De onderhavige naamkundige monografie over de Noordlimburgse gemeente Wijchmaal, sinds 1 januari 1977 gefusioneerd met Peer, is opgebouwd volgens het model dat gevolgd werd in de tien monografieën over Limburgse gemeenten die ik in de jaren 1973-1976 heb kunnen publiceren in de reeksen van het Instituut voor Naamkunde te Leuven. Zie de lijst in Naamkunde 9 (1977), blz. 284.
Indien dus ook in deze bijdrage vooral belang gehecht wordt aan de verzameling van betrouwbaar toponymisch materiaal, dat de grondslag had kunnen uitmaken voor een door mij in het vooruitzicht gestelde ‘Woordenboek van de Limburgse toponymie’, dan moge meteen worden verklaard waarom de historische inleiding tot het glossarium bewust tot het minimum werd beperkt. Dit scheen mij des te meer gerechtvaardigd omdat ik een ‘Geschiedenis van de gemeente en van de parochie Wijchmaal’ op het getouw heb die, indien ik mijn wetenschappelijk werk had kunnen voortzetten, binnen zeer korte tijd zou verschenen zijn.
Ik dank alle Wijchmalenaren die mij bij deze studie behulpzaam zijn geweest, in de eerste plaats de leden van de plaatselijke Heemkundekring voor het verstrekken van allerlei informatie en dokumentatie. Een bijzonder woord van dank richt ik tot de heer J. Kelchtermans, die de bijgevoegde toponymische kaart zo keurig heeft getekend en tot ere-hoofdonderwijzer J. Desair, met wie ik talrijke zegslieden bezocht heb.
Wijchmaal maakte deel uit van het graafschap Loon, dat in 1366 met het prinsbisdom Luik verenigd werd. Vanaf het einde van de 14de eeuw tot de Franse Revolutie was het graafschap Loon gerechtelijk en administratief in zes ambten of drossaardschappen ingedeeld, nl. Bilzen, Hasselt, Horn, Montenaken, Pelt-Grevenbroek en Wijchmaal.
Wijchmaal behoorde tot het ambt Pelt-(Grevenbroek), dat tot 1585 het ambt Pelt en de heerlijkheid Grevenbroek uitmaakte.
1) Het ambt Pelt telde vier schepenbanken: Pelt voor de gemeenten Kaulille, Kleine-Brogel, Neer- en Overpelt; Eksel voor de gemeenten Eksel en Hechtel; Luiks-Gestel; Wijchmaal . Te Wijchmaal zetelde derhalve een schepenbank voor één gemeente, terwijl de schepenbank Pelt bijv. vier gemeenten omvatte!
2) De heerlijkheid Grevenbroek (stad Hamont, Achel en Sint-Huibrechts-Lille) werd in 1401 bij het graafschap Loon ingelijfd, maar bleef tot in 1585 een afzonderlijke heerlijkheid met een eigen drossaard. In 1585 kocht het St.-Lambertuskapittel van Luik de heerlijke rechten van de laatste heer van Grevenbroek af. De prins-bisschop van Luik maakte van Grevenbroek geen afzonderlijk drossaardschap, maar voegde het bij Pelt, zodat het ambt Pelt-Grevenbroek van toen af één stadje en tien gemeenten (Luiks-Gestel is thans Nederlands gebied) omvatte. Voor Hamont, Achel en Sint-Huibrechts-Lille zetelde één schepenbank.
De gemeente werd bestuurd door een burgemeester, jaarlijks verkozen door de gemeentenaren op Sint-Silvesteravond, wanneer de uittredende burgemeester meestal de jaarrekening ter goedkeuring aan de gemeente voorlegde. De nieuwe burgemeester betaalde op oudejaarsavond een maaltijd ter ere van de afgaande burgemeester en de schepenen van Wijchmaal.
De officiële aanstelling van de nieuwe burgemeester had plaats op de eerste genachtendag na Driekoningen, wanneer hij in handen van de schout de eed aflegde en beloofde de gemeente trouw te dienen. Meestal diende hij hiervoor naar Peer te gaan, waar hij nadien schout en schepenen op een gelag trakteerde.
Jaarlijks werden er soms ook een aantal schatheffers - meestal vier - aangesteld, die de gemeentebelastingen moesten innen, waarvoor ze een vergoeding ontvingen. Dit ambt blijkt evenwel onvast te zijn: dikwijls was de burgemeester zelf verantwoordelijk voor het ophalen van de schat, een grondbelasting op hovingen en landerijen. Niet zozeer de houders van de gronden als de gronden zelf waren schatplichtig; wie ze bewerkte - als eigenaar, vruchtgebruiker, pachter - moest een jaarlijkse belasting betalen. Jaarlijks werd dan
ook een schatcedule of belastingsrol opgesteld; voor Wijchmaal beliep deze in de 17de-18de eeuw iets meer dan 100 gulden. Het aantal schatheffingen wisselde zeer sterk: normaliter werd de schat twee- à driemaal geïnd, maar in de tweede helft van de 17 de en in de eerste helft van de 18de eeuw vaak twintig- tot dertigmaal, te wijten aan de oorlogstroebelen, waardoor de gemeente voortdurend in geldnood verkeerde. In 1679 bijv. hadden er eenendertig heffingen plaats, die samen 3150 gulden opbrachten. Het spreekt vanzelf dat zulks voor de ingezetenen een zware last betekende.
De jaarrekening werd, na voorafgaande bekendmaking door de bode, op oudejaarsavond - soms ook in de daaropvolgende weken - aan de gemeente voorgelegd. De definitieve afsluiting van de rekening had soms één of twee jaar daarna plaats. Tegen wanbetalers behielden de burgemeesters of schatheffers tot dan het pandrecht.
In 1621 telde Wijchmaal 170 kommunikanten en 83 kinderen beneden de twaalf jaar, of samen 253 inwoners; in 1699 waren er 160 kommunikanten, in 1711 150. In 1849 telde de gemeente 378 inwoners - 184 mannen en 194 vrouwen -, die 77 gezinnen vormden, verspreid over de gehuchten Broekkant (6), Dijk (3), Dorp (11), Hondrik (27), Houterstraat (20) en Ticheloven (10). Vanaf het einde van de 19de eeuw nam het inwonersaantal aanzienlijk toe, zoals in de meeste Kempische gemeenten: 653 inwoners in 1900, 1351 in 1950 en 2176 in 1975.
Reeds in de tweede helft van de 11de eeuw behoorde de kerk, afhangend van Peer, tot het domein van de abdij van Sint-Truiden(1), die er het begevingsrecht en de tienden bezat.
De parochie behoorde tot het bisdom Luik, aartsdiakonaat van de Kempen, dekenaat Woensel tot 1559, daarna dekenaat Beringen.
