begin  verderprepost
[p. 1]

Dialectlexicografie in Belgisch- en Nederlands-Limburg
[door J. Cajot]

0.

Bijna een jaar geleden namen de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde en de Afdeling Volkscultuur van de Culturele Raad (NL-) Limburg (CRL) het initiatief samen een congres te houden over het plaatselijke Limburgse dialectwoordenboek. Bij de daarop volgende besprekingen stelde de CRL voor bij alle (NL-) Limburgse Colleges van Burgemeester en Wethouders een schriftelijke enquête te houden over de stand van zaken in hun respectieve gemeenten. Via de Culturele Dienst van Belgisch-Limburg werden dezelfde enquêteformulieren verstuurd aan alle B-Limburgse burgemeesters en - om de mazen van het net in deze gefusioneerde gemeenten enigszins te verkleinen - ook aan alle bibliothecarissen, voorzitters van Culturele Raden en van Heemkundige Kringen. Ook alle leden van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde werden door ons aangeschreven. Andere mensen die mij op een of andere manier geholpen hebben zijn: de heren J. Bergers, M. de Bruin, W. Gerritsen, Prof. J. Goossens, P. Goossens, Prof. M. Hoebeke, F. Jaenen, G. Lemmens, J. Notten, P. Nissen, A. Stevens, L. Vos.

Het enquêteformulier

Omdat mij de gepubliceerde idiotica, woordenlijsten en de aan de Belgische universiteiten vervaardigde scripties wel bekend waren, werd geïnformeerd naar:

aOnuitgegeven (of in lokale bladen verschenen) materiaal.
bMensen of groepen die aan een plaatselijke woordenlijst, woordenboek of (in tweede instantie) grammatica werk(t)en.

Dank zij de antwoorden op de tweede vraag kan ik ook verslag uitbrengen over de aan de gang zijnde lexicografische projecten. De eerste vraag heeft mij op het spoor gebracht van een aantal soms uitvoerige dialectwoordenlijsten die in locale tijdschriften verschenen zijn, en van enkele NL-Limburgse manuscripten.

1. Bibliografie van de Limburgse dialectlexicografie

In de ruimte beperkt zich deze opsomming tot de beide provincies Limburg. Daarmee steun ik wat de oost- en zuidgrens van dit gebied betreft, op taalkundige feiten: de grens van het verspreidingsgebied van onze standaardtaal. Onze noord- en oostgrens is uitsluitend gebaseerd op bestuurlijke grenzen en

[p. 2]

het daar vanzelfsprekend uit voortgevloeide Limburgse samenhorigheidsgevoel (loyauteit); door de behandeling van Lommel en het gebied t.n.v. Meijel/Venlo steken we inderdaad de Uerdingerlijn (de Brabants-Limburgse dialectgrens) over; anderzijds wordt het Brabants-Limburgse overgangsgebied tussen Tienen en Diest niet besproken.

Moeilijker was het vinden van een geschikt afgrenzingscriterium binnen de lexicografie, vooral omdat door de enquête zelfs enige aanspraak op volledigheid gemaakt kon worden. De problemen die hierbij gerezen zijn, kunnen als volgt geformuleerd worden:

-moeten naast de in boekvorm verschenen verzamelingen en de losse woordenlijsten ook de woordregisters van plaatselijke grammatica's opgenomen worden;
-beperken we ons tot lexicografische werken of citeren we ook studies die bijv. een bijdrage leveren tot een of andere dialectologische theorievorming en daarbij interessant woordmateriaal aanbrengen;
-bespreken we alleen alfabetisch ingerichte opsommingen en laten we de systematisch behandelde woordenschat weg(1);
-moeten ook publicaties aangehaald worden waarin Limburg als een deel van een ruimer geografisch verband behandeld wordt;
-moeten ook manuscripten opgenomen worden?

Mijn antwoord op deze vragen luidt als volgt:

opgenomen werden:

(a)de mij bekende woordenschatverzamelingen die gepubliceerd werden, of waarvan het manuscript als afgesloten beschouwd mag worden,
(b)de als appendix verschenen registers inzoverre ze als vertaalwoordenlijst ingericht zijn,
(c)de woordenschatstudies,

die betrekking hebben op één of meer dialecten uit Belgisch-Limburg of waarin het Limburgse dialectgebied een centrale plaats inneemt(2).

[p. 3]

1.1. Idiotica en dialectwoordenlijsten

Tot de idiotica of woordenboeken worden alle woordenschatverzamelingen gerekend die in boekvorm verschenen zijn en daarvan het hoofdbestanddeel uitmaken. Alle andere algemene bijdragen tot de lexicografie worden als woordenlijst beschouwd.

1.1.1. Gepubliceerde idiotica over één plaats

1J. Jongeneel, Een Zuid-Limburgsch taaleigen. Proeve van Vormenleer en Woordenboek der Dorpsspraak van Heerle, met taal- en geschiedkundige inleiding en bijlagen. Heerlen 18841, 19802 (fotomechanische herdruk), XXVII + 47 + 120 p. (107 p.).
2C. Breuls, ‘Bijdragen tot de kennis van het Maastrichts dialect’. De Maasgouw 34 (1913), 9-11, 17-19, 25-27, 33-35, 41-43, 55-56, 61-64, 70-72, 77-80, 87-88, 94-95, en 35 (1941), 8.
Apart verschenen als: Vademecum handelend over Maastrichtsch dialect. Maastricht 19141. 110 p. Maastricht 19142. 135 p.
Hierop is een aanvulling verschenen in: C. Breuls, Mastreechse preutsjes met bijvoegsel van weurd, gezegdes en gedichte veur 't Vademecum. Maastricht 1916. 127 p. (14 p.).
3Th. Dorren, ‘Woordenlijst uit het Valkenburgsch Plat, met etymologische en andere aanteekeningen’. Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg à Maastricht 53 (1917), 91-161 en 54 (1918), 7-741, Valkenburg 19282.(3)
4L. van der Heyden, Zittesjen A.B.C. Sittard 19271, 19732 (fotomechanische herdruk). 162 p.
5H.J.E. Endepols, Woordenboek of Diksjenaer van 't Mestreechs. Maastricht 19511. XXX + 561 p. Maastricht 19772 (reprografische herdruk). 557 p.(4)
6J.H. Houx, A.M. Jacobs en P.P. Lücker, Tegels Dialek. Uiteenzetting over de klankleer, spraakkunst en woordenschat van het dialect van Tegelen. Tegelen 1968. 233 p. (106 p.).
[p. 4]
7P.H.H. Beenen, Dialect en Volkskunde van Herten. Roermond 1973. 469 p. (229 p.).
8Th. van de Voort, Het dialekt van de gemeente Meerlo-Wanssum. Woordenboek met inleiding. Amsterdamer Publikationen zur Sprache und Literatur 6. Amsterdam 1973. 341 p.
9P.J.G. Schelberg, Woordenboek van het Sittards dialect met folkloristische aantekeningen. Zittesj wie men 't sjprik en sjrif. Amsterdamer Publikationen zur Sprache und Literatur. 40. Band. Amsterdam 1979. LXXVII + 596 p. (520 p.).(5)
10G. Jaspars, Groéselder Diksjenèr. Woordenboek van het Gronsvelds Dialekt. Gronsveld 1979. XXXII + 607 p.

