terug  begin  verderprepost
[p. 42]

Een woordenboek van het Gronsvelds
[door G. Jaspars]

Hoe komt men tot het samenstellen van een dialektwoordenboek?

Ongeveer twaalf jaar geleden ontstond bij mij een bijzondere interesse in het dialekt van mijn geboorteplaats. Aanleiding was het feit dat ik bij de kinderen van mijn geboortedorp een zekere vervlakking van het Gronsvelds waarnam, die vooral zijn oorzaak vond in de invloed van het Algemeen Nederlands (A.N.). Mijns inziens is die vervlakking het gevolg van het feit dat het A.N. in het taalverkeer een steeds grotere rol gaat spelen. Vaak constateerde ik dat woorden en uitdrukkingen die bij mijn generatie gemeengoed waren, door hen of in het geheel niet werden begrepen of vernederlandst werden. Zoals de liefde tot zijn land, is ieder ook de liefde voor zijn moedertaal, zijn dialekt, aangeboren. Wie deze liefde bewust beleeft, ontdekt al gauw dat het dialekt een ware schatkamer van de taal is. Dialekten stonden aan de wieg van de algemene taal en bewaren nog veel elementen die uit het hedendaags A.N. zijn verdwenen. Zo is het verrassend te zien, hoeveel woorden uit het Nederlands van de Middeleeuwen (het Middelnederlands) in het dialect van Gronsveld nog voortleven.

Dit alles bracht mij ertoe woorden en uitdrukkingen die naar mijn mening met uitsterven werden bedreigd, te gaan noteren en in een kaartsysteem op te nemen. Dit gebeurde in de aanvang weinig systematisch: ik noteerde - vaak op ‘sjèigelkes’ - alleen die woorden en uitdrukkingen die ik de moeite waard vond (Honni soit qui mal y pense). Het werd mij gaandeweg echter duidelijk, dat de inventarisering van de Gronsveldse taalschat niet het werk voor één persoon kon zijn. Bij het verzamelen van woorden en uitdrukkingen en het omschrijven van de betekenis ervan zou de hulp van geïnteresseerde plaatsgenoten die op grond van hun leeftijd en/of uit hoofde van beroep een bijdrage konden leveren niet gemist worden.

Zo ontstond de Werkgroep ‘Groéselder Diksjenèr’, een groep mannen en vrouwen in leeftijd variërend van 34 tot 75 jaar, elk op eigen terrein deskundig. Besloten werd om wekelijks een lijst van woorden die in de Werkgroep waren besproken, te plaatsen in het gemeentelijke contactblad ‘Binding’ en de lezers te verzoeken om met betrekking tot de gepubliceerde woorden aanvullingen en correcties in te zenden. Hoewel een aantal belangstellenden geregeld aan de oproep gevolg gaf, beantwoordde het resultaat toch niet geheel en al aan de verwachtingen. Daarom werd na enige jaren besloten om de publicaties te staken en met de inmiddels tot tien personen uitgegroeide werkgroep ‘in stilte’ verder te werken.

[p. 43]

Via een uitzending van de R.O.Z. over dialekten kwam ik in contact met Drs. Lou Spronck, die enthousiast was over het werk van de groep en ons het advies gaf het verzamelde materiaal in boekvorm uit te geven. Door middel van een enquête onder de bevolking van Gronsveld en Rijckholt werd nagegaan hoe groot de interesse was in de uitgave van een Groéselder Diksjenèr. Het resultaat was so bemoedigend dat het gemeentebestuur van Gronsveld zich bereid verklaarde de uitgave financieel te garanderen.

Daarna geraakte alles a.h.w. in een stroomversnelling. Het aantal bijeenkomsten van de werkgroep werd uitgebreid tot twee per week. Er werd contact gelegd met Drs. P. Goossens, wetenschappelijk medewerker aan de Nijmeegse Centrale voor Dialekt- en Naamkunde en redacteur van het Woordenboek van de Limburgse dialecten. De door hem verstrekte adviezen en aanwijzingen hadden betrekking op de presentatie van de dialektwoorden en hun buigingsvormen, van de voorbeeldzinnen, zegswijzen en uitdrukkingen, alsmede op de spelling van de dialektwoorden.

