terug  begin  verderprepost
[p. 231]

Hoofdstuk 11
De Vuist van Moskou in Lage Vuursche

‘Wij omringen niet meer met prestige de sombere bladzijden in de geschiedenis van ons volk, de bladzijden die verhalen van oorlogsmoorden, barbaarsheid en geweld.’

Het gedenkboek 1830-1930

Minnaert bleef zich naar vermogen inzetten voor de bevrijding van Vlaanderen. Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van België had De Dietse Bond het initiatief genomen tot de bundel Een eeuw van onrecht en verdrukking. ‘Tegenover de cynische viering vol klatergoud van de Belgische staat een waardig protest van Vlaanderen.’

Minnaert nam twee onderwerpen voor zijn rekening: Het Onderwijs in Vlaanderen en De Wetenschap in Vlaanderen.1 De Belgische staat bleef het Vlaamse volk weigeren wat het nodig had om zich als moderne natie te ontwikkelen: onderwijs en wetenschap in het Nederlands. De vergelijking met Wallonië, Nederland en ‘overige Germaanse landen’ viel steevast in het nadeel van Vlaanderen uit. Het huichelachtige ‘eerbiedigen van de minderheden’ had tal van Franse klassen voor Walen en franskiljons opgeleverd: ‘elke Franse school, elke Franse klas in Vlaanderen zal een centrum blijven van denationalisatie en zal dus moeten verdwijnen’.2 Na vijftig jaar strijd had de taalwet van 1883 wekelijks gemiddeld acht uur in het Nederlands opgeleverd; 20% van de lestijd. Toen in de jaren twintig aan de Gentse universiteit enkele colleges in het Nederlands gegeven werden, hadden de Fransgezinden een École des Hautes Études ingericht waar dezelfde professoren de colleges in het Frans herhaalden. In oktober 1929 nog was bij Koninklijk Besluit vastgesteld dat de rector van de Gentse Universiteit geen Nederlands hoefde te kennen. Hoewel de wet voorschreef dat ‘de

[p. 232]

Vlaamse taal de bestuurstaal der Universiteit is’, werden in 1930 alle faculteitsvergaderingen nog in het Frans gehouden.

Bovendien was het gehele hoger technisch onderwijs Frans gebleven. Lodewijk De Raet had geschreven: ‘Nu het industriële zwaartepunt van België zich naar Vlaanderen verplaatst, wordt goed technisch onderwijs voor ons een levensvraagstuk.’ Een kwart eeuw later, constateerde Minnaert, was er geen spat veranderd! Het recente besluit inzake de vernederlandsing van Gent werd meteen ondermijnd. De vernederlandsing op de technische scholen zou pas over vijf jaar mogen beginnen en de professoren mochten blijven doceren aan de École des Hautes Études: ‘Ontgoocheld zijn wij ook doordat we nu ontdekken hoeveel meer er nog te doen is om het gehele hoger onderwijs in Vlaanderen Nederlands te maken.’ Een Vlaams-nationale wetgeving zou het voortbestaan van dit Franse onderwijs niet dulden, kondigde hij dreigend aan.

In zijn uiteenzetting over de Vlaamse wetenschap speelde de vergelijking tussen Frankrijk en Nederland een belangrijke rol:3 ‘Iedere Vlaming die in aanraking is geweest met de Nederlandse wetenschap heeft het heerlijke gevoel van bevrijding gekend uit de eenzijdigheid der Franse beschaving.’ Minnaert roemde de aansluiting van Nederlandse geleerden bij de wereldtop. Hij prees de vele Nobelprijzen, het werk van de astronoom Kapteyn en de bioloog De Vries die ‘wereldberoemd’ waren, ‘de fabrieken der Philips' gloeilampen waar wetenschap en techniek hand in hand gaan in een mate zoals men het nauwelijks aan de allerbeste Amerikaanse fabriekslaboratoria vindt’. De Vlaamse wetenschap stond lager aangeschreven: ‘Dat blijkt uit het gehalte der publicaties; zelden wordt een Belgisch stuk in buitenlandse tijdschriften aangehaald.’ De studenten werkten schoolser en deden minder aan onderzoek: ‘Onze achterstand is de getrouwe weerspiegeling van de achteruitgang van Frankrijk als wetenschappelijk land sedert het begin der 19e eeuw.’

De Belgische Académies hadden het Nederlands een eeuw lang in de ban gedaan en hun gezag misbruikt tegen Vlaanderen. Nu de Vlamingen hun eigen Akademies voor geneeskunde en natuurwetenschap eisten, verklaarden die instituten opeens dat het Nederlands er vrijelijk gebruikt mocht worden:4 ‘Zich daaraan niet storen en het opbouwende werk rustig in eigen, geheel Vlaamse organismen voortzetten is de enige methode om eerbied af te dwingen.’ De Vlaamse kranten

[p. 233]

vertoonden nog een ‘ontzaglijke achterlijkheid’ in artikelen over wetenschap. De dominantie van het Frans had de oprichting van tijdschriften zoals De Natuur en Hemel en Dampkring verhinderd.

