terug  begin  verderprepost
[p. 32]

Woordenboek van de Limburgse dialecten
[door P. Goossens]

1. Doel en opzet

Doel van het project is de inventarisering en afleveringsgewijze publicatie van de Limburgse dialectwoordenschat, te beginnen bij de agrarische terminologie. Het woordenboek bestrijkt zowel de Nederlandse als de Belgische provincie Limburg, alsmede het vanouds germaanstalige noordoosten van de provincie Luik en een zestal grensplaatsen in het oosten van de provincie Brabant. Van het begin af heeft het WLD steeds bedoeld, de woordenschat van alle op dit gebied gesproken dialecten zo volledig en nauwkeurig mogelijk vast te leggen.

Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten is, evenals dat van de Brabantse (WBD) en dat van de Vlaamse dialecten (WVD), systematisch van opzet: de woorden zijn niet alfabetisch geordend, maar volgens gebruiksmogelijkheden, wat ten dele wil zeggen naar betekenisvelden, b.v. verwantschapsnamen, kleurnamen, plantnamen, woorden voor beweging, enz.

Het woordenboek omvat drie delen:

I.de agrarische vakterminologie
II.de niet-agrarische vakterminologie
III.de zgn. algemene woordenschat.

Het materiaal wordt deels door nieuwe enquêtering bijeengebracht en deels gehaald uit bestaande verzamelingen, waaronder die van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde, van het P.J. Meertens - Instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, van het Archief voor Dialectologie van de K.U. Leuven, een privé-verzameling van prof. dr. J. Goossens en uit al dan niet gepubliceerde dialectstudies en woordenlijsten.

Het woordenboek verschijnt in afgeronde leveringen. Het materiaal daarvoor wordt uitgewerkt in een aantal lemmata (+ artikelen), die vervolgens naar hun onderlinge samenhang worden gerangschikt.

Op de lemmatatitel (= ingang, trefwoord) volgt een vertaling ervan in het Duits, Engels en Frans. Na de vermelding van de bronnen (= het gebruikte materiaal) en een semantische en/of zakelijke toelichting geeft het lemma een opsomming van de verschillende woordtypen in de Nederlandse of vernederlandste vorm.

[p. 33]

Achter elk woordtype worden de betrokken dialectvarianten vermeld. Deze zijn genoteerd in een fonetisch schrift dat de grote verscheidenheid van klanken en nuances, waarvan het materiaal getuigt, vrij nauwkeurig tot uitdrukking laat komen. Op een dialectvariant volgen telkens de codenummers van de plaatsen waarvoor die variant werd opgegeven.

Voor zover nodig worden de artikelen (lemmata) door tekeningen verduidelijkt. Elke aflevering wordt besloten met een alfabetische register van de (Nederlandse) woordtypen, onder vermelding van de bladzijde(n) waarop ze te vinden zijn. Van het opnemen van dialectkaarten is afgezien. Maar het materiaal daartoe is in het woordenboek steeds compleet aanwezig.

2. Geschiedenis en organisatie

De voorbereiding van het WLD is ruim 15 jaar geleden begonnen. Op 1 januari 1969 is er een wetenschappelijke medewerker, drs. P. Goossens, voor benoemd.

Thans liggen de Inleiding en de eerste twee afleveringen (samen ± 350 bladzijden druks) bij de drukker en is de derde aflevering in voorbereiding.

Na een grondige toetsing van het manuscript verklaarde de Nederlandse Organisatie voor zuiver-wetenschappelijk onderzoek (ZWO) zich op 27 februari 1979 in principe en op 21 december 1979 definitief bereid in de aanmaakkosten van de inleiding en de eerste aflevering bij te dragen, onder een tweetal (de vertaling van de lemmatitels resp. de vorm van de kopij betreffende) voorwaarden. Nu aan deze voorwaarden is voldaan, kan met de druk begonnen worden. Vertrouwd wordt dat ZWO ook de subsidieaanvraag die voor de publicatie van de tweede aflevering werd ingediend, zal honoreren.