Na vier jaar was het werk zover gevorderd dat we aan de vormgeving van het woordenboek konden gaan denken en er contact met drukker en illustrator kon worden opgenomen.

Van meet af aan heeft de werkgroep zich ten doel gesteld de prijs van het woordenboek, dat in een vrij beperkte oplage verschijnt (1500 ex.), zo laag mogelijk te houden zodat iedere geïnteresseerde het zal kunnen aanschaffen. Om dit te bereiken heb ik het fotografisch te reproduceren typewerk, dus het ‘zetwerk’ voor mijn rekening genomen waardoor de hoge arbeidskosten voor her zetten van dialektteksten kwamen te vervallen. Tevens kon op deze wijze het aantal zetfouten tot een minimum beperkt worden en behoefde het tijdrovende corrigeren van drukproeven niet plaats te vinden. Dat dit alles naar wens is verlopen, is niet op de laatste plaats te danken aan de voortreffelijke wijze waarop drukkerij Leiter-Nypels mij met raad en daad terzijde heeft gestaan.

Om de tekst te verlevendigen vond ik onze dorpsgenoot Joost Gadiot bereid het boek te illustreren. Hij heeft zich met enthousiasme en op de hem eigen fijnzinnige wijze van zijn taak gekweten. De door hem vervaardigde tekeningen zijn soms verhelderend, soms puur verluchtend. Een twintigtal pagina's heeft hij gebruikt om stukjes Gronsveld, Rijckholt en Eckelrade vast te leggen die voor velen een blijde herkenning betekenen en de waarde van de Diksjenèr nog doen stijgen.

[p. 44]

Dit laatste kan ook gezegd worden van de inleidende bijdrage van Dr. J. Tans over ‘het dialekt van Gronsveld in het Zuidlimburgse taalgebied’, een door de Werkgroep hooggeschat produkt van de jeugdliefde, die hij nooit verloochend heeft.

De vastgelegde woordenschat

Het doel van de Diksjenèr is niet om niet-Gronsveldenaren Gronsvelds te leren. Dat neemt niet weg dat onze Diksjenèr niet-autochtonen (meer) bekend en vertrouwd kan maken met het Gronsvelds.

Onze Diksjenèr legt de Gronsveldse woorden vast, voor zover die in uitspraak, vorm en/of betekenis afwijken van het A.N. Zo is een woord als ‘pen’ niet opgenomen (het verkleinwoord ‘penneke’ is weliswaar geen gangbaar Nederlands, maar -(e)ke is in het Gronsvelds het normale achtervoegsel bij verkleinwoorden). Een woord als ‘tak’ is wel opgenomen omdat het verkleinwoord ‘tekste’ luidt; een woord als ‘kop’ eveneens omdat het ‘köp’ als meervoud heeft. Samenstellingen zijn alleen opgenomen als één of elk der componenten afwijkt van het betrokken simplex (= enkelvoudig woord). Zo zal men een woord als ‘taofelpoet’ vergeefs zoeken omdat zowel ‘taofel’ als ‘poet’ in het woordenboek zijn opgenomen.

Indien een trefwoord vrijwel dezelfde betekenis(sen) heeft als in het A.N. wordt dit aangegeven met: ‘In vrijwel alle bet. van het A.N.’. Ook zegswijzen die in het A.N. algemeen bekend mogen worden verondersteld, zijn niet opgenomen. Zo wordt bij het trefwoord ‘taol’ de zegswijze ‘taol noch tèike gëive’ niet vermeld.