1.1.2. Onuitgegeven idiotica over één plaats

11Zuidlimburgs Idioticon. (hoofdzakelijk Sint-Truidens). Prijsvraagantwoord (1906) Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde onder kernspreuk ‘Labore et Constantia’. Manuscript. 486 p.
12Idioticon van het St.-Truidensch dialect. Prijsvraagantwoord Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1910 onder kernspreuk ‘Omdat mijne moeder het sprak, heb ik het lief’. Manuscript. 391 p.
13H. Henckens, Idioticon van het dialekt van Geistingen (Ophoven). Scriptie K.U. Leuven 1958. Typoscript. XV + 253 p.
14J. Bernaerts, Idioticon van het dialect van Hamont. Scriptie K.U. Leuven. Leuven 1963. Typoscript. XVIII + 575 p.
15J. Kelchtermans, Idioticon van het dialect van Meeuwen. Scriptie K.U. Leuven 1964. Typoscript. 247 p.
16J. Janssen, Idioticon van het dialect van Meeswijk. Scriptie K.U. Leuven 1964. Typoscript. 2 dln. XVII + 790 p.
17R. Remans, Idioticon van het dialect van Zonhoven. Scriptie K.U. Leuven 1965. Typoscript. 2 dln. XII + 720 p.
18W. Smets, Idioticon van het dialect van Niel-bij-St.-Truiden. Scriptie K.U. Leuven 1966. Typoscript. 2 dln. 1225 p.
19J. Jansen, Idioticon van het dialect van Lommel. Scriptie K.U. Leuven 1966. 2 dln. XV + 430 p.
20J. Kaufmann, Hälisch-Hollansche Dictionaria. Heerlen 1878. Manuscript. 122 p.
[p. 5]
21J.H.L. Roebroek, Dialect van Beek-Elsloo. Beek 1886. Manuscript. 136 p. (44 p.).
22R. Geurts, Echter Dialectwoordenboek. Typoscript afgesloten in 1977. Ca. 100 p.

1.1.3. Woordenlijsten over één plaats

23J.H. Bormans, ‘Lijst van woorden en spreekwijzen uit het Truiersch (Limburgsch) dialect. (Vergeleken met het Taaleigen van het Kanton Axel in Zeeland)’. Archief voor Nederlandsche Taalkunde 2 (1849-1850), 360-367.
24L. Grootaers, ‘Het Dialect van Tongeren. Woordenlijst’. Leuvense Bijdragen 9 (1911), 122-178. Tevens als overdruk in: Id., Het Dialect van Tongeren. Eene phonetisch-historische studie. Lier-Leipzig 1910. 347 p. (57 p.).
25P. Achten e.a., ‘Doornkapperslatijn’ e.a. titels. Doornkapper. Orgaan voor studenten. (later:) Clubblad Hoeselt V.V. (Hoeselt). Diverse afl. 1935-1967.
26‘Wa Koersels’. Jong Koersel. Maandelijks Milacblad Koersel 1 - (1954 -). Div. afl. in de 27 jg.
27T. Van Wijck, ‘Maaseiker Idioticon’. De Maaseikenaar. Periodiek contactblad uitgegeven door de Culturele Raad Maaseik 1-10 (1970-79). 91 p. in 30 afl.
28D. Snijders, ‘Gesjappeerd ... of neet? Idioma i.v.m. ziekte, leven en dood’. De Maaseikenaar. Periodiek contactblad van de Culturele Raad Maaseik 2 (1971), nr. 3, 18-20.
29M. Switten, ‘Zonhovense woorden’. Gemeenteblad jg. 1972-76. 15 p. in 11 afl.
30Pap Jan. Uitgegeven door de St.-Aldegondiskring. As 1978. 85 p. (9 p.).
31E. Van der Donck, Maaseik en zijn Maaslandse taal. Beek z.j. (1980). 105 p. (66 p.).
32‘Stokkemer Idioticon’. De Bakeman. Kontaktblad van de Kunstkring A. Sauwen 1 (z.j. / 1980), 11.
33G.D. Franquinet, ‘Proeve over het taal-eiegen der stad Maastricht II’. Archief voor Nederlandse taalkunde 3 (1951-1952), 343-391.
34J.B. Sivré (1818-1889), Alfabetische lijst van woorden en spreekwijzen in het Roermondsch dialect. Idioticon. Manuscript. 50 p.(6)
[p. 6]
34J. Cuypers, Iets over het dialect van Neeritter. Onze Volkstaal 3 (1890), 146-150.
35A. Beets, ‘Woorden en uitdrukkingen uit Heerlen (L.). Verzameld door wijlen W.A. Oudemans 1891-1892’. Driemaandelijkse Bladen uitgegeven door de Vereeniging tot onderzoek van Taal en volksleven in het Oosten van Nederland 18 (1918), 42-42.
36J.H.H. Houben, Het dialect der stad Maastricht. Maastricht 1905. XI + 144 p. (61 p.).
37A. Olterdissen, Prozawerken in Maastrichtsch Dialect. Bewerkt en met eene woordenlijst voorzien door E. Jaspar. Maastricht 19261. 266 + III p. (34 p.). Later herhaaldelijk heruitgegeven(7).
38H.A. Eussen, Lijst van werkwoorden in het Ransdaals dialect. Typoscript vermoedelijk tussen 1940 en 1950 geredigeerd. 1250 werkw. Manuscript.
39J. Kats, ‘Aaj Remunjse wäörd’. Veldeke 15 (1940-1941), 49-50(8).
40W. Dols, Sittardse diftongering. Een hoofdstuk uit de historische grammatica. Posthume uitgave verzorgd door J.C. van de Bergh. Sittard 1953. 250 p. (32 p.).
41E. Vrijdag, ‘(Woordenlijst van) oude (en) verouderde (en ongewone) woorden en woordvormen (verzameld en gekozen uit de volkstaal) van Mheer-Banholt naar uitspraak en woordenschat der geborenen voor 1870 I-XVI’. Veldeke 25 (1950-51), 43-44, 61-63, 26 (1951-52), 11, 23-24, 77, 90-91, 27 (1952-53), 10-11, 25, 57-58, 28 (1953-54), 14-15, 28-30, 81-82, 29 (1954-55), 12-15, 82-83, 30 + 31 (1955-56), 85-86, en 32 (1957), 12-14.
42A.F. Vossen, ‘Nederweertse woorden opgetekend van 1936 tot 1952.’ Weekblad voor Nederweert en omstreken 1966-68. 89 afl. à ca. 20 ww.
43W. Lenaers, ‘Wieërter Wuuërd’. Veldeke 30-31 (1955-1956), 48-49.
44J.H.W. Bosch. Bijdrage tot de geschiedenis van Schinveld. Sittard 1974. 339 p. (11 p.).
45P.S.M. aan den Boom, ‘Naerse Kal’ (Neer). Ons eigen Nieuws. 50 afl. (van gemidd. 20 ww.).
46B. Paquai, ‘Mééls (Mèhls, Mèèls) woordehuukske (Dialectenhoekje, -hukske)’. Weekbericht Meijel 1975-77. 91 afl. (van ca. 12 ww.).
[p. 7]

