terug  begin  verderprepost
[p. 530]

Noten bij deel II

Wetenschapshistorische bronnen

Bij de aanvang van deel ii staat de vraag centraal hoe het wetenschapshistorisch te verklaren valt dat Minnaert een verbindende schakel kon zijn in de ontwikkeling van zonnefysica én spectrometrie en in korte tijd een grondlegger van de moderne astrofysica kon worden. Bij het antwoord op die vraag hebben vier publicaties een rol gespeeld.

De eerste is die van de Duitser Klaus Hentschel die via een studie over Einstein in aanraking kwam met het onderzoeksprogramma van Julius in Utrecht. Veel wetenschapsgeschiedenis gaat over geslaagde ontwikkelingen: Hentschel vond het minstens zo interessant eens te bezien waarom en hoe bepaalde programma's falen en gebruikte dat thema voor een seminar in de wetenschapsfilosofie in Hamburg (1991). Minnaert werd in Utrecht de meesterleerling van Julius en wordt als zodanig door Hentschel opgemerkt en als getuige opgevoerd. Het boek van Hentschel, Julius und die anomale Dispersion: Facetten der Geschichte eines gescheiterten Forschungsprogrammes, leverde de achtergrond voor de behandeling van Julius' Heliofysisch Instituut en voor de astrofysische loopbaan van Minnaert tussen 1918 en 1926.

De tweede is de dissertatie van Han Heyijmans (1994), die gaat over het werk van het Utrechtse Fysisch Laboratorium: Wetenschap tussen universiteit en industrie; De experimentele natuurkunde in Utrecht onder W.H. Julius en L.S. Ornstein 1896-1940. Heijmans behandelt in extenso de verdiensten van Ornstein. Ook besteedt hij even aandacht aan het fotometrische werk van Minnaert aan het instrument van Moll. Beide publicaties zijn godsgeschenken voor de biograaf, die anders verdronken zou zijn in het oeverloze astrofysische en fysische feitenmateriaal.

De derde is de geschiedenis van de Utrechtse Sterrenkunde, die onder redactie van C. de Jager, H.G. van Bueren en M. Kuperus in 1993 gereedkwam: Bolwerk van de Sterren. Dit boek besteedt veel aandacht aan de periode-Minnaert op de Sterrenwacht en biedt het astronomische kader voor het beoordelen van Minnaerts werk van 1936 tot aan

[p. 531]

zijn dood. In dit boek is Minnaert, anders dan in de twee voorgaande, een hoofdpersoon. Anekdotes en herinneringen gaan hand in hand met een overzicht van de theoretische en praktische ontwikkelingen. Ten slotte heeft Minnaert in 1963 zelf teruggekeken op zijn werk tijdens een afscheidssymposium voor zijn zeventigste verjaardag: Fourty years of solar spectroscopy in C. de Jager (1965).

Hoewel de grote lijn van Minnaerts astrofysische ontwikkeling via deze publicaties verklaard kan worden, geeft geen ervan een direct antwoord op de aan het begin gestelde vraag. De wetenschapshistorische schets van hoofdstuk 8 is gereconstrueerd op basis van de publicaties van Minnaert zélf tussen 1919 en 1936. Die reconstructie vindt plaats met behulp van de analyse van de tientallen artikelen en boeken die hij in deze periode schreef. De noten verwijzen naar de literatuurlijst van boeken en artikelen. Staat het jaartal tussen haakjes, dan verwijst de noot naar een artikel. Minnaert (1928d) is het vierde artikel uit 1928; Minnaert, 1949, is een boek.

Twee dissertaties plaatsen de inspanningen van Minnaert op het terrein van de natuurkundedidactiek in een breder kader. De eerste is die van C.J. Morsch, Met de moed der hoop, Nijmegen 1984. Daarin worden de vernieuwingsbewegingen in het onderwijs zoals NEF en WVO geanalyseerd. De tweede van H. Klomp, De relativiteitstheorie in Nederland, besteedt onder meer aandacht aan de botsing tussen de empirisch-fysici zoals Minnaert en de epistemisch-mathematici zoals Dijksterhuis.

Archieven van instellingen

Daarnaast zijn archieven geraadpleegd. In de eerste plaats Minnaerts wetenschappelijke archief dat wordt bewaard in een stalen kast op de faculteit Sterrenkunde in Utrecht. Hoewel het merendeel van het materiaal bestaat uit correspondentie van na de Tweede Wereldoorlog, is ook het nodige aanwezig uit de jaren ervoor zoals de correspondentie van Pannekoek aan Minnaert voor hun boek van 1928, de correspondentie van G. Kuiper aan J. van der Bilt vanuit Amerika, de Amerikaanse brieven van Mulders aan Minnaert van 1935-1937 en de correspondentie tussen Minnaert en Houtgast tijdens Minnaerts gijzeling van 1942-1944. Dit archief bevat, behalve de briefwisseling met de

[p. 532]

Amerikaanse Charlotte E. Moore-Sitterly, ook honderden uitgeschreven lezingen voor volksuniversiteiten, radio en actiebijeenkomsten. Dit is het archief-Sterrenkunde.