Bij het excerperen van vragenlijsten en dialectmonografieën, de ordening van de gegevens naar gebruiksmogelijkheden en semantische aspecten, de voorlopige indeling van een aflevering, de rangschikking van de daarin op te nemen lemmata e.d. zijn tot nu toe - voorzover dit tenminste tot de mogelijkheden behoorde - ook TAP-medewerkers, studenten-assistenten en andere studenten ingeschakeld. In overleg met en onder begeleiding van de wetenschappelijke medewerker(s) ontwerpen zij de artikelen om deze vervolgens te redigeren.

Tenslotte worden alle lemmata die problemen bieden, besproken met de hoogleraar-directeur van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde

[p. 34]

(NCDN).

De hoofdredactie berust thans bij prof. dr. A. Weijnen (Nijmegen) en prof. dr. J. Goossens (Leuven / Münster).

3. Stand van het onderzoek, het vervolg

I. De agrarische terminologie

Omdat landbouw en veeteelt in de wereld van de Limburger altijd een belangrijke plaats hebben ingenomen en omdat als gevolg van ingrijpende veranderingen veel agrarische termen snel dreigen te verdwijnen, is het WLD indertijd gestart met het verzamelen en bewerken van het materiaal betreffende de woordenschat van de boer.

Deel I. ‘agrarische terminologie’ bestaat uit de volgende onderdelen:

A.Akker- en weidebouw
B.Veeteelt
C.Behuizing en landerijen
D.Voertuigen en paardetuig.

Van het onderdeel A. kwamen de eerste en tweede aflevering, beide gewijd aan de bewerking van de akker- en de weidegrond, in september 1978 resp. in oktober 1979 persklaar. Tezamen omvatten zij 285 lemmata (over de bemesting van het land, het ploegen, het spitten, het eggen, het slepen, de daarvoor benodigde werktuigen en gereedschappen en het paardetuig bij veldwerk), alsmede ruim 80 afbeeldingen.

In voorbereiding is thans een aflevering van het onderdeel C. Deze derde WLD-aflevering, die in 1977 en 1978 werd voorbewerkt door drs. J. Kokkelmans, handelt over het bedrifsgedeelte van de boerderij en zal 150 lemmata omvatten. Deze betreffen de stal-, schuur- en bergruimten, de onderdelen daarvan en/of de daarin getroffen voorzieningen.

 

Voor wat deel I. ‘agrarische terminologie’ betreft, staan verder nog op het programma:

Voor onderdeel A.: twee afleveringen, handelend over de teelt, verzorging en oogst van de gewassen, alsmede de verwerking van de oogstproducten;
Voor onderdeel B.: vier afleveringen, resp. gewijd aan het paard, het rundvee, het kleinvee en het pluimvee;
[p. 35]
Voor onderdeel C.: twee afleveringen, het woongedeelte van de boerderij, de landerijen betreffende;
Voor onderdeel D.: twee afleveringen, die de voertuigen (karren, wagens, kruiwagens), resp. het paardetuig tot onderwerp hebben.

II. De niet-agrarische terminologie

Voor dit deel van het woordenboek is het voorbereidende werk reeds in zoverre verricht, dat sedert 1970 door drs. P. Vos (ten behoeve van zowel het WBD als het WLD) vragenlijsten zijn opgesteld voor o.m. de volgende ambachten en beroepen: de metselaar, brouwer, smid, zadelmaker, leerlooier, handwever, mandenmaker, timmerman, houtzager, imker, naaister, kleermaker, mutsenmaker, schoenmaker, sigarenmaker, molenaar, rad- en wagenmaker, strodekker, kuiper, boomkweker, fruitteler, groenteteler, turfsteker, kooiker, huisschilder, koperslager/blikslager.