Vóór 1608 werd de kerk van Wijchmaal bediend door een kapelaan van Peer, die in Peer resideerde, met alle nadelen daaraan verbonden voor de Wijchmaalse parochianen: kinderen stierven dikwijls zonder het H. Doopsel te hebben ontvangen, ouderen zonder de H. Sacramenten. Verzoekschriften werden dan ook gericht tot de prins-bisschop
van Luik en tot de abt van Sint-Truiden om een eigen, te Wijchmaal wonende, pastoor te bekomen. Op 19.11.1608 werd Wijchmaal afgescheiden van Peer en als parochie opgericht door prins-bisschop Ernest van Beieren(2), met de toelating ‘om van voortsaen een geconsacreerde vinte te setten ende van eijghene pastoir aldaer residerende te mogen becomen’(3). De abt van Sint-Truiden ging hiermee akkoord, op voorwaarde dat de pastoor enkel 1/3 van de tienden of 12 mud rogge zou ontvangen, en dat de gemeente de verdere kosten tot onderhoud van de pastoor zou dragen. Het traktement van de pastoor werd als volgt bepaald: het derde deel van de tienden, van elke familie een ‘welgebakken’ brood of 2 stuivers, 45 gulden uit de gemeentekas. In de gemeenterekeningen vinden we ook geregeld de vermelding, dat de pastoor ook jaarlijks een som kreeg om (de passie) te preken. In 1630-1631 trok de gemeente op de Houterschans een pastoorswoning op, waar de pastoors tot op het einde van de 18de eeuw bleven wonen.
De abt van Sint-Truiden droeg tot op het einde van de 18de eeuw de pastoors voor, die uiteindelijk door de landdeken van Woensel, resp. Beringen benoemd werden.
Er waren twee beneficies, nl. het O.-L.-V.-altaar en het altaar van St.-Sebastiaan, beide noch gewijd noch gedoteerd. De H. Appolonia en de H. Hubertus werden er bijzonder vereerd.
De kapelaan was tevens vroegmisheer en schoolmeester; in 1722 werd een nieuwe kapelanie gebouwd.
Gichtregisters van de Schepenbank van Wijchmaal (WG)(4)
| WG | 2, 1567-1577 | 10, 1638-1640 |
| 3, 1577-1587 | 11, 1640-1643 | |
| 4, 1587-1593 | 12, 1644-1646 |
| 5, 1594-1596 | 13, 1657-1681 | |
| 6, 1626-1630 | 14, 1696-1753 | |
| 7, 1631-1632 | 15, 1753-1758 | |
| 8, 1633-1634 | 16, 1754-1793 | |
| 9, 1637-1638 | 17, 1794-1796 |
Het overige door de Schepenbank van Wijchmaal nagelaten archief (WS)
| WS 18, Losse stukken uit gichten, 17de-18de eeuw. |
| 19, Testamenten, 1608-1775. |
| 20, Verkopingen, 1586-1774. |
| 21, Verhuringen, 1615-1754. |
| 22, Voogdijen, 1696-1736. |
| 23, Notaboek van bode, 1664-1670, 1680-1682(5). |
| 24, Rollen, 1758-1766. |
| 25-37, burgerlijke processen. |
| 38, Losse processtukken, 1594-1797. |
| 39, Staten van proceskosten, 1594-1797. |
| 40, Criminele rollen, 1758-1795. |
| 41-54, Criminele processen. |
Gemeentearchief van Wijchmaal (WGM)
| WGM 1, Ordonnanties en mandementen van de prins-bisschoppen, 1623-1793. |
| 2, Stukken betreffende de grenzen met Eksel, 1701-1720. |
| 3, Verkopingen van gemeentegronden, 1675-1725. |
| 4, Verhuringen van gemeentegronden, 1684. |
| 5, Verhuring van het schanshuis, 1791. |
| 6, Opmeting van gronden, 1634. |
| 7, Stukken betreffende renten, 1675-1753. |
| 8-9, Belastingen. |
| 10, Schatcedulen, 1607-1697. |
| 11, Schatting van de gronden, 1659. |
| 12-127, Burgemeestersrekeningen. |
Kerkelijk archief van Wijchmaal (WK)
| WK 4, Register der rekeningen van kerk en pastoor, 1658-1782. |
| 6, Inkomsten van de pastoor en jaargetijden, 1738-1765. |
| 7, Idem, 1769-1797. |
| PR 840, Dopen, huwelijken, overlijdens, 1625-1719. |
| 841, Idem, 1720-1772. |
| 842, Idem. |
| 843, Idem, 1772-1798. |
| 844, Idem, 1772-1817. |
| 845, Idem, 1798-1859. |
Archief van de abdij van St.-Truiden (ST)
| ST 6848, Cartularium over Helchteren, Eksel, Peer, Houthalen, Hechtel, 1617-1695. |
| 6848/2, Cartularium 1261-1617. |
| 6849, Tienden, renten, goederen, cijnzen, 1558-1562. |
| 6850, Cijnzen 1695-1697. |
Notariaat
| Brouwers, L.P., notaris te Peer, 1752-1796. |
| Ceysens, J.M., notaris te Neerpelt, 1815-1817. |
| Missotten, E.H., notaris te Overpelt, 1829-1860. |
| Morren, J., notaris te Peer, 1814-1852. |
| Tielen, J.M., notaris te Eksel, 1859-1873. |
| Wilsens, J.F., notaris te Peer, 1850-1871. |
V 1796: Volkstelling 1796. - kopie van het origineel berustend op het Rijksarchief te Maastricht (DN 1030).
Chambre des Comptes (CC), cens et rentes dans tout le baillage de Pelt:
| CC 971, 1588-1612 |
| 972, 1588 |
| 973, 1678 |
| 974, 1693-1715 |
| 975, 1768-1774 |
| K 1844, oorspronkelijke aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, 1844. |
| B 1845, Atlas der buurtwegen van Wijchmaal, 1845. |
| F 1777, Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden. Brussel, 1777. |
| G 1978, Moderne wegenkaart van de gemeente. |
| K 1953, Kadastrale plans van de gemeente Wijchmaal, 1953. |
| a | are |
| ca | centiare |
| cfr. | conferatur |
| d.d. | de dato |
| dial. | dialektisch |
| du. | Duits |
| e. | eeuw |
| e.a. | en andere(n) |
| eng. | Engels |
| enk. | enkelvoud |
| germ. | Germaans |
| got. | Gotisch |
| ha | hektare |
| id. | idem |
| igm. | Indogermaans |
| kad. | kadaster, kadastraal |
| kop. | kopie |
| lat. | Latijn(s) |
| min. | (notaris) minuut |
| mnd. | Middelnederduits |
| mnl. | Middelnederlands |
| mv. | meervoud |
| nhd. | Nieuwhoogduits |
| nr(s). | nummer(s) |
| o.a. | onder andere |
| ohd. | Oudhoogduits |
| o.m. | onder meer |
| onl. | Oudnederlands |
| pln. | plaatsnaam |
| psn. | persoonsnaam |
| r. | recto |
| v. | verso |
| V | volksmond |
| vgl. | vergelijk |
| vlg. | volgende |
| vn. | voornaam |
| vnl. | voornamelijk |
| wgm. | Westgermaans |
| z.a. | zie aldaar |
Wegens deze verdoffing kan de dialektische uitspraak niet als uitgangspunt dienen voor een steekhoudende etymologische verklaring.