 

Verschillende categorieën van trefwoorden vragen nog om een nadere toelichting:

Zelfstandige naamwoorden

Een zelfstandig naamwoord wordt steeds gevolgd door de letter m, v of o, al naargelang het een mannelijk, vrouwelijk of onzijdig woord betreft. Daarna volgen het (tussen haakjes geplaatste) meervoud en het verkleinwoord. Deze zijn voluit vermeld indien zij in meer dan alleen de uitgang van de enkelvoudsvorm verschillen, bijv. door umlaut (tak, mv. tek, verklw. tekske), door het verschil in toon (sleeptoon/stoottoon) (taand, mv. tan, verklw. tenneke);

[p. 45]

bérg, mv. berg, verklw. bergske). In andere gevallen vindt men alleen de meervouds en/of verkleiningsuitgang.

Verder wordt het Middelnederlands equivalent van het woord vermeld als de overeenkomst opvallend is (begaoje, mnl. begaden).

Werkwoorden

De onbepaalde wijs (infinitief) van een werkwoord wordt gevolgd door de onvoltooid verleden tijd le persoon enkelvoud en door het voltooid deelwoord, bijv. kalle (kalde, gekald) = zwak werkwoord, brëke (broëk, gebroëke) = sterk werkwoord. Bij een geheel regelmatig zwak werkwoord als ‘kalle’ is het vervoegingsmodel als volgt: o.t.t. ich kal, dich kals, hër kalt, vuur kalle, diér kalt, zié kalle. o.v.t. ich kalde, dich kaldes, hër kalde, vuur kalde, diér kalde, zié kalde.

Na de o.v.t. en het volt. deelw. volgt bij een aantal werkwoorden het z.g. gerundium op -enterre, een typisch kenmerk van vele Limburgse dialekten, bijv. loüpenterre.

Indien de gebiedende wijs een bijzondere vorm vertoont, wordt die eveneens vermeld (bijv. goën, geb. w, enk. gaank).

Bijvoeglijke naamwoorden

Bij de bijvoeglijke naamwoorden wordt de vergrotende en overtreffende trap alleen vermeld als deze, behalve door de uitgang -er, -ste, ook in andere opzichten van de stellende trap verschillen, bijv. brèid (brejjer, 't brejste).

Vermeld worden ook de niet (geheel) regelmatige buigingsvormen van een bijv. nw. bij attributief en predikatief gebruik, bijv. trefwoord ‘broén’, attr. m: broûjne, v: broûjn, o: broén, mv: broûjn; pred. broén. Dit betekent dat ‘broûjne’ de vorm is bij attributief gebruik vóór een enkelvoudig mannelijk zelfst. nw. ('nne broûjne paoter); dat ‘broûjn’ de vorm is bij attr. gebruik vóór een enkelvoudig vrouwelijk zelfst. nw. en vóór meervouden ('n broûjn tas, broûjn tasse); en dat ‘broén’ de vorm is bij attr. gebruik vóór een onzijdig zelfst. nw. en bij predikatief gebruik (e broén dëurke, 't dëurke ês broén).

In dit verband wijs ik ook nog op de bijzonderheid dat de mannelijke buigingsvorm van bijv. nw. en van lidwoorden ‘de’ en ‘een’ op een ‘n’ eindigt, als het daarop volgende (mannelijk) woord begint met een klinker of met de medeklinker d, t of h; vgl.: 'nne groete maan - 'nnnen awwe maan - 'nnen dikke maan - 'nnen dikken appel - 'nnen dikken hoüp.

[p. 46]

Eventuele bijzondere vormen van het bijv. nw. bij zelfstandig gebruik met betrekking tot iets onzijdigs zijn eveneens opgenomen, bijv. e klejnt, e fynk.

Voornaamwoorden

De aanwijzende, bezittelijke, betrekkelijke, persoonlijke en vragende voornaamwoorden zijn, mét hun eventuele buigingsvormen, op de vereiste plaats in het alfabet opgenomen en van voorbeelden voorzien.