Hij zorgde pas aan het eind voor een positieve wending. Het keerpunt was de samenwerking geweest tussen Nederland en Vlaanderen inzake de Vlaamse Hogeschool: ‘Geen Belgische Regering heeft Nederlandse geleerden benoemd aan de Gentse universiteit, toen zij die ‘vervlaamste’: de vervlaamsing moest op z'n Belgisch geschieden! De geest mocht niet Nederlands zijn!’ De Belgische regering zal niet gecharmeerd zijn geweest van Minnaerts concrete aanklachten.

Antimilitaristisch nationalist

Eind jaren twintig dwongen het Italiaanse fascisme en de groei van het Duitse nationaal-socialisme elke nationalist tot een keuze. Minnaert verwoordde zijn standpunt op de Van Speyk-herdenking van de Vlaams-Hollandsche Vereniging te Utrecht. Die was bedoeld als een protest tegen de positieve reacties in Nederland op de viering van 100-jaar België. De ballingen herinnerden eraan dat die afscheiding een muiterij was geweest, dat er tal van Nederlandse soldaten waren gesneuveld en dat gezagvoerder Van Speyk in 1831 liever zichzelf, zijn bemanning, belagers en schip had opgeblazen dan zich over te geven.

Minnaert wilde de daad van Van Speyk echter bezien vanuit het standpunt van de antimilitaristische nationalisten:5 Hij grensde zich af van autoritaire stromingen: ‘Een ‘nationalist’ betekent in onze terminologie niet een ‘chauvinist’, die veroveren wil, die de zogenaamde heilige zelfzucht van het eigen volk boven alles stelt; het betekent ook niet ‘fascist’.’ In Minnaerts opvatting bestond er geen noodzakelijk verband tussen nationalisme en militarisme. Omdat de vaderlandsliefde nochtans werd misbruikt om mensen tot een oorlogsroes op te zwepen, ‘was er alle reden voor nationalisten zoals wij, om dit dreigende gevaar tegen te gaan, door niet alleen nationalisten maar ook antimilitaristen te zijn’.

Van Speyk was trouw gebleven aan zijn vorst en aan zijn soldateneer. Minnaerts idee van nationale ‘eer’ had daarmee niets van doen: ‘Ik zal U zeggen wanneer de eer van een land bezoedeld is: dat is wanneer men de Congonegers gaat afranselen en hun de handen afhakt als

[p. 234]

ze niet genoeg rubber opbrengen. Maar déze smetten wist men niet uit door een boot in de lucht te laten springen!’ Minnaert kon de zelfmoordactie van Van Speyk zelfs niet ‘dapper’ vinden: ‘De heldhaftigheid vinden wij in het verzet van het milde, het helder-redelijke, van de mensenliefde tegen de dierlijkheid. Een held is voor ons hij die, trots alle gevaren, grillen en nukken van het lot, van de tijd waarin hij geboren is, ondanks de kleinheid en de gemeenheid van zijn tegenstanders, trouw blijft aan zijn ideaal van vrijheid, waarheid en reinheid. (...) Wij verdedigen ons volk tegen het grootste gevaar: de verplichting om anderen te moeten doden. Niets weegt daartegen op, niets weegt op tegen de heiligheid van het leven.’

Minnaert had al zoveel oorlogsleuzen gehoord: Tegen de Engelse heerschappij op zee; Tegen het Duitse militarisme; Voor God, Vorst en Vaderland: het waren allemaal holle frasen. Na de Wereldoorlog had de Amerikaanse president Wilson vastgesteld dat die in beginsel een handels- en industrieoorlog was geweest. Minnaert had waarschijnlijk de beweging van de destijds populaire Gandhi in gedachten toen hij schreef:6 ‘Een weerbaar volk is een volk dat niet in aanbidding voor het geweld neerknielt, maar dat luistert naar zijn profeten en kunstenaars die spreken van een schoon verleden en een heerlijke toekomst: een volk dat bezoedeld is met verlangen naar gerechtigheid, dat gewapend is met het bewustzijn zijner solidariteit, dat streeft naar verdwijnen der mensenuitbuiting, dat zedelijk hoog staat en dat gelukkig leeft. Een dergelijk volk is in onze moderne tijd onaantastbaar door vreemd geweld. (...) Daarom moeten wij ophouden het ijzer te vergulden. Wij omringen niet meer met prestige de sombere bladzijden in de geschiedenis van ons volk, de bladzijden die verhalen van oorlogsmoorden, barbaarsheid en geweld.’