Volgens Gysseling (6) zouden de dorpsnamen met maal als tweede lid terug te voeren zijn op germ. malhō ‘zak, depressie’. Het terrein van de gemeente Wijchmaal daalt van 70 m in het zuiden - een uitgestrekt heidegebied - tot 55 m in het noorden: hier liggen, tussen de Bolliserbeek en de Dommel/de Kleine beek, de akker-, hooilanden broekgebieden bij het dorpscentrum en de andere nederzettingen. Het genoemde niveauverschil komt echter ook in de meeste andere Kempische gemeenten voor en reveleert niets specifieks.
A. Stevens heeft evenwel gegronde bezwaren tegen de gelijkstelling van maal met germ. malhō ‘zak, depressie’, steunend op de uitspraak van een reeks Haspengouwse maal-toponiemen. In het centrale en westelijke deel van Limburgs-Haspengouw en eveneens in Brabants-Haspengouw (tussen St.-Truiden en Tienen) wordt de Ndl. a(a) die uit vanouds lange Wgm. ā voorkomt met een klank gerealiseerd die verschilt van de Ndl. a(a) die is ontstaan door rekking van een aanvankelijk korte a in oorspronkelijk open syllabe. In Orsmaal en Dormaal wordt maal met een ooë-klank uitgesproken, in Horpmaal, Vechmaal en Vliermaal met een oeë-klank, die zoals in woorden als ‘paal’ en ‘staal’ uit een vanouds lange Wgm. ā zijn ontstaan. Indien -maal in de genoemde dorpsnamen het germ. malhō ‘zak, depressie’ zou voortzetten, was een opener klank oa(e) ontstaan, zoals dit het geval is in de Westlimburgse realisaties voor woorden als Ndl. kaal, taal, (ik) haal en in het woord maal (uit germ. malhō) zelf, dat in deze streken nog met de bet. ‘papieren zak’ en/of ‘zak in een kledingstuk’ voorkomt. Als gewoon appellatief komt maal (zak) daarenboven naar ons weten niet met de bet. ‘depressie’ voor in de Oudgerm. of Middelgerm. dialekten.
De etymologische oorsprong van -maal in de besproken plaatsnamen moet o.i. elders worden gezocht: naar onze mening is het Wgm. woord māl (met vanouds lange ā), dat in het Ohd. en Mhd. māl luidt, in het Mnl. mael (MW IV, 962), in het Mnd. mâl, in het Nhd. mal, in het Ndl. maal (IV), dat in het WNT IX, 21-22 voorkomt met de bet. ‘teken, kenteken, merkteken, vlek, grensteken’. Dit woord heeft ook de bet. ‘mark(genootschap), maalschap, grensgebied, en verdeelde
bos-, weide- of heidegrond in gemeenschappelijk bezit’ (WNT IX, 19-20, s.v. maal I), in welke laatste betekenis het waarschijnlijk - mede te oordelen naar de klankwaarde in de Gelders-Overijselse dialekten(7) - gecontamineerd werd met germ. mâl uit mahal (Oud. mahal, Got. maþl)’ gerecht, gerechtsplaats, geding’.
Maal is dus o.i. een synoniem van mark, en ook het in het Rheinisches Wörterbuch V, 781-782 als ‘allgemein’ (verspreid) opgegeven woord Mal III sterkt ons in deze overtuiging: naast ‘Erkennungsmal, Fleck, Narbe...’ wordt daar als bet. nog opgegeven: ‘Grenzmal, -zeichen, -stein, Strecke zwischen zwei Grenzstreichen’.
Naar onze mening zijn de dorpen met -maal als tweede element oorspronkelijk kleine plattelandse gemeenschappen met gronden in gemeen gebruik, ontstaan in de uitbouw-periode uit buurtschappen van de dorpsmark; de onverdeelde heide-, weide- en bosgronden aan de grenzen van het zgn. moederdorp.
Wijchmaal is dan te interpreteren als een samenstelling van Mnl. wijc ‘nederzetting’ + maal ‘het gemeenschappelijk grondbezit’.
| 1. | Achelman: Jan van der linten voor(heen) gilis
pincxten voor(heen) hendrick dries voor(heen) peter moes opden achelman, 1693-1715, CC 974, 70; goederen genaempt den achelman, 1707, WG 14, 68; panden den
echelman genoempt, 1720, WG 14, 157 vo; egelman, V 1796; achelman, K 1844 en
1953; B 1845. Aanvankelijk één goed - kadastraal B 319 t/m 375 - genoemd naar de (eerste) bezitters, afkomstig uit het grensdorp Achel, Van Achel, resp. Achelmans genoemd. Vgl.: Jan van Achel, 1567, WG 2, 5 vo; 1578, WG 3, 1; Jannen van Achell, 1587, WG 4, 3; Geerit van Achel, 1607, WGM 10; Hendrick Dries opden Achel, 1644, WG 12, 6 vo = Hendrick Dries alias Achelman, id.; Achelmans goederen, 1646, id., 34 vo. |
| 2. | Achelmansbeemd: Achelmansbeemd,
V. - B 146; hooiland; 62 a 40 ca. Perceel in de Rijten (nr. 291) en behorend bij het goed de Achelman. |
| 3. | Achelmansbos: Achelmansbosch, B 1845. - Bosperceel behorend bij de Achelman. |
| 4. | Achelmansheide: Achelmans heide, B 1845. - Heide gelegen of behorend bij het Achelmansgoed. |
| 5. | Achelmansstraat: Achelmans straat, chemin du hameau de hondrik à la bruyère dite groote heide par le bois d'Achelmans, B 1845. - De weg loopt langs het Achelmanserf. |
| 6. | Achelmansweg: Achelmansweg (54), chemin du bois dit achelmansbosch à la terre achelman, B 1845. |
| 7. | Acht Zaligheden: Acht Zaligheden,
V. - Ex B 158. Volkshumoristische naam voor een achttal kleine woningen, omstreeks 1900 gebouwd op een afgelegen plaats. |
| 8. | Acht-Zalighedenstraat: Achtzalighedenstraat, G 1978. - Recent aangelegde weg leidend naar de Acht Zaligheden. |
| 9. | Achterste Broek(ske): Het achterste
broecksken, 1741, WG 14, 237 vo; het achterste broek, 1780, WG 16, 263 vo. De bepalende bestanddelen achterste, middelste (nr. 232) en voorste (nrs. 355-356) zijn aanduidingen voor de onderlinge ligging van de percelen. |
| 10. | Achterste Hoogveld: Het agterste
hoogvelt, WG 17, 6 vo; achterste hoogveld, B 1845. Deel uit het Hoogveld (nr. 149), mogelijk A 208-210. |
| 11. | Achterste-Hoogveldweg: Agterste hoogveldweg (30), chemin de celui dit hoogveldstraetje au lieu dit achterste hoogveld, B 1845. - Weg naar het Achterste Hoogveld. |
| 12. | Achterste Veld: Het achterste velt, 1718, WG 14, 144 vo; 1757, WG 16, 19. |
| 13. | Achterstraat(je): Achterstraetje
(14), B 1845; achterstraat, G 1978. Naar de ligging ‘achter’ de Houterstraat. |
| 14. | Armenbeemd: De armenbeemd, V. - A
35; hooiland; 71 a 20 ca. Gewezen bezit van de vroegere Armentafel of Tafel van de H.-Geest, die voor de armenzorg instond. Vgl. H.-Geestbeemd (nr. 130). |
| 15. | Armenveldje: Het armenveldje, V.
