Er wordt vertrokken van het Nederlands, wat echter Zuidnederlands mag zijn. Van typisch ‘Hollandse’ woorden wordt niet uitgegaan: leuk, ochtend, mooi. Ik rangschik dus mijn dialectwoord onder bijv. hen (niet kip), rad (niet wil), koord (niet touw), ajuin (niet ui), stoof (niet kachel), stiel (niet vak), tand (niet kies}, afwas (niet vaat), plezier, lol (niet pret), hesp (niet ham), hof (niet tuin), appelsien (niet sinaasappel). Algemeen-Nederlandse woorden verdienen echter de voorkeur boven gewestelijke, bijv. bord (niet teljoor).
Typische dialectwoorden, waarvan mag worden aangenomen dat iedereen het AN woord kent, hoeven geen verwijzing, bijv.: knikker (xkabas -) knikker hoeft niet), meikever (xbejzap -) meikever hoeft niet).
Waarom staat het AN woord vooraan?
| 1) | Het is gemakkelijk te rangschikken. |
| 2) | Met het systeem der verwijsingen kan iedereen terecht. |
| 3) | Ook de niet-Hasselaar kan het gebruiken. Hij kan het als een gewoon vertaalwoordenboek Nederlands - Hasselts opvatten. Omgekeerd komt hij er nooit achter hoe knikker en meikever in het Hasselts luiden. |
| 4) | Men kan aan ideografische beschrijving doen, d.w.z. het is leuk voor de lezer te zien op hoeveel manieren een begrip kan worden uitgedrukt, hoeveel woorden het dialect heeft voor een bepaald begrip, bijv. zat, niets, niemand, rammel, lui, rommel, klungelen, aan de zwier gaan, treuzelen (= o.m. treezele, tammele, zemmele, tettele enz.). |
Wat deze sub 1-4 besproken indelingsprincipes betreft, ben ik er mij wel van bewust dat het systeem nadelen heeft en dat het alternatief, nl. van een dialectwoord vertrekken, voor de autochtoon gemakkelijker is. Wat hij op het
oog heeft, is niets anders dan een leuke parade van hem bekende dialectwoorden, die hij zonder moeite terugvindt. Het zoeken naar het precieze AN lemmawoord kan inderdaad moeilijk en tijdrovend zijn. Moet man preigel rangschikken onder slaag, rammel, ransel?
| 1) | Totaal uitgestorven woorden: namen voor uitgestorven maten (aam, spint, enz.), dingen (baanst = tondel). |
| 2) | Academische woorden: fragment, alternatief. |
| 3) | Schoolwoorden: aantal, (be)doel(ing), voldoening, genieten. |
| 4) | Irrelevante woorden: vlas, arend, krokodil, het meer, sap, ras, kanker. Ze zijn noch qua klank, noch semantisch interessant. |
De betekenissen zo mogelijk rangschikken in logische volgorde, met telkens indien nodig, een zinnetje als voorbeeld. Het lemmawoord in het zinnetje door - vervangen. Bij substantieven wordt het pluralis en het diminutief opgegeven, het genus alleen als het van het AN afwijkt.
Samenstellingen en afleidingen staan op dezelfde steekkaart, tenzij ze een andere betekenis krijgen, of als er zoveel over te zeggen valt dat ze een aparte fiche verdienen.
Diminutieven kunnen eventueel ook een afzonderlijke fiche krijgen, als er veel betekenissen te signaleren vallen, bijv. mannetje; kleine man, dreumes, lieveling van de meester, stekker, mannelijk dier, steunbalk.
Onder de bij Van Dale vermelde Zuidnederlandse uitdrukkingen doet men een keuze.
| 7.4. | Aanhangsel: a Lijst van sterke hoofdtijden. b Lijst van werkwoorden met andere hoofdtijden dan in het AN. c Lijst van 1) Hasseltse familienamen, 2) voornamen, 3) pleinen, straten, enz. (geografische namen). d Lijst van omliggende of andere gemeenten (Hasseltse uitspraak). e Lijst van Hasseltse spelletjes. f Lijst van scheldwoorden. g Bibliografie. |
Xavier Staelens