Hij voegde de daad bij het woord. Hij kreeg als assistent van Ornstein werkzaamheden opgedragen voor de Stichting voor Verlichtingskunde.7 Een kapitein van de Genie had om een onderzoek gevraagd naar de lichtbundels van schijnwerpers, dat had plaatsgevonden in november 1930. Minnaert begon zijn artikel Metingen aan zoeklichten met eenvoudige middelen nog met een poëtische toespeling op de Ilias:8 ‘Het toverachtige wisselspel van zoeklichtbundels in een donkere nacht, onder het hoge sterrengewelf; met tere kleurschakeringen van geel en lichtpaars, soms als hemelwaarts wijzende vingers in de verte, dan ineens als machtige lichtbogen die zich over het gehele

[p. 235]

uitspansel uitstrekken...’ Hij toonde aan dat op kleine hoogten boven de grond de verstrooiingswet van Rayleigh niet kon worden toegepast: de verstrooiing bleek 2,5 keer zo groot als voorspeld, wat Minnaert toeschreef aan verontreinigde lucht. Toch was het doel van het onderzoek minder idyllisch dan het leek.

Hij legde zijn vriend Burgers9 het morele probleem voor: ‘Meewerken voor militaire doeleinden wil ik in geen geval; in hoeverre echter kan een dergelijke overtuiging in strijd zijn met mijn plicht als ambtenaar?’ Burgers' antwoord is onbekend. Minnaert weigerde dit onderzoek voort te zetten: het werd afgemaakt door twee collega's. Ornstein gaf hem ander werk op dit terrein, gezien zijn publicatie over lichtverstrooiing door melkglas10 en zijn eindredactie van een standaardboek over Verlichtingskunde.11 Hij was inmiddels een verklaard voorstander geworden van een internationale taal. Met zijn fietspartner op het traject Bilthoven-Utrecht, de econoom W.P. Roelofs, nam hij grammaticale perikelen door.12 Esperanto is economisch, rationeel en bevordert de internationale samenwerking. Het boek over Verlichtingskunde verscheen in vijf talen én in het Esperanto.

Vond Minnaert nu dat er aan de krijgshaftige taal van het Vlaamse nationalisme inderdaad een eind moest worden gemaakt? Ja en nee. Want net als in 1916 hield hij naast zijn pacifistische en internationalistische betoog ook een ander verhaal overeind.

De man van de zuivere lijn

In 1930 schreef het Vlaams-nationale De Noorderklok over Minnaert:13 ‘In onze strijd was hij altijd een rots wat zuiverheid der lijn, ernst in het streven en hardnekkigheid in het werk betreft. Hij is niet de man van de volksbeweging, hij is de jonge kerel, die de studerende jeugd kan meeslepen, door zijn kalme, ijskoude, maar onverbiddelijke logica en uitgebreide wetenschap.’

Minnaert was kennelijk lid van de nieuwe Raad van Vlaanderen.14 Op 9 mei 1932 had hij De Vreese geschreven:15De Raad van Vlaanderen heeft een commissie benoemd voor de studie van de onderwijswetgeving; deze commissie bestaat uit een subcommissie voor het lager, een voor het middelbaar, een voor het hoger, en een voor het technisch onderwijs. In die voor het hoger onderwijs zitten prof. dr

[p. 236]

R. Speleers, prof. dr De Groodt, mr R. Van Genechten, dr A. De Waele (Gent, secretaris) en dr M. Minnaert (voorzitter).’ De brief was vertrouwelijk, omdat sommigen in België van openbaarmaking ‘de onaangenaamste gevolgen’ konden ondervinden. Deze Raad verwierp alles wat zweemde naar federalisme en kon daarom geen verzoenende rol spelen.

De IJzerbedevaart van 1932 telde liefst 200.000 bezoekers, die optraden voor volledige amnestie en een Vrij Vlaanderen. Alle Vlaamse Kamerleden steunden dat jaar de Amnestiewet: de activisten hadden een andere houding aangenomen dan de passivisten, maar toch waren zij goede Vlamingen geweest.16 Na de machtsovername van Hitler van begin 1933 kwamen flaminganten en Groot-Nederlanders voor de concrete vraag te staan of zij soms opnieuw heil verwachtten van de Duitsers? In België werd in oktober 1933 het Vlaams Nationaal Verbond van Staf De Clercq opgericht, dat het autoritaire leiderschap cultiveerde en het fascistische vertoon imiteerde. In Nederland leek de Nationaal Socialistische Beweging (nsb) van Anton Mussert zich als enige partij te ontfermen over het Groot-Nederlandse streven. Flamingante strijdmakkers van Minnaert zoals de juristen Anton Van Vessem en Robert Van Genechten bekleedden in de nsb vooraanstaande functies. Aanvankelijk leek de nsb niet warm te lopen voor het antisemitisme.