1.1.4. Verzamelingen over gebieden

47A.M. Mertens, ‘Het Limburgsch dialect’. Onze Volkstaal 2 (1885), 203-265.
48J. Lenaerts, De verdwijning der Alvermannekens. Limburgse overleveringen uit het heidendom. Antwerpen 1899. 149 p. (6 p.).
49Limburgs Idioticon. Verzameling dialectwoorden (‘Woordenzangen’), van 1885 tot 1902 verschenen in het tijdschrift ‘'t Daghet in den Oosten’. Tot woordenboek omgewerkt door M. Maasen en J. Goossens met een inleiding van J. Goossens. Werken uitgegeven door de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (Vlaamse Afdeling) 14. Tongeren 1975. 301 p.
50Zuidlimburgsch Idioticon. Prijsvraagantwoord 1906 Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde onder kernspreuk ‘De tijd is mij te kort’. Manuscript.
51C. G(essler), ‘Uit het taaleigen van Maaseik en omtrek’. Limburg 18 (1936-37), 218-221.
52J. Goossens, Dommellandse Woorden. Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde 8 (1978). 15 p.
53A. Weijnen en P. Goossens, Woordenboek van de Limburgse dialecten (in bewerking te Nijmegen).

Het geciteerde B-Limburgse materiaal moet, wat ontstaan, aard en samenstelling betreft, bij de nu volgende bespreking op een heel andere manier verklaard worden dan het materiaal uit NL-Limburg.

De belangrijkste prestaties moeten nl. gesitueerd worden in een Belgische context en passen hoofdzakelijk in het raam van de academische belangstelling voor de dialectwoordenschat. Die was gegroeid uit de drang tot zelfbevestiging én tegenover het Frans (Vlaamse Beweging) én tegenover het Hollands(9).

Nummer 23 (Bormans) met zijn 68 lemmata is van de hand van een Limburgs filoloog die tevens een pionier van de Vlaamse Beweging was. Nummer 49 kwam tot stand o.i.v. G. Gezelles Loquela. De nummers 11, 12 en 50 danken hun ontstaan aan de stimulans die uitging van de prijsvragentraditie van de Vlaamse Culturele Verenigingen(10). Nummer 24 (Grootaers) is een

[p. 8]

produkt van de wetenschappelijke dialectologische bedrijvigheid die door de oprichting van de afdelingen voor ‘Germaanse filologie’ aan de universiteiten mogelijk werd. Latere vruchten hiervan zijn de onder de nrs. 13 t/m 19 vermelde Leuvense licentiaatsverhandelingen.

Haast alle NL-Limburgse woordenverzamelingen daarentegen zijn te danken aan de spontane belangstelling die niet-filologen voor hun eigen volkstaal opbrachten. De auteurs wisten trouwens dat zij met hun initiatief tegemoetkwamen aan het levendige interesse dat aanwezig was bij de Limburgse gemeenschap; daarom ook konden bijna alle idiotica uitgegeven worden of verschenen de woordenlijsten in volksculturele tijdschriften van enig allure. (In B-Limburg werd tot op heden geen enkel idioticon over één plaats uitgegeven).

In dezelfde sfeer van evenwichtige gehechtheid aan het dialect, verbonden met de vrees en de vaststelling dat heel wat typische eigenaardigheden voor het Hollands moesten wijken, is ook Veldeke ontstaan. Dorren (nr. 3) schrijft op p. 4-5: ‘Mijns erachtens is het Valkenburgs het meest vrij gebleven van vreemde smetten, althans tot aan het laatste kwartaal der 19de eeuw; van toen af kwam de hollandiseering in snel tempo’. Franquinet (nr. 33, p. 251) plaatste reeds in 1851 deze ontwikkeling in een historisch perspectief:

‘Het is waar, dat sedert de afscheiding der Zuidelijke provincies en de nauwere aansluiting van Maastricht aan de Noordelijke provincies van Nederland, de Hollandsche taal allengskens ingang begint te vinden en Hollandsche woorden in het Maastrichts insluipen. Dit verschijnsel zie ik met smart; want het Hollandsch, dat reeds grootendeelshet zoetvloeiende van het oude Nederduits heeft uitgedoofd, kan slechts eenen nadeelige invloed op de innerlijke waarde der dialecten uitoefenen’.

De NL-Limburgse woordenboeken zijn vooral de jongste jaren zowel in omvang(11) als in aantal toegenomen; sinds 1960 werden er 8 idiotica (her)uitgegeven.