- A 483-484; bouwland (39 a 60 ca) en bos (5 a 10 ca). X-Baan: zie Diesterbaan, Helchtersebaan, Peerderbaan. |
| 16. | Barrier: Een boereplaets genaemd den
barrier, bestaende uit huis, pottebakkerij, hof en weide, Morren 1848, min. 61. - B 303/2, 304/2, 305, 306/2,
307; huis (B 306), pottenbakkerij (B 306/2) en aangelegen land; 1 ha 58
a 60 ca. Blijkens de onder het Frans bewind in 1796 gehouden volkstelling woonden sinds 1793 op dit goed: Jan Deeser (sic!), 24 jaar oud en pottenbakker, gehuwd met Digena Eerdekens. Deze Jan Deeser of Desair - in de parochieregisters ook als Delsair vermeld en in de kadastrale legger van 1844 als Desaer - is de stamvader van de Wijchmaalse tak Desair; hij was gedoopt in Alken en op 27.5.1794 te Wijchmaal gehuwd met Dymphna Eerdekens.X-Beek: zie Kleine Beek. |
| 17. | Beemd: Hooiland en bosch genaamd den
bampt, Wilsens 1866, min. 96. - B 1000-1001;
hooiland en bos (83 a), gelegen in de Nieuwe Beemden (nr. 251). Zie ook: Achelmansbeemd, Armenbeemd, Blijleverbeemden, Boelaartsbeemd, Bosbeemd, Boven (de) Dijk(beemd), Broekkanterbeemden, Degensbemke, Dijk(er)beemd, Eerdekensbeemd, Ekselsebeemd, Glazemakersbeemd, Grote Beemd, H.-Geestbeemd, Huisbeemd, Kerkenbeemd, Klein Beemdje, Kloosterbeemd, Koenenbeemd, Kolisserbeemd, Krommesbeemd, Kroonbeemd, Kwijnenbeemd, Lange Beemd, Loosbeemd, Luitenbeemd, Maxbemke, Molenbeemd(en), Molenbeemdje, Mollemerbeemd(en), Moonsbemke, Muijensbeemd, Nevenbeemd, Nieuwe Beemd(en), Oomsbeemd, Pastoorsbeemd, Pelendersbeemd, Pottenbakkersbeemd, Rikkersbeemd, Schansbeemd(en), Sche- |
persbeemd, Schonkerenbeemd, Schoofsbeemd,
Schrijerbeemd, Sogenbeemd, Taanskensbeemd, Tichelovensebeemden,
Turfbeemd, Van Veldhovenbeemd. Beemd, dial. bam(p)t, is de gangbare naam ter aanduiding van hooiland; de diminutiefvorm is bemke(n), in de attestaties evenwel ook vaak beemdje (schrijftaalvorm). |
|||
| 18. | Beemdje: Stuck broecx genoempt het
bemptien, 1702, WG 14, 48 vo. - A 632;
hooiland; 21 a. De grafie bemptien beantwoordt niet (meer) aan de huidige uitspraak bemke(n). |
||
| 19. | Begijnenbroek: Het begijnen broek
toebehoorende het klooster van sint agneten hof binnen peer, 1767, WG
16, 164 vo. Gewezen bezit van het klooster van Sint-Agnes te Peer, opgericht in 1438-1439. Vgl. met Kloosterbeemd (nr. 186). |
||
| 20. | Begijnenvijner: Begijne vijver, K 1844 en 1953. - B 1106-1107; visvijver; 4 ha 83 a 60 ca. - Visvijver, tot het einde van de 18de eeuw in het bezit van het klooster Sint-Agnetendal te Peer. | ||
| 21. | Bek: Bouwland en bosch genaamd de
bek, Wilsens 1866, min. 96. - B 1047-1049,
1052-1053; bouwland (1 ha 26 a 50 ca) en bos (68 a 30 ca). Benoeming naar de spits toelopende vorm. Vgl. Eegdenhoek (nr. 82) en Eggebek (nr. 84). |
||
| 22. | Beken: Eenen bemd genaemd beken,
reg. de clijn beek, 1756, WG 16, 30. Naar de ligging tegen een waterloop, i.c. de Kleine Beek. |
||
| 23. | Berenboske: Het berenboske, V. -
A 380-381 (bouwland, 40 a 40 ca, en bos, 10 a 80 ca); B 629/2-630/2
(bouwland, 40 a, en bos, 10 a 80 ca). Beer = bes. Benoeming naar de begroeiing met de braambes - dial. brombeer - in de houtwallen. |
||
| 24. |
Berg
|
|
|||||||||||
| 25. | Bergstraatje: Bergstraetje (6),
chemin de la maison dite buntens goed à celle dite den berg, B 1845. Weg naar het goed de Berg (B 931-932). |
||||||||||
| 26. |
Berk(en)veld
Vermoedelijk niet zozeer benoeming naar de opvallende aanwezigheid van één of meer berken als grensboom, wel naar de omwalling met een berkehouten gracht. |
||||||||||
| 27. | Beyenbroek: Wouter Beyen broeck,
1702, WG 14, 48. Het eerste lid is een persoonsnaam; vgl.: Tiele(n) Boyen, 1607, WGM 10; Tonis Beyen, 1637, WG 9, 1 v; Gerardus Boyen, 1640, PR 840, 38; Jan Boyen, 1678, CC 973; Thijs Beyen goet op de Houterstraat, 1753, WG 14, 269 vo; Jan Beyen, 1754, WG 16, 1. |
| 28. | Bijhal: Aen de bijhal, 1718, WG
14, 144. Overdekte plaats voor bijenkorven, dicht bij het woonhuis. |
||||
| 29. | Bindweg: Bindweg (11), chemin du
hameau de houterestraat au chemin dit kleine houterestraat, B 1845. Bindweg ‘verbindingsweg’ tussen twee (belangrijker) wegen. |
||||
| 30. | Blijlever: Inde blijleuers
guederen aenden kenens dijck, 1661, WG 13; guederen genoimpt het blijleuer, 1662, id.; ontrint den
blijleuer, 1704, WG 14, 54; sekeren bemd omtrent
den blijlever gelegen, 1755, WG 16; de
blijlever, K 1844 en 1953, B 1845. In de 19de eeuw twee erven:
|
||||
| 31. | Blijleverbeemden: Blijleverbemden, B 1845. Percelen uit de Mollemerbeemden (nr. 242; A 274 e.a.), waarheen de Blijleverbeemdweg leidt en gelegen achter de erven de Blijlever. |
||||
| 32. | Blijleverbeemdweg: Blijleverbeemdweg (23), chemin de la bruyère dite blijlever aux
prairies dites blijleverbeemden, B 1845. Toegangsweg tot de Blijleverbeemden. De in de context genoemde heide de Blijlever betreft wellicht de percelen A 258-259 en 283, in 1844 nog heidegrond (4 ha 41 a 40 ca), behorend bij en gelegen achter het goed de Blijlever. |
||||
| 33. | Blijleverkerkpad: Blijlevers
kerkpad (56), sentier de wijchmael au lieu dit blijlever, B 1845.