Op haar Algemene Vergadering van 3 juni 1933 stelde De Dietse Bond de staatkundige aansluiting van Nederland en Vlaanderen voorop. Eerder had het de leden vrijgestaan het culturele of het politieke aspect van hun Groot-Nederlanderschap te benadrukken.17 Het is de vraag waarom het bestuur meende dat die aanscherping opportuun was. Minnaerts spijkerharde standpunt stond dat jaar te lezen in De Dietse Voorpost,18 het blad van Roza De Guchtenaere dat de leuze Delenda Belgica, Neerlandia Una voerde: ‘Daarom is het van belang, het principiële doel van onze nationale strijd scherp en zuiver te stellen, zonder zich door tijdelijke, toevallige omstandigheden in de war te laten brengen. Alleen in een Dietse staatsvorm zal Vlaanderen ooit zichzelf kunnen worden. Tweetalige staten zijn een voortdurende oorzaak van cultuurbederf en van internationale wrijving; ze verdwijnen dan ook de een na de ander, straks zijn we vergeten dat ze er ooit geweest zijn.’

[p. 237]

Dat stond al in Minnaerts brochure van 1916. Hoe viel dit onverzoenlijke standpunt te rijmen met zijn pacifistische rede? Zijn krijgshaftige retoriek en zijn vreedzame ideaal van internationale broederschap stonden nog steeds los van elkaar. De dominerende invloed van Hitlers nationaal-socialisme maakte een verbinding van die twee onontkoombaar. Het moment en de plaats van die kortsluiting zijn bij Minnaert heel precies vast te stellen.

Minnaert uit België geweerd

De uitdovingswet van 1929 had Minnaert buiten vervolging gesteld: in 1932 liet hij zich naturaliseren tot Nederlander. Hij kon zijn familie en vrienden zoals de Mahy's zo vaak als hij wilde bezoeken. Volgens Rudolf Mahy waren er veel raakpunten tussen Minnaert en zijn vader Gaston: ‘Mijn vader hield van het idealisme van Nieuw land onder de ploegvan Sjolochov. De Wereldbibliotheek kwam met tal van Russische uitgaven. Dat was voor ons verplichte lectuur: ‘Daar bouwt men op een vredelievende manier op.’ Vader kreeg van Minnaert indertijd een boek toegestuurd van Rabindranath Tagore, daaruit las hij aan tafel voor. De politiek van Gandhi: dat was hún perspectief: ‘Zie wat die kleine man bereikt en hij schreeuwt daar niet voor zoals die bij onze Oosterburen met zijn bles.’’ Zijn vader was ook bevriend met de graficus Frans Masereel, de Gentse pacifist met wie Minnaert zielsverwantschap gevoeld moet hebben. Deze herinnering van de jonge Mahy plaatst Minnaerts ideaal van geweldloosheid in een politiek perspectief dat door organisaties als Kerk en Vrede werd gedeeld.19

De Dietse Landdagen mochten met ingang van 1931 ook in Vlaanderen worden gehouden. Dat jaar was de bijeenkomst in Gent zonder incidenten verlopen. Op de Landdag van 1932 te Utrecht had Minnaert een avondprogramma verzorgd over Moderne Nederlandse Filmkunst. De criticus A. van Domburg toonde in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen de films Zuiderzee en Heien van Joris Ivens naast Pierement van J. Theunissen.20 Tijdens de Landdag in Mechelen van 1933 zette de Belgische Veiligheidsdienst21 zonder opgaaf van redenen drie Nederlanders over de grens: de schrijver Anton Coolen, de historicus Geyl en het katholieke Kamerlid dr H. Moller. De Belgische pers nam Minnaert onder schot. De Gazette van Gent schreef: ‘Onder dit fraai

[p. 238]

gezelschap bevond zich een gewezen Gentenaar en Belg, zekere Minnaert (Marcel), waarvoor zijn vader, een goede liberale Vlaming en voorman van het Willemsfonds, zou blozen... Hij bekwam voor bewezen diensten in de oorlog, de Hollandse nationalisatie en werd dus Hollander. Holland is niet vies zulke ter dood veroordeelden, die hun land verraden hebben wanneer zij als student jaarlijks duizenden aan België hadden gekost, als burger aan te nemen. Merci...’ Het Handelsblad van Antwerpen noteerde dat ‘zekere Minnaert’ het woord voerde, ‘in België na de oorlog wegens politiek misdrijf ter dood veroordeeld’. Deze Vlaamse bladen waren niet vergevensgezind en namen het evenmin nauw met de waarheid.