Deze lijsten werden toegezonden en ingevuld terugontvangen van correspondenten die opgaven daarvoor zegslieden te kunnen raadplegen.

III. De algemene woordenschat

De afgelopen twee jaar heeft drs. C. Frissen naar de inhoud en indeling van dit deel van het woordenboek een grondig onderzoek ingesteld (mede ten behoeve van het WBD). Nagegaan werd in hoeverre er voor de verschillende onderdelen en gebruikssferen van de algemene woordenschat reeds materiaal voorhanden is uit vroegere enquêtes, en in hoeverre er - ter aanvulling soms - nog gegevens verzameld moeten worden door een nieuwe enquête. In verband met dit laatste zijn inmiddels verschillende vragenlijsten ontworpen.

Via de publiciteitsmedia, het tijdschrift Veldeke, de kringen van de vereniging Veldeke en de kringen van Limburgs geschied- en oudheidkundig genootschap werd eind augustus 1980 op de Limburgers, en met name die uit de Nederlandse provincie, een beroep gedaanom door het invullen van algemene dialectvragenlijsten voor deel III van het WLD het benodigde materiaal aan te dragen. Deze oproep vond grote weerklank: bijna 300 personen hebben zich intussen als medewerk(st)er aangemeld. We mogen verwachten dat de Limburgers in de Belgische provincie - de Heemkundekringen zijn daar reeds benaderd - een dergelijke oproep binnenkort op dezelfde wijze zullen beantwoorden.

[p. 36]

De algemene dialectwoordenschat laat zich - systematisch - als volgt inen onderverdelen:

A. De mensenwereld
1.De mens als lichamelijk/geestelijk wezen
(mens - man/vrouw - levensfasen - menselijk lichaam, lichaamsdelen, ledematen, vitale organen, zintuigen, lichaamshoudingen en -bewegingen, slapen, dromen, gezondheidstoestand, ziekten en gebreken - menselijke geest, waarneming, geheugen, verbeelding, verstand, denken, gevoelens, wil(len), geweten, karakter, zedelijk gedrag e.d.)
2.Menselijke behoeften
(woonhuis, verdiepingen, vertrekken, meubilair, verlichting, verwarming, keukengerei, vaatwerk, fornuis, aanrecht, huishoudelijk werk e.d. - maaltijden, eten en drinken, spijzen en dranken, genotmiddelen - kleding en schoeisel)
3.Menselijke verhoudingen
(vrijgezel, ongehuwde vrouw, verkering, verloving, ondertrouw, huwelijk, bruiloft, huwelijke staat, gezin, huishouden, zwangerschap, bevalling, opvoeding - familiebetrekkingen (verwantschapsnamen) - weduwe, weduwnaar - hertrouwen - overlijden, begrafenis e.d.)
4.De buren, buurt of wijk, dorp, stad, gemeente, gemeentebestuur en -raad, gemeentelijke en andere openbare gebouwen, instellingen en diensten, markt, handel, betalingsverkeer, post en telecommunicatie, vervoer en verkeer, politie en justitie e.d.
De verschillende beroepen (bakker, slager, kruidenier, melkboer, smid,, timmerman, loodgieter, postbode enz.).
5.School en onderwijs
6.Geloof, godsdienst, kerk, kerkgebouw, kerkdiensten, parochie / kerkelijke gemeente, kerkelijke feesten en plechtigheden.
7.Festiviteiten, sport, spel, ontspanning (kinderspelen, kaarten e.d., sportbeoefening, muziekgezelschappen, -instrumenten, -uitvoeringen e.d.).
8.Folklore (oude gewoonten en gebruiken)
B.De dierenwereld
(viervoeters, huisdieren, veld- en bosdieren - vogels - vissen - kruipdieren - insecten - ongedierte).
[p. 37]
C.De plantenwereld
(bomen - struiken - planten - bloemen).
D.Het landschap en landelijke aspecten
(vlak land, heuvels, dalen, bos, heide, vennen, wegen en paden, waterwegen).
E.Hemellichamen, windstreken, jaargetijden, het weer, regen, wind, onweer.
F.Algemene eigenschappen en begrippen
(afmetingen, vorm, natuur- en scheikundige eigenschappen - betrekkingen, rangorde, volgorde, waarde, maten en gewichten - eigenschappen, waar te nemen met het gezicht, het gehoor, de tastzin, de reuk en de smaak - getallen en hoeveelheden, ruimte, tijd, oorzakelijkheid, beweging, verandering)