Voetpad doorheen de bebouwde landen van de Blijlever naar de parochiekerk. |
||||
| 34. | Blijleverstraat: De bleylever straet, 1786, WG 16, 321. |
| 35. | Blijleverweg: Blijleverweg (49), chemin de la maison dite blijlever à la prairie dite blijleverbeemd, B 1845. |
| 36. | Bloksgoed: 1755 cornelis van duffel releveert: de
helft van blox goet op de houter straet gelegen, WG
16, 18. Het eerste lid is een psn.; vgl.: Jan Blocks, 1709, WG 14, 88. Blok, bijnaam, doelend op de zware lichaamsbouw. |
| 37. | Blookkuil: Een perceel moeras genaemd blookkuil, Morren 1847, min. 70. Verschrijving voor bleekkuil? Bedoeld wordt wellicht een poel waarin vlas en hout geroot werden. |
| 38. | Boekweithof: Stuck landt genoempt den
boeckweij hoff, 1699, WG 14, 18 vo. Besloten perceeltje (vandaar -hof) waarop boekweit geteeld werd; tot ca. 1900 nam de boekweitteelt nog een belangrijke plaats in. |
| 39. | Boelaartsbeemd: Dieric boelaerts
bampt, 1633, WG 8, 8; joris boelars zaliger
erfgenaemen bampt, 1693-1715, CC 974, 70. Het eerste lid is een psn.; vgl. ook: Marie Dierijcx alias Boelarts, 1588-1612, CC 971, 84. |
| 40. | Boerenweg: Boerenweg (47), chemin
de celui dit hooghorstendijk à la prairie dite blijlever, B 1845. Beemdweg. Boer wel in de bet. van landbouwer. |
| 41. | Bollis(en): Wauter causarts ende peter ooms (nu de
gemeijnte van wiechmael) vanden bolhezen, 1588-1612,
CC 971, 89 v.; eenen bampt genoempt die bollissen
1632, WG 7, 36; 1718, WG 14, 144; (gemeijnte van wijchmael) vander bolhesen, 1693-1715, CC 974, 70; bampt de
bollus genoempt, 1713, WG 14, 114 vo; den bollis, 1782, WG 16, 282 vo. Zie ook: Derde Bollis, Heibollisen, Kijfbollisen, Tweede Bollis. Drassig en met veel houtgewas begroeid terrein, kadastraal B 1-34, 36-50, 52. Vandaar ook de gangbare benaming Bollisbroek(en) (nr. 42). waarin broek ‘eigenlijk moeras, mits ontwatering ook (gedeeltelijk) hooiland- of beemdgebied’. Het complex ligt tegen de Bolliserbeek, die de grens met de buurgemeente Hechtel vormt. Ook in Hechtel ligt tegen deze beek een broekgebied dat onder dezelfde naam bekend is. De Bolliserbeek heeft meer dan waarschijnlijk haar naam te danken aan haar loop in dit Bollisgebied. |
gereduceerd wordt tot -(h)is/-(h)us, zoals bijvoorbeeld ook in de Peerder gehuchtnaam Overis < Overhees, en in de Helchterse gehuchtnaam Sonnis < Sonhees. Gezien de bodemgesteldheid - 1) drassig en 2) met veel kreupelhout begroeid -, ligt de volgende verklaring als het ware voor de hand: Mnl. bol ‘week, moerassig’ + hees ‘kreupelhout, met houtgewas begroeid terrein’. |
|
| 42. | Bollisbroek(en): T'bollis broeck,
1758, WG 16, 48; bollesche bruck, K 1844; bollesche bruk, B 1845; bollensche breuk, K
1953. Identiek met vorig nummer. Breuk, bruk is de grafische weergave van de meervoudsvorm van broek (morfologische umlaut). |
| 43. | Bolliske: Het bollisken, 1659, WG 13; een parceeltje moeras genaemd het bollisken, Wilsens 1863, min. 167. - B 90; 7 a 30 ca. |
| 44. | Bollisstraat: Bollis straet (6), chemin de l'église de wijchmael à la bruyère dite tichelhovensche heide par le lieu dit hondrikveld, B 1845; Bollisstraat, G 1978. |
| 45. | Bollisweg: Bollisweg (52), chemin du lieu dit de hoef au lieu dit bollissen, B 1845. |
| 46. | Bomerheide: Boomer hei, K 1844;
boomer heij, K 1953. - B 1068-1077, 1085;
gemeenteheide (67 ha 14 a 60 ca) en heide (later met dennen beplant) in
privaat bezit (16 ha 38 a 30 ca). Benoeming naar de grensligging met Peer, in casu met het gehucht Bomen. |
| 47. | Bonenveldje: Het bonenveldje, V.
- A 336-337; heide (in 1844); 42 a 10 ca. Grond van minderwaardige kwaliteit waarop voornamelijk bonen verbouwd werden. |
| 48. | Boomgaard: Een bouwland genaemd den
boomgaerd, Tielen 1865, min. 85. - A 533; 41
a. Omheinde en met fruitbomen beplante weide bij het huis. |
| 49. | Bos: De bos, V. A 205-207; bouwland (5 ha 1 a 20 ca), bos en heide (27 a 70 ca). 437-438; bouwland (71 a 60 ca) en bos (9 a). B 138-140; heide (dennen); 2 ha 87 a 70 ca. 393-394; bouwland (54 a 90 ca) en heide (80 a 80 ca). 588-589; bouwland; 1 ha 74 a 60 ca. Zie ook: Achelmansbos, Berenboske, Boske, Eikelbos, Eikenboske, Molenboske. |
Behalve in Eikelbos (z.a.) heeft bos betrekking op laagstammig houtgewas of op met dennen beplante heide. |
|
| 50. | Bosbeemd: Dennenbosch en eijkenbosch genaemd bosch bemd, Morren 1847, min. 42.