In België kon een woordenboek vanzelfsprekend tot voor kort niet uit angst voor overwoekering ontstaan: Het Frans is nooit de cultuurtaal van de Vlaamse volksmassa geweest en een (gebrekkige) Nederlandse omgangstaal is pas in de dertiger jaren tot leven gekomen(12); bovendien voelde men bij de moeizame

[p. 9]

verwerving van de cultuurtaal het dialect vaak als een handicap aan. De tijden zijn echter ook in Vlaanderen aan het keren. De woordenlijsten van Hoeselt, Koersel, Zonhoven en As zijn m.i. de voorbode van een meer evenwichtige houding tegenover het dialect; niet voor niets komen sommige ervan trouwens uit jeugdtijdschriften (nrs. 25 en 26). Ook de lexicografische projecten die op allerlei plaatsen gestart zijn, tonen aan dat ook in Vlaanderen een vanzelfsprekende volkse waardering voor het dialect tot leven is gekomen(13). In de Maaseikse hoek (nrs. 27-28, 31-32) is de Nederlandse toestand al bereikt; daar is die gegroeid door rechtstreekse ruimtelijke aansluiting bij de NL-Limburgse Veldeketraditie.

Anderzijds zijn ook een aantal NL-Limburgse verzamelingen het gevolg van de academische toewijding van neerlandici. Nr. 36 is een Amsterdams proefschrift en W. Dols (nr. 40) zou bij de Nijmeegse taalgeleerde Van Ginneken gepromoveerd zijn, als de laatste oorlogsmaanden er niet anders over hadden beslist. Nr. 47 is geschreven onder impuls van de Noordnederlandse letterkundige Taco Hajo De Beer en in zijn tijdschrift ‘Onze Volkstaal’ opgenomen. De als aanvulling op Jongeneel bedoelde woordenlijst nr. 35 werd dank zij contacten mat A. Beets aangelegd door de kleinzoon(14) van H.C. Oudemans (de samensteller van de Bijdrage tot een Middel- en Oud-Nederlandsch Woordenboek) en aan de redactie van het W.N.T. aangeboden. Bij Endepols (nr. 5), J. Kats (nr. 39) en A.F. Vossen (nr. 42) anderzijds is de lexicografische ijver misschien nog meer het gevolg van hun gehechtheid aan de eigen volkstaal dan van hun taalkundige vorming. Het omvangrijkste lexicografische project over Limburgse dialecten is nr. 53; het zal resulteren in een systematisch woordenboek met nauwkeurige plaatsopgaven en talrijke woordkaarten.

Een uniek geval is volgens mij het eerste Limburgse dialectwoordenboek (nr. 1), geschreven door een in Rotterdam geboren en in 1877 te Heerlen bevestigd predikant die een algemene historische en taalkundige vorming genoten had; bedoeld was het o.a. om ‘den Nederlander, die zich te Heerle komt nederzetten in staat te stellen, met de dorpspraak op het gemakkelijkst kennis te maken’(15). Blijkens een addendum op p. 117 heeft hij gebruik kunnen maken

[p. 10]

van Kaufmanns manuscript nr. 20.

Trefwoorden

De meeste NL-Limburgse werken en ook de recente B-Limburgse lijsten zijn alfabetisch en uitgaande van het dialectische lemma gerangschikt. Houben (nr. 36) en Endepols (nr. 5) gaan in de regel uit van het Nederlands; daartussen staan ook Maastrichtse trefwoorden die geen (herkenbaar) Nederlands equivalent hebben. Dols (nr. 40) tenslotte bevat zowel een dialect-Nederlandse als een Nederlands-dialectische woordenlijst.

Alle Belgisch-Limburgse idiotica en de lijsten 24, 48 en 51 gaan uit van de Nederlandse of vernederlandste vorm van het dialectwoord; Bormans (nr. 23) gaat uit van H.J. van Ecks Axelse woorden, die eerder in hetzelfde tijdschrift verschenen waren.

Spelling

De Leuvense scripties, incl. Grootaers en de Sint-Truidense inzendingen hanteren consequent de fonetische transcriptie. De Woordenzangen (nr. 45) en nr. 48 geven in de regel de uitspraak niet weer. De meeste andere inzamelingen gaan uit van het Latijnse alfabet en van de klankwaarde die de Nederlandse spelling eraan geeft; waar het Nederlands te kort schiet, bedient men zich van lettercombinaties en diacritische tekens (umlauten, accenten) uit vreemde cultuurtalen waarmee men enigszins vertrouwd is(16). In NL-Limburg is daaruit een zekere homogeniteit gegroeid die haar beslag heeft gekregen in de zog. Veldekespelling(17). Hierbij zoeken sindsdien alle NL-Limburgse (behalve Van de Voort, nr. 8) en vanzelfsprekend ook de Maaseikse verzamelingen (behalve nr. 31) bewust aansluiting.

In het algemeen kan men stellen dat de eerste NL-Limburgse werken zich in moeilijke gevallen vooral naar het Duits oriënteerden, terwijl de B-Limburgse sneller de hulp van het Frans inroepen. Zo gebruiken Franquinet (nr. 33), Kaufmann (nr. 20), Breuls (nr. 2), Dorren (nr. 3) en Van de Voort (nr. 8) sch voor [ʃ], terwijl de Belgen soms ch bezigen: Achten (nr. 25) en inlautend ook nr. 30. Een unicum is Roebroek (nr. 21), die zich met zijn Engelse sh in de huidige Veldekediscussie komt mengen. De Hollander Jongeneel (nr. 1)

[p. 11]

heeft met veel uitleg en omzichtigheid(18) sj ingevoerd.

Woordenboek of idioticon

I.v.m. het idiotisch karakter van de Limburgse woordenboeken kan aan deze beschrijving nog toegevoegd worden dat een kleine verzameling zich meestal tot dialectwoorden beperkt die niet in de standaardtaal voorkomen; een omvangrijker werk tendeert ernaar een woordenboek te worden (bijv. nrs. 5, 8 t/m 10).

1.2. Vaktaalwoordenboeken en -lijsten

De B-Limburgse vaktaalwoordenboeken hebben betrekking op de landbouw, de wind- en watermolens en op de kolenmijn. De mijntaal mag men binnen het Nederlandse taalgebied wel als een Limburgse exclusiviteit beschouwen. De NL-Limburgse werken vertonen wat de behandelde vaktalen betreft, een grotere diversiteit dan de Belgische. Alle werken zijn aan de universiteiten ontstaan.