Op de Landdag van 1934 te Tilburg waren 250 deelnemers en kregen de Vlamingen van de Nederlandse regering een spreekverbod. Minnaert besprak er ‘de bijzondere taak van de jeugd in de Dietse beweging’. Er werden gedichten gedeclameerd van de overleden René De Clercq. Tijdens de Landdag van 1935 te Mechelen werd Minnaert zonder speciale aanleiding België uitgezet. Hij kreeg het verbod ‘nog ooit de grens van deze staat te overschrijden’:22 ‘Meer eer kan een Vlaams-Nederlander bezwaarlijk ten deel vallen,’ meende De Dietse Gedachte.

Het gedenkteken voor René de Clercq

Op 12 juni 1932 was de Vlaamse dichter René De Clercq begraven in het Utrechtse Lage Vuursche. Twee jaar later kwam er een Comité voor een gedenkteken tot stand; er werd een girorekening geopend23 en een aanbevelingscomité van 125 mensen opgericht. De Amsterdamse medicus H. Burger, voorzitter van De Dietse Bond, zat het Comité voor, Borms was erevoorzitter en Minnaert gewoon lid. De onthulling zou plaatsvinden op zaterdag 19 september 1936. De organisatie van deze manifestatie was uiteraard in handen van Minnaert.24 De dichter zou op zijn graf een sculptuur krijgen van zijn vriend Jozef Cantré.

Minnaert had verschillende signalen gekregen die erop wezen dat er moeilijkheden op komst waren. Zo had Burger zich op 20 juli met richtlijnen tot zijn ‘waarde vriend Minnaert’ gewend:25 ‘Ik leef in vreze, over hetgeen Van Vessem ons zal bereiden. Het zou mij niet ver-

[p. 239]

wonderen, wanneer er heel wat mensen kwamen op het kerkhof in Lage Vuursche, die bij De Vlaamse Leeuw met hun hand in de lucht staan.’ Op 11 september had Minnaert een brief gekregen van Boudewijn Maes uit Sint Martens Latem.26 Die had eind april in Amsterdam gesproken met Ria De Clercq en enkele vrienden: ‘Daar vernam ik voor 't eerst dat er vanwege zekere mensen gemanoeuvreerd werd, om zich van de onthulling van René's gedenkteken meester te maken ten einde deze plechtigheid in het teken van fascisme of nationaal-socialisme te doen plaatsen.’ Hoewel Minnaert weet had van de fascistische overtuiging van Van Vessem, Van Genechten en van de pro-Duitse gezindheid van veel oude strijdmakkers, liet hij deze waarschuwingen niet tot zich doordringen.

Die middag werden er de godsvrede indachtig kransen gelegd door ddb, anv, Raad van Vlaanderen, de Grijze Brigade van het Vlaams Nationaal Verbond, Zuid-Afrikaanse groeperingen, nsb, Nationale Jeugdstorm en Zwart Front.27 Burger legde de symboliek uit van Cantrés sculptuur: ‘De Clercq oprijzend in de tuin van Dietsland: met het aangezicht naar de zon gekeerd drukt hij De Noodhoorn tegen zijn hart,28 terwijl de linkerhand het verband vasthoudt met de moederaarde Dietsland.’ Een Utrechts koor zong liederen van De Clercq op toonzetting van de componist Jef van Hoof. Het hoogtepunt was de declamatie door Magda de Groodt van enkele verzen zoals Belijdenis:

 
‘Nederland, mijn land geworden.
 
Zorg dat Vlaandren niet vergaat.’

Jeugdstormertjes in uniform marcheerden daarop het kerkhof rond. Bij het zingen van de nationale volksliederen bracht de meerderheid van de aanwezigen de fascistengroet. Als protest hieven Jozef Cantré en Minnaert bij het Wilhelmus en De Vlaamse Leeuw de gebalde vuist, zo meldde het sociaal-democratische Het Volk en voegde eraan toe:29 ‘In naam van René De Clercq's nagedachtenis protesteren wij met klem tegen de ongehoorde opdringerigheid der fascistische vijanden van de vrijheid en wij maken er het comité een ernstig verwijt van, dat het deze schending van De Clercq's graf niet heeft weten te voorkomen.’ Het blad noemde de Vlaamse volksdichter De Clercq een sociaal-libertijn, die niets met fascisme te maken had willen hebben.

[p. 240]

Minnaerts ‘vuist van Moskou’

Tijdens de maaltijd herhaalden de nationaal-socialisten hun vertoon en opnieuw hief de nu eenzame Minnaert de vuist. De fascisten bedreigden hem en uiteindelijk verliet Minnaert de eetzaal. Het nsb-blad Volk en Vaderland30 hekelde het commentaar van Het Volk: intieme vrienden van De Clercq zoals Borms, Jacob en Van Vessem stonden op de eerste rij en brachten ‘in de geest van de dichter’ met honderden anderen de Dietse groet: ‘Wij weten niet of dr. Minnaert en Jozef Cantré de schaamteloze opzet hebben gehad - geheel buiten de voorkennis van de familie en het comité - deze herdenking voor een manifestatie van rood-politieke gezindheid te misbruiken; in elk geval benut Het Volk - wellicht uit spijt over de mislukking van zodanige wederrechtelijke annexatie - de gelegenheid, ook eens een Dietse toon aan te slaan, om de klandizie uit te breiden.’