Perceel met veel houtbegroeiing (eik). |
| 51. | Boske: Cavel int beusken, 1739, WG 14, 230 vo; twee cavel bempt in het bosken, 1784, WG 16, 303 vo. - A 419; heide; 3 a 90 ca. |
| 52. | Boskesveld: Bouwland en heide genaemd het boschkensveld, Wilsens 1866, min. 96. - B 1054-1056; bouwland (1 ha 87 a 50 ca) en struwelen (het boske! - 23 a 30 ca). |
| 53. | Boven (de) Dijk(beemd): Bempd genaemt boven dijck bempd, 1752, WG 14, 264; eenen beemd en heide
genaemd boven den dijk, Tielen
1865, min. 137. - A 25-26; hooiland; 58 a. Naar de ligging ‘boven’ de weg de Kenensdijk (nr. 169, 1). |
| 54. | Bovenste Straat: De bovenste
straat, G 1978. Recentere naam voor Kleine Houterstraat (nr. 181), gelegen - gezien vanuit het Dorp - boven of achter de Houterstraat (nr. 154). |
| 55. | Bovenste Veld: Het bovenste veld,
V. - A 411-418; bouwland (1 ha 63 a 20 ca) en bos (5 a 30 ca). Bovenste = achterste (teg. onderste = voorste), wijzend op de ligging van de percelen ten opzichte van de boerderij. |
| 56. | Bovenste Weide: De bovenste weide, V. - A 313-314; hooiland (77 a 60 ca) en bos (14 a 20 ca). - Ook broek (nr. 58) genoemd. |
| 57. | Bremveld(je): Het bremvelt, 1718,
WG 14, 144; int bremveltien, 1749, WG 14, 255 vo; het bremveltie oft savelveltie,
1772, WG 16, 198. - A 232-234: bouwland (1 ha 43 a 20 ca), dennenbos (29
a 60 ca) en kreupelhout (13 a 60 ca). Zavelgrond (savelveltie), vroeger (geheel of gedeeltelijk) begroeid met brem (genista). Vgl. Zavelveldje (nr. 370). |
| 58. | Broek: Het broek, V. - A 313-314;
hooiland (77 a 60 ca) en bos (14 a 20 ca). - Ook bovenste Weide (nr. 56)
genoemd. Zie ook: Achterste Broekske, Begijnenbroek, Beyenbroek, Bollisbroek(en), Goed Broek, Groot Broek, Huisbroek, Klein |
Broekske, Krijnsbroek, Mollemerbroek, Oomsbroek, Paal-(broek),
Tichelovensbroek, Wijchmaalsbroek, Zuur Broek. Broek betekent eigenlijk moeras, secundair (al dan niet laag gelegen) hooiland. In het noorden van de gemeente tegen de Bolliserbeek, de Kleine Beek en de Dommel liggen de beekdalgronden, thans grotendeels als hooi- of weiland in gebruik. Destijds lagen hier ook broek- of moerasgronden; vgl. ook de volgende paren; Bollis(en)/Bolliserbroek(en), Mollemerbeemd(en)/Mollemerbroek, Tichelovensebeemden/Tichelovensbroek. Door ontwatering werden vele broekgebieden tot hooilandterreinen omgevormd; na de recente rechttrekking van de waterlopen kwamen sommige gebieden zelfs vrij droog te staan. |
|
| 59. | Broek(kant): Aen het broeck,
1634, WGM 6; erffue aen het brock gelegen, 1641, WG
11; aen den broekkant, 1778, WG 16, 234; 1792, id.,
364 vo; B 1845. Kleine nederzetting - in 1844 enkele winningen - aan de huidige Broekkanterstraat, genoemd naar de ligging naar de kant of zijde van een broek- of depressiegebied, thans bekend als Mollemerbroek/Mollemerbeemden. |
| 60. | Broekkanterbeemden; Broekkanter
beemden, B 1845. Het beemdcomplex bij de nederzetting de Broekkant, gelegen in de Mollemerbeemden (perceel A 296 e.a.). |
| 61. | Broekkanterbeemdweg: Broekkanterbeemdweg (22), chemin de la bruyère dite broekkanter heide aux prairies dites broekkanter beemden, B 1845. |
| 62. | Broekkanterheide: Broekkanter
heide, B 1845. Enkele heideperceeltjes (A 283 e.a.), gelegen bij de nederzetting de Broekkant. |
| 63. | Broekkantkerkpad: Broekkant
kerkpad (57), chemin de wijchmael au lieu dit broekkant, B 1845. Kerkpad doorheen de landerijen van de nederzetting de Broekkant naar de dorpskerk. |
| 64. | Broekkanterstraat: Broekkanterstraet, B 1845; broekkanterstraat, G
1978. Weg langs de nederzetting de Broekkant, parallel met de Dommel. Typisch voorbeeld van een straatnederzetting in de Kempen. |
| 65. | Buntensgoed: Buntens goed, B
1845. Winning met aangelegen grond, kadastraal B 507-516; 6 ha 6 a 20 ca. In 1796 was het goed bewoond door Joannes Buntiens, gedoopt in Zolder, en op 25.7. 1770 gehuwd met Lucia van Hove uit Eksel. In 1844 in het bezit van de weduwe Jan Mathijs Moons uit Eksel (K 1844). |
| 66. | Burgemeesterstraatje: Burgemeesters
straetje (37), chemin du lieu dit tichelhovenschen beemd dijk
aux prairies dites tichel-hovensche beemden, B 1845. Mogelijk genoemd naar Jan Rijskens, in de jaren veertig van de vorige eeuw burgemeester van Wijchmaal; hij bezat vele gronden te Wijchmaal, o.m. aan deze weg palend. Vgl. Schepenenweg (nr. 299). |
||
| 67. | Dagmaal: Een hooiland genaemd het
dagmael, Tielen 1862, min. 146. - A 75; 30 a
80 ca. Benoeming naar de grootte. Een dagmaal is een landmaat, overeenkomend met 100 kleine roeden of 1/4 bunder; vgl.: ‘een sille oft hondert roijen’, 1678, CC 973. |
||
| 68. | Degensbemke; Degens bemke, V. - A
615; hooiland; 41 a 20 ca. Naar Antoon Degens, kerkmeester in het begin van deze eeuw. |
||
| 69. | Delle(veld): Een stuck landts genaempt delle veldt, 1725, WG 14, 187; delle, K 1844
en 1953; een huis met aenhoorig land genaemd delle,
Wilsens 1864, min. 9. - B 164-173; huis met
aangelegen bouwland (96 a 60 ca), dennebos (49 a 50 ca) en struwelen (44
a 60 ca). Del(le), bijvorm van dal ‘laagte, zonk’: lager gelegen (en ontgonnen) percelen in het Tichelovensheike. In 1844 - mogelijk ook eerder - bevond zich hierop een geïsoleerde winning, bewoond door Leonard Vranken (K 1844). |
||
| 70. | Derde Bollis: Die derde bollis,
1718, WG 14, 144 vo. Vgl. ook Tweede Bollis (nr. 345). Diverse stukken in éénzelfde complex en aan dezelfde eigenaar toebehorend worden soms door rangtelwoorden van elkaar onderscheiden. |
||
| 71. | Diestersebaan (-dijk): Aen de
diesterbaen, K 1844 en 1953; diesterschen
dijk, B 1845; diestersedijk, G 1978. Deel van de oude dijk ‘weg’ naar Diest; het tracé van deze dijk vanuit Noord-Limburg kan op kaart gebracht worden. |
||
| 72. |
Dijk
|
|
|||||||
| 73. | Dijk(er)beemd: Den dijck bempt
ontrent den peerder dijck gelegen, 1780, WG 16, 264 vo; eenen bemd genaemd dijkerbemd, Morren 1845, min. 133; een perceel hooiland en heide genaamd
dijkerbeemd, Wilsens 1868, min.