54J. Derwa, De dialectische landbouwtermen in het landbouwbedrijf te Genoels-Elderen. Scriptie U.E. Liège 1941.
55A. Janssen, Bijdrage tot de landbouwwordenschat van de Voerstreek. Scriptie U.E. Liège 1949.
56J. Goossens, Studie over landbouwtermen opgetekend te Genk en omgeving. Scriptie K.U. Leuven 1955. Manuscript. 2 dln. 660 p.
57G. Defoin, De vaktaal van de Belgisch-Limburgse steenkoolmijnen, systematisch gerangschikt en vergeleken met de vaktaal van Nederlands-Limburg en van de Waalse steenkoolmijnen. Met etymologische aantekeningen door lic. A. Stevens, leraar aan het Koninklijk Atheneum te Tongeren. 1955. Manuscript. Prijsvraagantwoord 1960 Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
58G. Defoin, Woordenlijst van Mijnvaktermen. 555 termen uit de vaktaal der mijnarbeiders van Belgisch-Limburg, met aanduiding van hun betekenis, de overeenstemmende term in de Frans-Belgische mijntaal en in het plaatselijk dialect, verzameld in opdracht van de inrichters van de Limburgse Dag 1958 te Zonhoven. Hasselt 1958. 95 p.
[p. 12]
59C. Vanwonterghem, De mijnwerkerstaal in Belgisch-Limburg. Scriptie K.U. Leuven 1958. Typoscript. 256 p. Prijsvraagantwoord Kon. Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
60J. Goossens, Semantische vraagstukken uit de taal van het landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg. Dissertatie K.U. Leuven 1960. Dl. III. Manuscript.
61J. Goossens, Semantische vraagstukken uit de taal van het landbouwbedrijf in Belgisch-Limburg. Antwerpen 1963. Dl. I Tekst. Dl. II Atlas. 240 + 137 p.
62N. Schepers, Van taup tot wiek. Onderzoek naar de vaktaal der windmolenaars tussen Maastricht en Roermond. Scriptie Centrale Examencommissie. Typoscript. 73 p.
63J. Broos, Etude comparative agricole du vocabulaire de deux patois voisins situés à la frontière linguistique: Eben-Emael et Canne. Scriptie U.C. Louvain 1969. Typoscript. XII + 59 p.
64J. Vanderspickken, De vaktaal van de watermolenaar in Demer- en Herkvallei. Scriptie K.U. Leuven 1972. Typoscript. 137 p.
65D. Janssen, De vaktaal van de watermolenaar aan de Bosbeek en aan de Itterbeek. Scriptie K.U. Leuven 1975. Typoscript. 159 p.
66M. Coenen, De vaktaal van de watermolenaars in Zuid-Oost-Limburg. Scriptie K.U. Leuven 1977. Typoscript. 208 p.
67L. Groffils, De vaktaal van de watermolenaar in Zuid-West-Limburg. Scriptie K.U. Leuven 1980. Typoscript. 290 p.
68W. Roukens, ‘Bijdragen tot de studie der Limburgse mijntaal’. Veldeke 14 (1939-1940), 29-34 en 15 (1940-1941), 26-28.
69H. Lochtman, De vaktaal van de Kerkraadse metselaars, steenbakkers, stucadoors en voegers. Scriptie K.U. Nijmegen 1960. Onuitgegeven.
70W.J.J.M. Hermans, Oude woorden in de Tegelse keramische industrie. Scriptie K.U. Nijmegen 1961. Onuitgegeven.
71H. Lochtman, ‘Kerkraadse vaktaal tussen Noord en Zuid’. Veldeke 36 (1961-62), nr. 201, 135-139.(19)
72H.J.G. Crompvoets, Veenderijtermen in Meijel en nabije omgeving. Scriptie K.U. Nijmegen 1963. Onuitgegeven.
73A.O. Kolle, Terminologie van de koperslager in Midden-Limburg. Scriptie K.U. Nijmegen 1965. Onuitgegeven.
[p. 13]
74H. Lochtman, Mijnwerkersvaktaal in Nederlands-Limburg en in het aangrenzende Duitse taalgebied. Scriptie K.U. Nijmegen 1964. Onuitgegeven.
75F.W. Valk, De terminologie van de middenlimburgse hengelaars. Scriptie K.U. Nijmegen 1964. Onuitgegeven.
76J.L.M. Lemmens, Vragenlijst over de vaktaal der timmerlieden. Scriptie K.U. Nijmegen 1966. Onuitgegeven.
77J. Donkers, De vakterminologie van de Grofkeramische industrie in een gedeelte van Limburg. Scriptie K.U. Nijmegen 1966. Onuitgegeven.
78M.B.J. Wilm, De taal van de beugelaars in Midden-Limburg, Noord-Limburg, Oost-Brabant. Scriptie K.U. Nijmegen 1966. Onuitgegeven.
79M. Maassen, Onderzoek naar dialectische termen bij Limburgse schutterijen. Scriptie K.U. Nijmegen 1967. Onuitgegeven.
80J.J.M.F. Kokkelmans, De voorstal en de zolder boven de dorsvloer in de Limburgse dialecten. Scriptie K.U. Nijmegen 1978. Onuitgegeven.
81M. Piebes-Janssen, Het rund in de Limburgse dialecten. Scriptie K.U. Nijmegen 1979. Onuitgegeven.

De Belgische scripties en dissertaties zetten de traditie voort van de Koninklijke (Vlaamse) Academie voor (Nederlandse) Taal- en Letterkunde, die sinds 1890 door prijsvragen het opstellen van vaktaalwoordenboeken stimuleerde. De mijntaalstudies nr. 57 en 59 zijn trouwens prijsvraagantwoorden. Goossens (nr. 60) is vooral belangrijk vanwege zijn bijdrage tot de theorievorming en zijn vernieuwing in de woordgeografische methoden. Defoin (nr. 57) bevat mijntermen uit NL-Limburg, B-Limburg, het Frans, het Luikerwaals en de dialecten van Charleroi, het Centrum en de Borinage. Nr. 58 tenslotte is een soort van Nederlands terminologisch handboekje dat met pedagogische bedoelingen geschreven werd; het is dus verwant met Shepherd (nr. 102) en Knaepen (nr. 103).