4. Betekenis

Wetenschappelijk onderscheidt het woordenboek zich doordat het (evenals het WBD en het WVD) de dialectwoordenschat niet alfabetisch, maar systematisch geordend weergeeft, wat onder meer voor taalgeografisch en woordveldonderzoek bijzonder belangrijk is.

Voor zowel historische als contemporaine taalbeschouwingen heeft het werk een zo volstrekt mogelijk inventariserende functie.

Tussen het inmiddels voltooide Rheinisches Wörterbuch enerzijds en het WBD en WVD anderzijds vormt het Woordenboek van de Limburgse dialecten de schakel, het onmisbare sluitstuk, waardoor de complete opbouw van de woordenschat in een aaneengesloten gebied tussen Brugge en Keulen komt bloot te liggen.

Over de culturele betekenis valt op te merken, dat het woordenboek, juist doordat het woordmateriaal daarin naar gebruikssferen geordend is, de volkscultuur in al zijn volheid weerspiegelt.

De grote belangstelling van de Limburger zelf verleent aan het WLD ongetwijfeld maatschappelijke relevantie.

Voor het verwijzen naar het dialect bij het onderwijs is het werk onmisbaar.

Tenslotte heeft het werk ook een dienstverlenende functie. Veel Limburgse studenten ontlenen er de stof voor hun scripties aan. De wetenschappelijke medewerker verleent niet alleen aan dezen, maar ook aan studenten van pedagogische academies assistentie. Geregeld ook adviseert hij amateurs bij de voorbereiding van locale dialectwoordenboeken.

[p. 38]

5. Noodzaak

Sedert 1977 hebben een onderzoek naar de ontwikkeling en organisatie van de N.C.D.N. en de aanbevelingen die dienaangaande werden gedaan, de toekomst van het Woordenboek van de Limburgse dialecten, als project van dat instituut, erg onzeker gemaakt. Volgens een op 25 september 1979 door de raad van de faculteit der letteren van de K.U. Nijmegen genomen besluit, dient voor het WLD op zo kort mogelijke termijn een andere financieringsbron gezocht te worden.

Het is van het grootste belang dat die bron inderdaad gevonden wordt. Want dan hoeft het werk aan het woordenboek, waarvan de grondslag en de eerste stenen nu gelegd zijn, niet te worden stopgezet. Dan kan er aan het vanouds begeerde taalmonument, zoals Brabant en Vlaanderen er een hebben, worden voortgebouwd. Dan zal de invularbeid van vele honderden Limburgers die jarenlang de door Nijmegen (en voorgangers) uitgezonden vragenlijsten met toewijding hebben beantwoord, niet vergeefs zijn geweest.

Het is overigens - zoals de ervaring met de gereedliggende afleveringen en met die bij het WBD heeft geleerd - in hoge mate wenselijk, het werk niet met één maar met twee wetenschappelijke medewerkers voort te zetten.

Ten eerste wordt de voltooiingstijd daardoor met de helft bekort; ten tweede kan er dan in allerlei zaken onderling overleg worden gepleegd; ten derde is dit gunstiger voor de continuïteit; ten vierde kan dan bereikt worden dat er ongeveer jaarlijks één à twee afleveringen (in totaal ± 200 bladzijden) verschijnen.

 

P. Goossens

prepostterug  begin  verder