41. - A 327-328 (hooi- en bouwland, 67 a 30 ca), A 351-352 (hooiland, 54
a 60 ca) en B 760-761 (hooiland, 37 a 70 ca). Benoeming naar de ligging bij of in de buurt van de Dijk(erstraat). Ook andere daarbij gelegen perdelen werden zo (toevallig of permanent) genoemd; zie ook de volgende nummers die hierop duidelijk wijzen. |
||||||
| 74. | Dijkbeemdweg: Dijkbeemdweg (44),
chemin du lieu dit dijkerveld aux prairies dites dijkerbeemden, B 1845.
Beemdweg naar de Dijkerbeemden, o.a. naar perceel A 351-352 (cfr. vorig nummer). |
| 75. |
Dijkerbeemdweg
|
||||
| 76. | Dijkerheike: Een perceel heijde in het
dijkerheijken, Morren 1847, min. 70. Door verkeerde splitsing en/of volksetymologie tot Eikerheide: Eijker heij, K 1844; eikerhei, B 1845; eijker hei, K 1953. - B 695, 710, 713-722; gemeenteheide (1 ha 18 a 20 ca; B 695) en heide, resp. dennenbos in privaat bezit (3 ha 24 a 70 ca). |
||||
| 77. | Dijkerstraat: De dijckerstraet,
1714, WG 14, 120 vo; dijkerstraet,
B 1845; dijkerstraat, G 1978. Dijk ‘weg’ naar Peer of Eksel. Dijkerstraat is eigenlijk tautologisch, daar dijk = straat (cfr. nr. 72, 1). |
||||
| 78. | Dijkerveld: Het dijcker veldt,
1741, WG 14, 236 vo; het deycker
veldt, 1782, WG 16, 282 vo; perceel land
genaemd het dijkerveld, Morren
1845, min. 133. - B 704, 706-709: bouwland (1 ha 29 a 10 ca), heide (26
a 10 ca) en bos (20 a 70 ca). Benoeming naar de ligging tegen de Dijk(erstraat). Veld hier in de betekenis van een perceel bouwland. |
||||
| 79. | Dillenveld: Het dillen velt,
1701, WG 14, 37. Het eerste lid is een psn. Vgl.: Nijs dillen, 1568, WG 2, 44; Geerit Dillen, 1607, WGM 10; Dillen erffue inden horninck gelegen, 1666, WG 13. |
||||
| 80. | Dorp: Int dorp gelegen, 1722, WG
14, 165 vo; wijchmael het dorp, K
1844. Het dorpscentrum bij de parochiekerk. |
||||
| 81. | Drie Hoeven: Eene boere plaats genaamd de drie hoeven, Morren 1834, min. 52; les maisons dites drijhoeven, B 1845; boere plaets op de haute straet genaemd de drie hoeven, Wilsens 1854, min. 130. |
Drie bij elkaar gelegen hoeven ‘boerderijen’, in het begin van de 19de eeuw in het bezit van Hendrik Moors, zoon van Hubert en Elisabeth Librechts. In 1844 zelfs vier woningen (K 1844).X-Dries: zie Lange Dries, Paddries. |
|
| 82. | Eegdenhoek: Den ede hoek, 1739,
WG 14, 230 vo; den eghden hoeck,
1771, WG 16, 189. Benoeming naar de driehoekige vorm zoals een eg, dial. eegd(e); eigenlijk tautologisch, daar eegde reeds op de hoekvorm wijst. Vgl. Eggebek (nr. 84).X-Eendenpoel: zie Kloosterseendenpoel. |
| 83. | Eerdekensbeemd: Dierick eerdekens
bampt, 1658, WG 13; aerdt eerdekens bampt,
1733, WG 14, 219 vo. Het eerste lid is de psn. Eerdekens = Aardekens, genitief van de verkleinvorm van Aard, verkorte vorm of vleivorm van Arnold. |
| 84. | Eggebek: Egge bek, K 1844 en
1953; egebek, B 1845; eygebek,
id. A 422-423 (bouwland en bos, 2 ha 34 a 70 ca), 658-659 (bouwland en bos, 53 a 80 ca). B 451-452 (bouwland en bos, 46 a 70 ca), 584-589 (bouwland en heide, 3 ha 22 a 40 ca). Percelen uit het laatste complex worden ook Bos (nr. 49) en Steenovenveld (nr. 321) genoemd. Perceel A 658-659 wordt in de volksmond ook Eegdenhoek genoemd. Vormaanduiding: percelen uitlopend in een punt of bek. Vgl. Eegdenhoek (nr. 82). |
| 85. | Eggebekstraat: Eggebekstraat, G
1978. Recent ingevoerde straatnaam naar de Eggebek (B 584-589); de oudere naam voor deze weg is Karstraat (nr. 165). |
| 86. | Eikelbos: Bij den eeckelbosch
gelegen, 1720, WG 14, 155. Eikelbos = eikenbos; de eikel is eigenlijk de vrucht van de eikeboom. Ligging van het bos is onbekend. |
| 87. | Eikenboske: Het eikenboske, V. -
A 528 (bos, 8 a 50 ca) en B 640-641 (bouwland, 28 a 70 ca, en bos, 7 a
70 ca). Laagstammig eikenboske (A 528) en houtwal (B 641). |
| X Eikerheide: zie Dijkerheike | |
| 88. | Eikerveld: Een stuck lant genaemt het
eijcker velt aen de kercker straet gelegen, 1768, WG 16, 172
vo. Vrijwel zeker identiek met Dijkerveid (nr. 78), gelegen aan de Kerkstraat, het verlengde van de Dijkerstraat. Vgl. ook Dijkerheike/Eikerheide (nr. 76).X-Eind: zie Peggeneind. |
| 89. | Ekselsebeemd: Den exelsen bempt
geleegen over de beeke, 1784, WG 16, 197 vo. Benoeming naar de grensligging met de buurgemeente Eksel: perceel aan de Bolliserbeek. |
| 90. | Ekselsvoetpad: Exelschen voetpad
(35), sentier d'Exel à Peer par le lieu dit hoogveld, B 1845. Voetpad van het dorp te Wijchmaal doorheen de landerijen naar de Tichelovenstraat; deze laatste weg leidt naar de vonder ‘brug’ op de Bolliserbeek, de grenswaterloop met Eksel. |
| 91. | Elzenvaart: Aen de elsenvaert, K
1844 en 1953; ase (sic!) vaert (63),
chemin de la bruyère dite helchtersche heide vers le hameau de boomen, B
1845. De Elzenvaart leidt over de Bolliserbeek naar Peer en Helchteren, op een punt waar drie gemeenten (Helchteren, Peer en Wijchmaal) aan elkaar grenzen. Vaart is hier ongetwijfeld te lezen als voort: oorspronkelijk ‘een doorwaadbare plaats’, vandaar ‘brug’. |
| 92. | Eusel: Die eijssel, 1634, WGM 6;
‘een’ eersel, 1715, WG 14, 124;
perceel ackerlandt genaemt de eersel boven den kenens
dijck, 1777, WG 16, 230 vo; eenen acker genaemt het eersel, 1795, WG 17. E(e)u(w)sel is een afleiding op -sel van de stam van eeuwen ‘voeren’: grasland, meestal van mindere kwaliteit. |
| 93. | Fluiter: Een stuck landts den
fleuter genoempt, 1725, WG 14, 187; een broeksken genoempt den fleuter, 1743, id., 244; eenen bampt den fluijtert genaemt, 1772, WG 16, 198 vo. Afgeleid van een psn.; vgl.: Fluijters goet, 1696, WG 14, 4 vo. - Mnl. flutere ‘fluitspeler’. |
| 94. | Gaarstuk: Stuck landts genoempt tgaerstuck, 1644, WG 12, 14 vo. Gaar = gader ‘(val)hekken’. |
| 95. | Gabriels: Eene boereplaats genaemd de
gabriels, Morren 1851, min. 2. - B 253-259.