1.3. Verzamelingen over Bargoens taalgebruik

Het geheimtaaltje dat sommige Limburgse leurders, bedelaars, landlopers, woonwagenmensen, scharenslijpers, reizende kooplui, smokkelaars en mensen die op haarsnit gingen tijdens hun beroepsuitoefening konden praten, wordt beschreven in de volgende werken.

82J. van Ginneken, Handboek der Nederlandse Taal. Deel II. De sociologische structuur. p. 109-112. Nijmegen 1914.
[p. 14]
83J. Moormann, ‘Het Bargoensch van Maastricht’. Tijdschrift voor taal en letteren 10 (1922), 159-232.
84J. Endepols, Groenstraat-Bargoens. Groningen z.j. 29 p. Ook in: Nieuwe Taalgids 18 (1924), 172-198.
85T. van Wijk, ‘Bargoens van Maaseik’. De Maaseikenaar. Periodiek Contactblad uitgegeven door de Culturele Raad Maaseik, 1 (1970), nr. 4, 17-18; 2 (1971), nr. 1, 26-29, nr. 3, 43; 3 (1972), nr. 1, 21-22 en nr. 4, 2.

Nr. 82 bevat een lijst Bargoense woorden die in 1892-94 nog te St.-Truiden, Bilzen en omgeving gebruikt werden. Nr. 83 draagt een misleidende titel: dit geheimtaaltje werd wel in Maastricht opgetekend, maar daar niet gesproken; het hoort ergens in Zuid-Oost-Limburg thuis. Nr. 84 handelt over Waubach (gemeente Ubach-over-Worms).

1.4. Plant en vogelnamen

86J.A. Hoens, ‘Plantnamen in het Limburgsch dialect’. Limburg's Jaarboek. Provinciaal Genootschap voor Geschiedkunsige Wetenschappen, Taal en Kunst 15 (1909), 45-47 (Naschrift door J.S., ibid. 47-49).
87J.J.M.M. Strous, Vogelnamen in Midden-Limburg. Scriptie K.U. Nijmegen 1960. Onuitgegeven.
88L. Janssen, ‘Dialectische vogelnamen in Limburg’. Natura-Limburg. Driemaandelijks bulletin jg. 1976, nr. 85, 886-902 en jg. 1980, nr. 101, 253-256.

Nr. 86 handelt alleen over de paddestoel en de sering. Nr. 88 berust op een enquête in B-Limburg en bevat een honderdtal vogelsoorten waarvan benaming en uitspraak telkens goed gelocaliseerd worden.

1.5. Raakpunten en leenwoorden

89J. Grauls, ‘(Een, Tweede, Derde, Vierde, Vijfde) Uitstapje naar het Walenland’. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 6 (1932), 121-153, 7 (1933), 259-309, 8 (1934), 97-149, 9 (1935), 273-329, 10 (1936), 77-107.
90J. Jauquet, ‘Alfabetische registers op J. Grauls' Uitstapjes naar het Walenland’. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 12 (1938), 129-144.
[p. 15]
91J. Leenen, ‘Franse taaluitzetting over Limburg’. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 12 (1938), 149-168.
92G. Ferir, Fransche invloed op den woordenschat van het Tongersch dialect. Scriptie U.E. Liège 1943. Typoscript. 129 p.
93A. Bettens, De Franse en Waalse woorden in het dialect van Kanne. Scriptie U.E. Liège 1954. Typoscript. 194 p.
94J. Goossens, ‘Enkele Limburgse leenwoorden uit de Latinitas’. Taal en Tongval 21 (1969), 151-159.
95A. Celis, De Franse woorden in het dialect van Gingelom. Scriptie K.U. Leuven 1975. Typoscript. 204 p.
96E. Jaspar, ‘Raakpunten tusschen de dialecten van Aken en Maastricht’. Publications de la Sociète Historique et Archéologique dans le Limbourg à Maestricht 66 (1930), 111-137.
97E. Jaspar, ‘Raakpunten tusschen het Luikerwaalsch en het Maastrichtsch met verwijzing tevens naar het Nederlandsch’. Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg à Maestricht 74 (1938), 175-191.
98W. Roukens, ‘Limburgia Romana. Uit de werkplaats van het Limburgs woordenboek’. Album R. Verdeyen. Brussel-Den Haag 1943, 317-328.
99F. Kurris, ‘De lexicologische invloed van Oost-Wallonië op het dialect van Maastricht’. Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg à Maestricht 92 (1956), 385-413.
Gecorrigeerde samenvatting: id., ‘Waalse woorden in het dialect van Maastricht. Veldeke 34 (1959), 49-53.
100J. van der Hoeven, De Franse woorden in het ‘Diksjenaer van 't Mestreechs’. Scriptie U.E. Liège 1972. Typoscript. 153 p.

Grauls (nr. 89) en Jaspar (nr. 97) handelen over de parallellen of raakpunten tussen het (Luiker)waals en resp. het Limburgs en het Maastrichts, die de auteurs bij de lectuur van J. Hausts Dictionnaire Liégeois (Luik 1929) opgevallen zijn. Daarin en in Jaspar (nr. 96) wordt dus geen stelling genomen in de richting van het ruilverkeer.

Vier bijdragen handelen over Maastricht. Vijf werken (nrs. 92, 93, 95, 99, 100) sommen Frans taalmateriaal op dat (vooral de jongste eeuwen) ingang gevonden heeft in Limburgse dialecten bij de taalgrens.

[p. 16]

Leenen (nr. 91), Roukens (nr. 98) en Goossens (nr. 94) peilen dieper: zij brengen chronologische stratificaties aan in de Romaanse invloed op het Limburgs, m.a.w. zij trachten ook het tijdstip van de ontlening te achterhalen.

Typerend zijn de attitudeverschillen tussen B-Limburg en NL-Limburg m.b.t. de Franse invloed. In Nl-Limburg klinkt er in de tekst meestal een zekere trots of fierheid door. Ik citeer uit Jaspar (nr. 96), p. 111:

‘En het is juist die gelijktijdige en gelijkwaardige invloed van beide zijden, dat regelmatig inwerken èn van Germaansche èn van Romaansche taalstroomingen, die het Maastrichtsch tot een zoo buitengewoon merkwaardig idioom hebben gevormd, zulks in tegenstelling met zoo vele andere Limburgsche streektalen, die overwegend eenzijdig, nl. Germaansch beïnvloed zijn’.