Voorzitter Burger billijkte daarentegen Minnaerts optreden:31 ‘Zijn gebalde vuist was zeker niet gericht geweest tegen de prinses of tegen het Wilhelmus, maar wel tegen de fascistengroet zijner buren. Het zij gezegd, dat deze man geen communist is, maar wel een onverdacht idealist, met een hartgrondige haat tegen het fascisme.’ Burger vond dat Minnaert het recht aan zijn zijde had. Betogingen voor fascisme, voor communisme of voor welk isme ook gaven geen pas: ‘Kunnen wij echter op grond van ons staatkundig geloof, zulk een betoging niet achterwege laten, dan gebiedt de rechtvaardigheid en de verdraagzaamheid, dat wij ook anderen toestaan op even stilzwijgende wijze hun opvatting te doen blijken.’ Op 2 oktober weigerde Burger Minnaerts opzegging als lid van de Bond te aanvaarden:32 ‘Voor De Dietse Bond hebben Van Vessem en Van Genechten als lid bedankt. Uw terugtrekking uit de Dietse beweging mag in geen geval gebeuren. Het is dringend nodig, dat naast de fascisten er ook een neutrale Dietse beweging blijft bestaan. Geen van ons mag daarbij ontbreken.’

Aan het eind van 1936 werd De Dietse Bond onaangenaam verrast door politieke manoeuvres in België waar de Vlaams-nationale vnv van Staf De Clercq een samenwerkingsverband was aangegaan met het Waals-fascistische Rex van Léon Degrelle. Dat was een schok voor veel Groot-Nederlanders. Tezelfdertijd wierp de nsb elke Dietsgezindheid van zich af. Onder invloed van de nieuwbakken ideoloog Rost van Tonningen was de politiek van Hitler de leidraad voor haar

[p. 241]

handelen geworden. Dietse doeleinden bevorderden de Germaanse ideologie, wat een drempel kon opwerpen tegen de aanvaarding van Hitlers nationaal-socialisme.33 De nsb moest de ideologische ommekeer afdekken. Ze deed dat over de rug van Minnaert, die zich bij nader inzien als een ideale zondebok had aangeboden.

Op 16 oktober juichte het nsb-blad Volk en Vaderland:34 ‘Vlaanderen tegen Moskou; Akkoord tussen Rex en vnv; Vrede tussen Vlaanderen en Wallonië’. Op 23 oktober stond in De vuist van Moskou Minnaerts optreden in Lage Vuursche centraal:35 ‘Het vertonen van de vuist van Moskou in De Dietse Bond heeft ons veel geleerd en ons veel duidelijk doen worden.’ Op 13 november dikte de redactie dat aan36 met koppen zoals In de greep van Moskou; De Dietse Bond verworden tot een mantelorganisatie. Volgens het blad speelden de ‘Joodse marxisten’ in ‘onze vereniging’ plotseling een leidende rol:37 ‘De tactiek van Dimitrof had gezegevierd over het vage nationalisme ener ruggengraatloze intelligentsia en heeft dit nationalisme omgebogen in de richting van Moskou’. Het artikel keerde zich frontaal tegen ‘Dr Minnaert, de Belgische communist, wie een betreurenswaardige naturalisatie het Nederlandse staatsburgerschap verleende’.

Burger spotte in De Dietse Gedachte.38 ‘Arme Mr Van Vessem! Jaren lang heeft hij met een allergevaarlijkste communist, met Joodse marxisten en met een stel ruggengraatloze invaliden eendrachtelijk samen gezeten in De Dietse Bond. Als door een wonder is hij hier heelhuids afgekomen. Ja, goddank, de nsb heeft zijn ogen geopend en hem duidelijk doen zien, dat al zijn vroegere wapenbroeders volksgevaarlijke individuen zijn en zijn Dietse Bond een willoos werktuig in de hand van Moskou. Hou zee!’ Minnaert was natuurlijk geen ‘communistisch cellenbouwer’. Waarom wilde Van Vessem dat niet zien: ‘Of heeft de kreet Op tegen Moskou bij U, als bij zovele Vlamingen, alle aandacht voor onze Groot-Nederlandse zaak op de achtergrond gedrongen?’

