Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Camper, Petrus]

CAMPER (Petrus), te Leiden 11 Mei 1722, overl. te 's Gravenhage 7 Apr. 1789, derde kind van den voorg., toonde reeds vroeg, dat er zeer veel in hem school en genoot dan ook een uitstekende opvoeding. Hij kreeg van de schilders Karel de Moor, vader en zoon, les in het schilderen; maar timmeren en kunstdraaien, stonden ook op het programma. 9 Maart 1734 werd hij ingeschreven als student te Leiden, waar hij 14 October 1746 zijn Dissertatio optica de visu verdedigde en daarmee den titel verkreeg van Doctor philosophiae et Artium liberalium Magister; op dienzelfden dag verdedigde hij zijn proefschrift: de Quibusdam oculi partibus en werd daarna uitgeroepen tot Medicinae doctor. Beide proefschriften zijn later door Alb. von Haller opgenomen in zijn lijst van uitstekende disseraties. Hij vestigde zich 2 Nov. 1746 als geneesheer te Leiden, maar toen zijn moeder, weduwe geworden, ook overleden was, ging hij eind 1748 op reis naar Engeland voor zijn verdere wetenschappelijke vorming. Hij volgde in Londen de colleges in verloskunde van Smellie en van William Hunter, evenknie van Smellie, man van europeesche vermaardheid. Over Cambridge en Oxford bereikte hij in den zomer van 1749 Parijs en maakte daar kennis met graaf de Buffon, den beroemden zoöloog, van wiens standaardwerk toen juist het 1e deel verscheen. Evenzoo kwam hij met den beroemden chirurg Louis in nauwere aanraking. Op punt van naar Genève te vertrekken, gewerd hem de tijding, dat hij te Franeker tot hoogleeraar in de philosophie was beroepen. Dankbaar nam hij dit aan, maar verzaakte zijn plannen niet om ook in Genève voor zich zoowel als voor zijn aanstaande leerlingen rond te zien. Kort daarop volgde de benoeming te Franeker tot hoogleeraar in de ontleedkunde en in de chirurgie. Eerst 28 April 1751 hield hij, na een zware ziekte, zijn intreerede.

[p. 553]

Hier ontwikkelde Camper een werkkracht en een ijver zonder weerga, zoodat het aantal toehoorders sterk toenam. Ook deed hij nog in 1753 een reis naar Londen om Smellie weer te hooren. Na 't vertrek van prof. Lambergen, met wien Camper hooggaanden twist gehad had - een zaak, waarin zelfs de Gouvernante Anna betrokken werd - werd het onderwijs in de geneeskunde aan Camper en Ouwens opgedragen. Dit een en ander zal het verblijf te Franeker te vermoeiend voor Camper gemaakt hebben: toen hij dan ook 25 Apr. 1755 tot hoogleeraar in de anatomie en chirurgie te Amsterdam beroepen werd op een voor die dagen zeer hoog traktement, nam hij de benoeming aan. Bovendien werd hij aangesteld tot adjunct-chirurgijn van de justitie, ook al om zoodoende meer gelegenheid te hebben tot het doen van gerechtelijke lijkopeningen en om zoo voor hem zelf en zijh hoorders, de leden van het chirurgijnsgilde en later ook de studenten van het atheneum, materiaal te verzamelen voor een cursus in het opereeren op het cadaver. In 1758 werd hij ook benoemd tot hoogleeraar in de geneeskunde. Naar het schijnt, is hij vooral ter wille van zijn vrouw, Johanna Bourboom, wed. van J. Vosma, met wie hij in 1756 getrouwd was, maar toch zeker ook om meer tijd voor eigen studie en onderzoekingen te krijgen, in 1761 er toe gekomen zijn hoogleeraarsambt neer te leggen en te gaan wonen op zijn landgoed ‘Klein Lankum’ bij Franeker. Maar lang hield hij het niet uit in de eenzaamheid, hij, die gewoon was met tallooze geleerden en studenten te verkeeren en zeer gezien onder hen was. Toen hij dan ook 13 Sept. 1763 naar Groningen beroepen werd tot hoogleeraar in de theoretische geneeskunde, ontleed-, heel- en plantkunde, nam hij deze benoeming aan, die hij aanvaardde met een redevoering over de merkwaardige overeenkomst tusschen planten en dieren (in dit opzicht was hij blijkbaar zijn tijd ver vooruit), terwijl hij twee dagen later zijn lessen opende met een doorwrochte rede over het mankloopen. In Groningen bereikte Camper zijn hoogtepunt in werkkracht en wetenschappelijken roem. Van allerlei buitenlandsche en binnenlandsche geleerde genootschappen was hij lid; toen de Linnaean Society te Londen werd opgericht, bood men Camper met slechts 3 andere buitenlanders het eerelidmaatschap aan, maar op grond van de vele fouten, die hij in 't werk van Linnaeus gevonden had, wilde hij daar niet van weten en bleef hij weigeren, toen men van Engeland er toch op aandrong, dat hij de benoeming aan zou nemen. Met Boerhaave was Camper de eenige Nederlander, die een van de 8 plaatsen innam als eerelid van de Académie des Sciences te Parijs. Zijn roem blijkt ook wel daaruit, dat Goethe na de ontdekking van 't tusschenkaaksbeen bij den mensch een prachtig verlucht handschrift dienaangaande aan Camper zond, welk manuscript later in 't bezit gekomen van de nederl. Mij. t.b.d. Geneeskunst, in 1895 aan de Groothertogin van Saksen-Weimar-Eisenach is ten geschenke gegeven en in 't Goethe-museum te Weimar geplaatst. In Groningen gaf hij behalve de straks genoemde vakken ook nog les in physiologie, verloskunde, in heel- en verloskundige operatiën op 't cadaver, gaf hij één jaar leer der geneesmiddelen, en ten laatste ook gerechtelijke geneeskunde, iets nieuws voor dien tijd, evenals een chirurgische polikliniek, de eerste in ons land.