Breuls (nr. 2) p. 5 laat het volgende horen:

‘Het zijn vooral de Franschen, die van hun verblijf alhier onuitwisbare sporen hebben achtergelaten. Niet alleen is voor hen eene warme sympathie blijven voortleven, maar ook de Fransche taal heeft op ons dialect, vooral bij de uitspraak haren stempel gezet’.

In het lange tijd door aculturatie bedreigde België is de toon helemaal anders; Leenen (nr. 91) schrijft hierover p. 158:

‘Eerst zien we de linkerhelft afgescheiden van het autonome en leidende gedeelte van het taalgebied, en verenigd met een Frans gedeelte onder Franse leiding, waardoor Belgisch-Limburg is komen te behoren tot wat men eufemistisch Zuid-Nederland pleegt te noemen. De grootste meerderheid van het zeer vele dat in de 19e en 20e eeuw elders door de rechtmatige kultuurtalen aan de dialekten geleverd werd, waren ze hier verplicht van een stief-kultuurtaal te betrekken, wat door de sullige verhaspeling van die afleggers op armzalige wijze gewroken werd. En dan is er nog de zuidoostelijke uithoek die, staatkundig van Nederland en geografisch van “Zuid-Nederland” gescheiden, totaal weerloos aan verfransing (en verduitsing) werd prijsgegeven’.

1.6. Diverse

In de onder deze rubriek samengebrachte werken werd ook heel wat woordenschat verzameld.

[p. 17]
101W. Roukens, Wort- und Sachgeographie in Niederländisch-Limburg und den benachbarten Gebieten. Teil IA Text, Teil IB Atlas. XI + 478 p., 7 + 6 + 91 krtn. + 63 afb.
In 1938 onder de titel: Wort- und Sachgeographie Südostniederlands und der umliegenden Gebiete, mit besonderer Berücksichtigung des Volkskundlichen.
102P.H.M. Shepherd, Van Taol naar Taal. Nederlands voor Maastricht en omstreken. Maastricht 1936. 135 p.
103A. Knaepen, Reeks Beknopte Regionale ABN-Gidsen o.l.v. P. Kempeneers 2. Sint-Truiden en omgeving. Tienen 1963. 27 p.

Nr. 101 is vooral belangrijk om zijn wetenschapshistorische betekenis, nl. om zijn vernieuwing in de dialectgeografische methodiek. De nrs. 102 en 103 zijn didactische werken die contrastief opgevat werden; alleen Shepherd vermeldt ook de dialectische uitspraak.

2. Lexicografische projecten in Belgisch- en Nederlands-Limburg

De interessantste informatie uit de enquête heeft betrekking op de (nabije) toekomst. Dank zij de 103 ontvangen antwoorden uit NL-Limburg, de 104 ontvangen antwoorden uit B-Limburg en de contacten op ons congres is vermoedelijk een vrij betrouwbare inventarisatie van de genomen - maar nog niet voltooide - lexicografische initiatieven mogelijk(20). Uit de verstrekte antwoorden was meestal niet op te maken of een lijst dan wel een boek voorbereid wordt, en of de onderneming al opgeschoten is. Controle op de ontvangen gegevens was eveneens niet mogelijk.

Met het nodige voorbehoud kan ik rapporteren dat men in de volgende plaatsen aan een dialectwoordenboek of -lijst werkt(21):

A.B-Limburg: Achel, Alken, Beverlo, Bilzen, Diepenbeek, Eisden (2 ×), Geistingen, Hasselt, Lanklaar, Mechelen, Opglabbeek, Sint-Truiden (2 ×),
[p. 18]
Stokkem (2 ×), Tongeren, Uikhoven, Zolder (2 ×), Zonhoven, Zutendaal.
B.NL-Limburg: Beek, Bocholtz, Echt, Geleen, Heerlen, Heythuysen, Helden, Horn, Horst, Kerkrade, Klimmen, Linne, Maasbree, Meerlo-Wanssum, Nederweert, Nieuwenhagen, Roermond, Stamproij, Susteren, Valkenburg, Venray, Weert.

Om vaak uiteenlopende redenen heb ik de indruk dat het werk al gevorderd is voor de dialecten van: Hasselt, Sint-Truiden, Tongeren, Kerkrade, (Neder)weert, Roermond, Bocholtz (lijst).

Bovendien beschikt onze Vereniging over een flink gestoffeerd manuscript van wijlen Dis Fagot van Stokkem.

3. De kaart

Alle boeken, lijsten en projecten over één plaats werden op deze kaart aangetekend. Eenenveertig werken die niet op één plaats maar op een gebied betrekking hebben, blijven hierdoor op de kaart onvermeld, hoewel sommige zeer omvangrijk en precies gelokaliseerd materiaal bevatten.

Enkele constateringen:

1.In NL-Limburg zijn sommige steden zeer goed vertegenwoordigd: Maastricht, Heerlen en Sittard leveren 16 van de 31 lexicografische werken.
2.B-Limburg beschikt op dit ogenblik over geen enkel gepubliceerd idioticon dat op één plaats betrekking heeft.
3.Tenslotte veroorloof ik mij enige lacunes aan te duiden en enkele desiderata te formuleren. Kan men uitspraak doen over de lexicografische over-of ondervertegenwoordiging van sommige gebieden? Zulke uitspraken moeten rekening houden met de relatieve homo- of heterogeniteit van een dialectlandschap. In beide Limburgen bestaan er m.i. nog gebieden die lexicografisch weinig ontgonnen zijn:
- In NL-Limburg zijn dat de dialecten met klankverschuiving (in het bijzonder Vaals) en de noordoostelijke dialecten tussen Venlo en Mook-Middelaar;
- In B-Limburg zijn er m.i. grotere leemtes: de noordoostelijke en westelijke aan het Brabants grenzende periferie en (in het zuid-oosten) de Voerstreek sijn slecht vertegenwoordigd; bovendien zou in B-Limburg meer spellingshomogenitait moeten ontstaan.
[p. 18A]


illustratie

[p. 19]

Appendix: Spelling van Limburgse dialectteksten

Op alle congressen blijkt er bij de leden van onze Vereniging de behoefte te bestaan aan een spelling waarmee dialect geschreven kon worden.