Dan is er een hoogleraarsarchief van Minnaert in het Utrechtse Universiteitsmuseum. Hierin rusten herinneringen en oorkondes uit Vlaanderen, krantenknipsels, correspondenties betreffende De Natuurkunde van 't Vrije Veld, een correspondentie met G. Kuiper en O. Struve omtrent de benoeming in Chicago, een reeks van erelidmaatschappen en -doctoraten van buitenlandse wetenschappelijke genootschappen en universiteiten en didactische aantekeningen. In dit archief staan dozen met collegedictaten met toevallig een exemplaar van U. Keller (1938) van Minnaerts college ‘methodiek en didactiek van de natuurkunde’ van de jaren dertig.

Voorts is een grote kartonnen doos-Minnaert aangetroffen op het Instituut voor de Geschiedenis van de Natuurwetenschap. Daarin bewaarde Minnaert een stapel mappen met zeer persoonlijke aantekeningen en briefwisselingen die alle terreinen van zijn activiteit beslaan en lopen van 1918 tot 1970: dus lezingen over Vlaanderen, tegen de astrologie, een briefwisseling met Burgers en Pannekoek over de ‘vrije wil’, tal van lezingen over de ‘vredesbeweging’ van de jaren vijftig en zestig en uittreksels van tal van boeken en artikelen over ‘het leven’ die hem interesseerden. Dit is het archief-Geschiedenis.

Ook is er een archief over Minnaert op de Sterrenwacht. Het bestaat uit enkele artikelen over het werk van Minnaert en de originelen van De Sterrenwacht-Post van 1945. Dit is het archief-Sterrenwacht.

Het Algemeen Museum voor de Vlaamse Cultuur (AMVC) te Antwerpen beschikt over een archief-Minnaert, waarin brieven aan en van flaminganten zijn opgenomen tussen 1910 en 1970, de meeste uit de jaren twintig.

Het Handschriftenarchief van de Leidse Universiteit, Zaal-Dousa, beschikt behalve over het archief-Bolland ook over het archief van de filoloog Willem De Vreese: dat bevat een reeks brieven van Minnaert aan De Vreese van de jaren twintig en dertig.

Op Het Utrechts Archiefworden de bescheiden bewaard van de Curatoren van de Rijksuniversiteit Utrecht alsmede de correspondentie over het personeel en de inkomensontwikkeling. De kwestie van Minnaerts schorsing kon hier worden onderzocht en bij de M van Minnaert zijn carrière, uitgedrukt in harde guldens.

[p. 533]

Archieven van personen

De jongste zoon van Minnaert, Boudewijn, beschikt ook over het Dagboek van zijn vader, dat loopt van 1934 tot 1964. Hij bewaarde de strookjes die zijn vader hem stuurde vanuit het gijzelingskamp in Sint Michielsgestel. Dit is het archief-Minnaert.

De weduwe van Koen, de oudste zoon van Minnaert, mevrouw Els Hondius, bewaarde de briefkaartenverzameling van Minnaert: met ingang van 1918 bestaat die vooral uit briefkaarten van hemzelf en van familieleden en kennissen. Ook beschikt zij over een album met foto's van het gezin Minnaert in Bilthoven in de jaren 1930. Zij bewaarde de strookjes die Minnaert vanuit Sint Michielsgestel naar Koen stuurde. Dit is het archief-Hondius.

Een vriendin van Marcel Minnaert en Miep Coelingh, mevrouw Greet Smit-Miessen, bewaarde de correspondentie die Coelingh en Minnaert met haar en haar man, de fysicus J. Smit, stuurden tussen 1938 en 1950. Ze heeft die afgestaan aan de biograaf, opdat ze in een archief terechtkomen.

Interviews met en brieven van personen

Deze periode speelt zich nog steeds af in een betrekkelijk ver verleden waardoor de persoonlijke gesprekken over rechtstreekse of indirecte herinneringen geen grote vlucht kunnen nemen.

De auteur had nog een gesprek van een uur met dr M.B. Minnaert-Coelingh zélf in de Zuilenstraat, enkele weken voor haar dood, waarin hij haar een aantal vragen kon voorleggen.

Voorts zijn delen uit verscheidene interviews en brieven aan de auteur verwerkt van:

prof. dr H. Brugmans te Brugge;
prof. dr H.C.J. De Decker in de VS;
dra Els Hondius te Eindhoven;
dr H. Hubenet te Bilthoven;
prof. dr H.C. van de Hulst te Leiden;
prof. dr C. de Jager te Utrecht;
H. Littooij te Bilthoven;
Rudolf Mahy te Edegem;
[p. 534]
drs F.W. van Milaan te Den Burg;
Boudewijn Minnaert in Sydney;
N. Ortt te Baarn;
dra Greet Smit-Miessen in Zeist.
De data van interviews en/of brieven worden elders verantwoord.

prepostterug  begin  verder