 

Een aparte groep woorden vormen de Gronsveldse toponiemen (namen van percelen, plaatselijke benamingen van straten, wegen e.d.). Deze zijn, samen met een toelichting, als bijlage achter de Diksjenèr opgenomen. Men vindt daar ook een ‘lijst van plaatsnamen in het Gronsvelds dialekt’ en een lijst van ‘bekende en minder bekende Gronsveldse voornamen’.

Evenals het A.N. veranderen ook de dialekten. Zo zijn in het Maastrichts dialekt heel wat teksten uit een oudere periode bewaard, die Dr. Endepols voor zijn Maastrichts woordenboek kon gebruiken. In het Gronsvelds zijn echter geen geschreven bronnen van vorige generaties overgeleverd. Het weinige dat gedateerd is dateert uit onze tijd (enkele gedichten van Bèr Jaspars, Charel Jaspars en Gilles Jaspars in het tijdschrift Veldeke en in de bloemlezing Masalect, Heerlen 1976).

 

De taalschat van deze Diksjenèr is het Gronsvelds, zoals het gesproken wordt door autochtone Gronsveldenaren tussen 30 en 70 jaar. Woorden die nog slechts bij ouderen bekend zijn, worden als ‘vero’ (= verouderd) bestempeld.

 

Dit woordenboek is, evenals andere woordenboeken, niet volledig. Ter verpntschuldiging mag ik aanvoeren dat ‘onvolledigheid het onbetwistbare eeuwenlange voorrecht is van elke lexicograaf’ (Dr. H. Endepols in: Woordenboek of Diksjenaer van het Maastrichts). Niet elke lezer zal het met de opgenomen betekenisomschrijvingen eens zijn en menigeen zal correcties en aanvullingen willen aanbrengen. Ik houd mij hiervoor ten zeerste aanbevolen.

Klank en teken: de spelling

De in dit woordenboek gebruikte spelling zal velen die regelmatig Limburgse dialektteksten lezen, soms vreemd voorkomen. De lezer doet er daarom goed

[p. 47]

aan bij het gebruik van het Diksjenèr met het volgende rekening te houden.

Bij het ontstaan van het woordenboek werd gekozen voor een eigen spelling, waarvoor niet de gangbare zgn. Veldeke-spelling uitgangspunt was. Voor de Gronsveldse klanken koos ik daarbij passende, consequent toegepaste, conventionele schrifttekens die ik voor een deel ontleende aan het Frans (bijv. Diksjenèr) of aan het Frans (bijv. pöt) . Daarbij poogde ik ook om nuanceverschillen tussen klanken in het Nederlands en Gronsvelds uit de spelling te laten blijken (bijv.) Ned.: veiling, vrouw. Gronsvelds: vyling, vroûw). Ook de voor de meeste Limburgse dialekten kenmerkende sleeptoon en stoottoon zijn in de spelling uitgedrukt, bijv. broéd = bruid (met sleeptton) en broed = brood (met stoottoon).

Omdat (dialekt)klanken zeer moeilijk nauwkeurig in schrifttekens zijn vast te leggen, liet de Werkgroep verleden jaar de grammofoonplaat ‘Ich wèit nog good...’ verschijnen waarop het levende Gronsvelds anno 1978 valt te beluisteren. De daarop vastgelegde vertellingen kunnen te allen tijde met de bij de plaats gevoegde transcriptie vergeleken worden.

Het weergeven van de medeklinkers levert vrijwel geen problemen op. Hierover alleen de opmerking dat het klankteken gk wordt uitgesproken als de g in het fr. garçon, bijv. ligke = liggen.

Veel moeilijker ligt het bij de weergave van de klinkers. Toen we de door ons gebruikte spelling destijds voorlegden aan Drs. P. Goossens van de N.C.D.N., stelde deze voor om daarin de notering van klinkers op een aantal punten te wijzigen. Omdat het werk aan ons Diksjenèr toen reeds in een ver gevorderd stadium verkeerde, konden wij zijn suggesties niet meer overnemen.

 

G. Jaspars, (uit zijn) inleiding tot het Woordenboek van het Gronsvelds Dialekt (1979).

prepostterug  begin  verder