Van Minnaert kwam nog Een brief39 waarin hij ontkende op enigerlei wijze partijgebonden te zijn: ‘Toen ik tegen de fascistische demonstratie bij de René De Clercq-hulde de vuist balde, was dit uitsluitend een antifascistisch gebaar.’ De impulsieve Minnaert had ondubbelzinnig gekozen voor internationalisme en antifascisme. De NSB had hem misbruikt om haar vaandelvlucht te maskeren. Zijn naam lag twee maanden lang over straat. Hij schreef in zijn

[p. 242]

Dagboek:40 ‘De colleges in de astronomie tijdelijk door Van der Bilt alleen gegeven, de toekomst voor mij somber.’ Er was inderdaad een onderzoek naar zijn politieke opvattingen ingesteld.

Schorsing wegens communisme afgeblazen

Bij het College van Curatoren kwam op 5 november 1936 een brief van de minister van o, k & w, ‘afdeling Kabinet’, binnen die aandrong op het onmiddellijk schorsen van Minnaerts lessen en het instellen van een politiek antecedentenonderzoek.41 Daarop wendde secretaris De Geer zich tot de Utrechtse hoofdcommissaris (hc) ‘teneinde zo mogelijk nadere gegevens over de politieke gezindheid van belanghebbende te ontvangen’. De hc hoorde zijn inspecteurs en berichtte De Geer telefonisch. Die schreef een Notitie voor het College:42 ‘Destijds is bij geruchte medegedeeld dat M. sympathie heeft voor de c. partij, waarna op M. werd gelet. Nooit enig bewijs gekregen. Er is nooit iets geweest, dat daarop wijst. M. bezoekt geen c. vergaderingen. Bij de hoogleraren kan moeilijk worden geïnformeerd. Daarna kwam het incident aan de maaltijd. Prof. Burger schreef daarop het artikel in De Dietse Gedachte. Voor de Vreemdelingendienst is het daarin gestelde niet onaannemelijk.’ De hoofdcommissaris waarschuwde voor geruchten, die vaak verspreid werden door mensen die daarmee bijbedoelingen hadden: ‘Naar de hc meent zijn er te weinig gronden om M. in zijn loopbaan tegen te houden. De zaak is daartoe veel te zwak. Mogelijk is, dat de nsb zoude protesteren tegen toelating.’

Die ‘toelating’ sloeg op Minnaerts verzoek zijn privaatdocentschap in de didactiek en methodiek der natuurkunde, dat hij al jaren onbezoldigd uitoefende, te bekrachtigen. Zijn Adres had hij geschreven op 26 november,43 direct na zijn schorsing. Waarschijnlijk wilde Minnaert een uitspraak forceren over zijn toekomst. Op 7 december ontvingen Curatoren een uiterst positief advies van het faculteitsbestuur. Het College stelde zich op haar beurt vierkant achter Minnaert op en schreef de minister: ‘Aangezien ook overigens geen bezwaren tegen toelating kunnen worden aangevoerd, hebben wij de eer Uwe Excellentie een gunstige beslissing voor te stellen in deze zin, dat adressant overeenkomstig het gestelde in het ambtsbericht van de faculteit

[p. 243]

wordt toegelaten tot privaatdocent in de didactiek en methodiek der natuurkunde.’

Minnaerts verzoek lijkt de afwikkeling te hebben versneld. Minister J.R. Slotemaker de Bruïne besloot op 10 februari 1937 conform de aanbeveling en stelde Minnaert daarvan op 19 februari persoonlijk op de hoogte. De onzekere situatie had drie maanden geduurd.

Minnaert was in 1936 na het overlijden van hoogleraar sterrenkunde A.A. Nijland echter in aanmerking gekomen voor een lectoraat in de astronomie. Op verzoek van Ornstein had hij, samen met Van der Bilt, Nijlands lessen overgenomen. Ornstein had Minnaert toen nadrukkelijk gezegd dat hij daarvoor in aanmerking kwam. De schorsing had deze bevordering doorkruist.

In die bange novembermaand had Minnaert tevens een project in werking gesteld, dat hem grote faam zou bezorgen.

1Ook gepubliceerd in DDG 4, de nummers 10, 11 en 12. Minnaert, M., Het Onderwijs in Vlaanderen, 57, en De Wetenschap in Vlaanderen, 67.
2In De Dietse Gedachte was zojuist een controverse uitgevochten met Ph. Kohnstamm, ook een pionier van de natuurkundedidactiek. Kohnstamm wilde op de lagere school het Frans als tweede taal invoeren. Dit heeft Minnaert zeer van Kohnstamm vervreemd. E. Besse, 3, 33, 49, hekelde de ‘fransdolle geest’ van het ‘Nutsrapport’.
3In zijn brochure over Pierre Curie hekelde Minnaert de stand van zaken in de Franse natuurwetenschap van het begin van de 20e eeuw door die in ongunstige zin te vergelijken met haar pioniersrol van een eeuw daarvoor. Curie was dan dé uitzondering.
4Die Nederlandstalige Academies zouden er in de loop van 1938 komen.

