Grevenbroek, de toelating om hun erven in houtkanten te leggen: ‘Te setten ende te poeten eijcken hout op de vroent eijn ijegelijck man teghen sijn eerff, sonder eijnighen hijnder der ghemeijnre vaer weghen’(163). |
|
| 3) | De heide voorzag ook in honing, vroeger vrijwel de enige suikerbron. De St.-Ambrosiusgilden dateren eerst uit de 17de-18de eeuw. |
| 4) | Heide maaien of vlaggen voor de mestbereiding in de potstal. Zulks
gebeurde niet alleen op de gemene heide - in de 19de eeuw ook op de
hieruit jaarlijks door de gemeente verhuurde heikavels -, maar
tevens op de heidegronden in privaat bezit, bekend als Heidehoeven en -velden. Het kwam ook voor, dat de ingezetenen enkel turfschadden mochten steken en heide maaien binnen de grenzen van de jaarlijks door de gemeente afgepaalde heide. Volgens A. Van Wijngaarden (164) waren er 400 tot 1000 karren potstalmest nodig voor 100 ha akker. Hiervoor moesten jaarlijks 40 tot 70 ha heide worden afgeplagd. Daar voor het herstel van de heideplaggen 10 tot 30 jaar nodig waren, moest men over 400 tot 2100 ha heide beschikken om 100 ha akkers permanent rendabel te houden. |
| 5) | Leem, biezen, riet en rissen als bouwmateriaal. Waar in de
ondergrond een leemsubstraat aanwezig was, konden de inwoners leem
uitgraven om tichelstenen te bakken. Vaak wezen de gezworenen de
plaats aan waar zulks mocht gebeuren. Door het uitgraven van leem
kon eventueel een ven ontstaan: algemeen verspreid is de waternaam
Leemkuil. Korte rissen werden gestoken voor het repareren van grachten en lange rissen voor het vorsten; wie rissen had gestoken moest de plaats gewoonlijk opvullen met aarde, meestal een kar aarde voor twee karren rissen. |
| 6) | In de heide lagen ook talrijke natuurplassen. De gangbare benaming voor een viskuil in privaat bezit was wijer, een woord |
| dat thans nagenoeg volledig door vijver verdrongen is. De meeste wijers waren oorspronkelijk vennen. Het op 22.5.1601 door de gemeente Overpelt aan Gerard Baken verkochte Roosven(165) is later bekend als Baken Wijer (Mon. X: 76-77). Indien door een gemeente een ven werd verkocht, waren de kondities gewoonlijk dat de koper het recht kreeg om er vis op te zetten, maar dat de naburen ervan gebruik konden maken als drinkplaats voor het vee, om er groen op te wassen e.d. Vennen, vaak gebruikt als vlasroten, waren gemeentelijk bezit. Een synoniem van ven is vlaas. |
De gebruikelijke Kempische benamingen voor het akkerland, waarop rogge, haver en boekweit, evenals enkele nijverheidsgewassen (koolzaad, vlas) verbouwd werden, zijn akker en veld.
De primaire betek