Naast het fonetische schrift, dat vooral voor wetenschappelijke doeleinden gebruikt wordt, bestaan er spellingssystemen die er met behulp van de 26 letters uit het gewone Latijnse alfabet in slagen dialectteksten adequaat en leesbaar weer te geven. Zulke (niet fonetische) spelling kan uiteraard niet alle details en uitspraaknuances in beeld brengen, maar is anderzijds gemakkelijk te identificeren door de lezer die met het behandelde dialect vertrouwd is.

Voor de Limburgse dialecten werden totnogtoe onderstaande systemen ontworpen die overigens nauw bij elkaar aansluiten.

1.De Veldeke-spelling. Deze spellingsregels verschenen in het tijdschrift Veldeke, jg. 27 (1952-53), p. 85-88, en worden in Nederlands-Limburg algemeen gebruikt.
Zonder enige moeite kan de Veldeke-spelling toegepast worden op de noordoostelijke dialecten van Belgisch-Limburg (ong. vanaf Eksel/As/Kanne, het dialect waar men ‘ies’ zegt voor Ndl. ijs).
2.Voor het Genks werd door Professor Goossens een aangepaste spelling uitgewerkt (‘Hoe kunnen wij Genker schrijven?’, bijlage bij Heidebloemke, jg. 33 (1974), nr. 6); met enige aanpassing is deze spelling ook geschikt voor het Bilzerlands, het ‘dich’-gebied tussen Bilzen en Zichen-Z-B.
3.Voor de zuidelijke helft van Belgisch-Limburg is de transcriptie geschikt die A. Stevens gebruikt in zijn artikels ‘De evolutie van de Haspengouwse streektalen’ (in: Limburgs-Haspengouw, Hasselt 1951, p. 223-264) en ‘Struktuur en Historische ondergrond van het Haspengouws Taallandschap’ (in: Het Oude Land van Loon, Hasselt 1952, p. 3-19).
Speciaal geschikt voor het St.-Truiderlands (de dialecten tussen Rummen en de taalgrens) is het op de Veldeke-spelling geïnspireerde systeem dat door dezelfde auteur gebezigd wordt in zijn bijdrage ‘Het Oostgetelands en de Truiderlandse dialecten van Brustem, Aalst en Ordingen’ (in: Bijdragen tot de geschiedenis van Brustem, Hasselt 1975, p. 435-470).
4.Voor het Limburgse dialectgebied van de provincie Luik heeft R. Jongen een spellingssysteem opgesteld; het werd gepubliceerd in het tijdschrift Im Göhltal 17 (1975), p. 42-58.

José Cajot

(1)Zie hierover: K. Heeroma, Mundartwörterbucher im Königreich der Niederlande. - W. Mitzka (Ed.), Wortgeographie und Gesellschaft. Berlin 1968, 115-130 (p. 117 v.).
(2)Naast de gebruikelijke bibliografische gegevens worden van de werken die ik heb kunnen raadplegen ook het aantal pagina's (of lemmata) vermeld en - ingeval van een onuitgegeven werk - of het een met de hand geschreven (manuscript) of een getypt (typoschrift) stuk ik. Bij elke onderverdeling staan eerst de Belgische, dan de Nederlandse werken vermeld.

(3)In zijn inleiding (p. 3) pretendeert Dorren een verzameling aan te bieden die betrekking zou hebben op het hele ‘voormalig landje van Valkenburg’; uit een vluchtige confrontatie met mijn materiaal blijkt echter dat het door hem beschreven idioom inzake uitspraak alleen Valkenburgs kan zijn.
(4)Endepols heeft alle vroeger verschenen Maastrichtse verzamelingen in zijn boek opgenomen.
(5)Blijkens p. LXXIV heeft Schelberg gebruik kunnen maken van een (tweede onuitgegeven) woordenlijst van L. van der Heyden nr. 4.

(6)Een beschrijving van deze lijst vindt men in J. Hansen, ‘Aardige ontdekking te Roermond. Woordenlijst van J.B. Sivré.’ Veldeke 24 (1949-50), 128 v.
(7)Andere als aanhangsel bij Maastrichtse toneelstukken verschenen woordenlijsten werden niet vermeld.
(8)Uit een reactie op Hansen (noot 6) in J. Kats, ‘Aardige ontdekking te Roermond. Woordenlijst van J.B. Sivré.’ Veldeke 25 (1950-51), 14 - blijkt dat nr. 39 uit nr. 34 geput werd.

(9)J. Goossens, ‘Geschiedenis van de dialectwoordenboeken’ (p. 307). D. Bakker, G. Dibbets, Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. Den Bosch 1977.
(10)J. Goossens, ‘Niederländische Mundartwörterbücher in Belgien’ (passim).
W. Mitzka, ib., 131-145.
(11)Zie hierover P. Nissen, ‘De Groéselder Diksjenèr’. Veldeke 55 (1980), nr. 1, 5 vv.
(12)J. Goossens, ‘De Belgische uitspraak van het Nederlands’. De Nieuwe Taalgids 66 (1973), 230-240.
(13)De Belgische woordenlijstprestaties blijven nog wel een beetje onder de maat van de NL-Limburgers; ook de tijdschriften waarin ze verschijnen, missen in een aantal gevallen het professionele allure van NL-Limburg.
(14)Hij was kandidaat in de rechten (Universiteit Utrecht) maar verbleef van 1891 tot 1892 voor zijn gezondheid in Heerken.
(15)Nr. 1, voorrede.

(16)Dols (nr. 40) en Houben (nr. 36) passen een gemengd systeem van fonetische tekens en specifieke lettercombinaties toe.
(17)In principe vastgesteld op een vergadering van Veldeke op 29.12.41 en verschenen in Veldeke 27 (1952-53), 85-88.
(18)Nr. 1, 10 v.

(19)Een resumé van nr. 69.

(20)De antwoordformulieren liggen ter inzage op de secretariaat van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Bosstraat 5 B, B-3588 Eksel en op de Culturele Raad Limburg, Havenstraat 3, NL-6211 GJ Maastricht.
(21)De vermelding (2 ×) wijst erop dat voor die plaatsen twee mensen onafhankelijk van elkaar aan het werk zijn of waren.

prepost  begin  verder