5Minnaert, Van Speyk en zijn daad, gezien van het standpunt der antimilitaristische nationalisten, DDG 5, 1930-1931, 157.
6Romain Rolland, Mahatma Gandhi, Amsterdam 1930. Behalve Gandhi wordt ook zijn tegenvoeter Rabindranath Tagore, die Minnaert eveneens bewonderde, behandeld.
7Heijmans, 1994, 117.
8Minnaert, (1931c).
9Minnaert aan Burgers, 2 december 1930. Heijmans, 1994, 127.
10Minnaert, (1935a).
11Standaardwerk over Verlichtingskunde, Utrecht 1936.
12Interview met W.P. Roelofs.

13Flor, waarschijnlijk pseudoniem van Jan Wannyn, Een tweede Pro Domo voor de familie Minnaert in: De Noorderklok van 25 mei 1930.
14Volgens DDG, die het voornemen vermeldt op 11 februari 1931, werd de Raad op 15 maart opgericht.
15Brieven Minnaert aan De Vreese, onder meer van 9 mei, 8 juni, en 18 december 1932. De Vreese bouwde destijds als Rotterdams bibliothecaris de unieke verzameling van en over Erasmus op. Archief-Dousa RUL.
16Een Amnestiewet kwam er pas op 13 juni 1937: de verbeurdverklaarde goederen werden niet teruggegeven en de functies in het maatschappelijk leven niet hersteld. De activisten kregen wel hun burgerrechten terug! Ter dood veroordeelden zoals Borms konden niet verkiesbaar gesteld worden. De materiële kant van de wet bracht opnieuw verbittering in activistische kring. Iemand als Minnaert kon wel in België gaan werken.
17De literator G. Knuvelder ging hierover nog in discussie en werd door de redactie terechtgewezen. DDG 11, 1936, 49.
18Minnaert, oktober 1934. Het Latijnse motto: ‘België moet verwoest worden, opdat Nederland één worde!’

19Molenaar, 1994, 20.
20DDG 6, 1931-1932, 192. Dit detail is opgenomen omdat Minnaert de experimentele geluidsfilm kennelijk een goed hart toedroeg. Veel filmliefhebbers zworen indertijd bij de artistiek superieure stomme films en keerden zich fel tegen de introductie van het geluid, zoals de eerste jaargangen van Menno ter Braaks Filmliga aantonen.
21DDG 8, 1933-1934, 66.
22DDG 12, 1937, 96.

23Comité voor René De Clerq. Hij had in Hollandse Rading een buitenhuis van zijn vriend Anton Pieck bewoond, DDG 7, 1932-1933, 1-3.
24Oproep voor 19 september 1936 in DDG 11, nummer 7.
25H. Burger aan Minnaert, 20 juli 1936.
26B. Maes aan Minnaert, 11 september 1936.
27Verslag in DDG 11, nummer 11.
28De Noodhoorn was een bundel Vaderlandse Liederen van De Clercq, Amsterdam 1927 (tweede druk), die schreef: ‘In heilige bewondering draag ik De Noodhoorn op aan dr August Borms, Vlaanderens grootste man.’ De Clercqs eerste gedicht over Borms dateert van 1917. De dichter was overleden voor de scheiding der geesten binnen het Vlaams nationalisme.
29Het Volk, 21 september 1936.
30Volk en Vaderland, 21 september 1936.
31Burger, H., DDG, nummer 11.
32Burger aan Minnaert, 2 oktober 1936.
33Etten, H.W. van, De Duitsers en het Dietse streven, typoscript RIOD Amsterdam.
34Volk en Vaderland, 16 oktober 1936.
35Volk en Vaderland, 23 oktober 1936.
36Volk en Vaderland, 13 november 1936.
37De Bulgaarse communist Dimitrof was vrijgesproken van brandstichting van de Reichstag en werd in 1935 de woordvoerder van de Communistische Internationale (Comintern) inzake het eenheidsfront tegen het fascisme. Communisten moesten de fascisten isoleren en bestrijden in alle ‘massa-organisaties’. Volk en Vaderland beweerde dus dat Minnaert deze tactiek in De Dietse Bond had toegepast.
38Burger in DDG, De NSB tegen Groot-Nederland, 11, 1936, 113.
39Minnaert, in DDG 12, 1936.
40Minnaert, Dagboek, winter 1936.

41Er volgde een ambtsbericht van secretaris De Geer aan het College van Curatoren, dat aan het verzoek van de minister voldeed. Archief-Curatoren in Het Utrechts Archief.
42Notitie van De Geer van 11 januari 1937. Belangrijk was slechts of hij c. was, dus ‘communist’.
43Minnaerts Adres is van 26 november 1936. Op 16 november had hij uitgeverij Thieme geschreven over De Natuurkunde van 't Vrije Veld.
prepostterug  begin  verder