Winning op de Hondrik, in 1844 bewoond door Anthoon Bertho. Daarnaast lag het goed van Joannes Mathijs Gabriels (B 261-265), gedoopt te Ellikom. Dit goed van Bertho en Gabriels werd voordien Linten(goed) (nr. 219) en Kerkhofs (nr. 172) genoemd, naar de vorige eigenaarsfamilies. |
| 96. | Geerman: Stuck broeks (bampt) genoimpt den geerman, 1671, WG 13; 1795, WG 17; cavel van den germen, 1739, WG 14, 231; bempt genaemt de
germen, 1784, WG 16, 304. Vermoedelijk een personificerende afleiding op -man (achteraf verzwakt tot -men) van geer, ter aanduiding van een puntig toelopend (driehoekig) perceel. |
| 97. | Geiteling: De geiteling, V. Volkshumoristische naam voor een wijk op het Tichelovensheike (thans Kapelstraat). Vroeger liet men daar de geiten - in Wijchmaal was er in het begin van deze eeuw een bloeiende geitenbond - aan tuiers grazen. |
| 98. | Gelankenis: Gelankenis, K 1844 en
1953. - B 1084; moeras; 1 ha 33 a 30 ca. Daar oudere vormen ontbreken is geen zinnige verklaring mogelijk.X-Gemeente: zie Nieuwe Gemeente. |
| 99. | Gemeen(te)heide: Die gemeijn
heijde, 1627, WG 6, 47 vo; de
gemeijn heijde, 1658, WG 13; de gemeijnte
heijde, 1765, WG 16, 180; de gemeijnte heijde,
1768-1774, CC 975, 184. De gemene of gemeentelijke heidegronden, waarvoor gemene vroente (nr. 100) een synonieme benaming is. Zie ook onder Grote Heide en Heide. |
| 100. | Gemene Vroente: De ghemeijne vroente, 1678, CC 973. - Zie ook onder Vreen (nr. 358). |
| 101. | Gieliskens(veld): Een stukje bouwland genaemd giliskens, Morren 1846, min. 11;
een bouwland genaemd de gieliskens, Tielen 1865, min. 85. - B 183-184; bouwland; 63 a 90 ca. Vgl.: Jan Gelis, 1678, CC 973. - Of is Gieliskens de genitief van de voornaam Gielis, naar een eigenaar uit de 18de-19de eeuw? |
| 102. | Gielkesveld: Gielkesveld, V. - A
229-231; bouwland (1 ha 53 a 70 ca) en bos (13 a 70 ca). Genoemd naar de 19de-eeuwse eigenaar Michiel Crijns. |
| 103. | Gijselshof: Een perceel bouwland genaemd gijzelshof, Wilsens 1855, min. 115.
- B 561-562; bouwland en bos; 7 a. Wellicht de hof ‘tuin’ gelegen bij een boerderij (B 536), vroeger in het bezit van de familie Gijsels; vgl.: Thijs Ghijsels, 1567, WG 2, 39 vo. - In 1844 eigendom van Pieter Vliegen (K 1844). |
||||
| 104. | Gijselsveld: Een perceel bouwland genaemd gijzelsveld, Wilsens 1855, min.
115. - B 579; bouwland; 1 ha 41 a 10 ca. Veld ‘huisveld’. |
||||
| 105. | Glazemakersbeemd: Bemd genaemt glaesmakers bemd, 1748, WG 14, 252 vo;
sekere bempt genaemt glaasemakers bampt, 1764, WG 16,
138. Gewezen bezit van de familie Glazemakers uit Peer.X-Goed: zie Bloksgoed, Buntensgoed, Lintengoed, Oud Goed, Stappersgoed. |
||||
| 106. | Goed Broek: Int goed broeck, 1696, WG 14, 2; cavel int goet broeck, 1725, id., 187 vo. | ||||
| 107. | Goed Lookske: Het goet leuxken,
1757, WG 16, 39; 1762, id., 116. - Zie onder Look en vgl. Kwaad Lookske. X-Gracht: zie Lange Gracht. |
||||
| 108. | Grobbenland: Dirick grobben landt, 1702, WG 14, 43. | ||||
| 109. | Grote Beemd: Den groten bampt, 1634, WGM 6; den grooten bamdt, 1757, WG 16, 38; een perceel hooiland met gracht genaemd groote bemd, Wilsens 1853, min. 230; een perceel beemd genaemd grootenbeemd, Id. 1859, min. 126. - Diverse percelen hooiland, meestal met houtwallen: A 37, 45-46 (1 ha 34 a 61 ca), 91-92 (1 ha 72 a 50 ca), 272-273 (70 a 70 ca), 604-605 (1 ha 13 a 90 ca); B 793-794 (76 a 30 ca). | ||||
| 110. | Groot Broek: Int groodt broeck, 1696, WG 14, 1 vo; 1741, id., 240 vo; het groot brouk, Brouwers 1789. | ||||
| 111. | Grote Heide:
|