Ook op veeartsenijkundig gebied heeft hij daar in G. ruim zijn sporen verdiend. Toen geheel ons land en een groot deel van Europa door veepest geteisterd werd, leerde hij eerst zijn studenten

[p. 554]

door eigen aanschouwing de ontleedkunde van een kalf kennen en onderzocht toen later op zijn college de ziekelijke veranderingen door de veepest veroorzaakt. Hij kwam er toe een maatschappij te stichten, en proeven in 't groot te doen om door inenting den veestapel te beschutten, zooals hij ook voor de menschen een groot voorstander en bevorderaar was van de koepokinenting. Zeer terecht noemt Daniëls hem een der voorloopers van de nieuwere richting in de geneeskunde, waarbij deze steunt op ontleedkunde en physiologie.

In 1773 legde hij, na 10 jaar in Groningen gewerkt te hebben, zijn ambt neer en vertrok naar Klein-Lankum om zich daar aan zijn studie en aan de opvoeding van zijn kinderen te wijden. Van nu af verschenen er jaarlijks meerdere geleerde verhandelingen of antwoorden op prijsvragen van zijn hand, zoodat hij tienmaal met goud bekroond werd. Hier werkte hij met zijn zoon Adriaan Gilles Camper aan de ontleedkunde van den olifant, het rendier, de walvischachtige dieren, den rhinoceros, en de orang-oetans, toen nog verre van algemeen bekend. Zijn studie over de rhinocerossen bezorgde hem toezending van russisch fossiel ivoor. Ook de studie van voorwereldlijke dieren trok hem zeer aan en hij verzamelde dan ook een keurcollectie op zijn landgoed, waarvan zijn zoon later een catalogus uitgaf. Na den dood van zijn vrouw in 1766 ging hij met zijn zoon Adriaan weer op reis naar Duitschland en België. Verwoestingen in dat jaar aan de zeedijken toegebracht, maakten dat hij zich bemoeide met waterbouwkunde. Bekend is zijn twist over 't aanleggen van dijken met den graaf van Wassenaar.

In 1787 werd hij lid van den Raad van State en vestigde hij zich in den Haag. Kort daarop werd hij voorzitter, maar echt oranjeklant als hij was, had hij weinig genoegen van dit ambt.

27. Maart '89 woonde hij de laatste zitting bij van den Raad van State; hij kreeg een pleuris en stierf na een week, 7 April 1789. In de Pieterskerk te Leiden werd hij begraven en daar werd door zijn zoons een door A. Ziesenis gebeeldhouwd gedenkteeken voor hem opgericht.

Camper was een veelzijdig man. Hij onderscheidde zich als kunstenaar in teekenen, schilderen en boetseeren. Nog bewaart men op de Rijksacademie voor beeldende kunsten werken van zijn hand; beroemd is A set of anatomical tables door hem voor Smellie bij diens verloskundeboek geteekend. Meer dan 50 jaar was hij oud, toen hij onder Ziesenis nog werkte aan een marmeren kinderhoofdje. Als ontleedkundige maakte hij naam door aan doorgezaagde lijken, een nieuwe wijze van onderzoek, de onderlinge ligging der deelen aan te wijzen. Beroemd zijn in dit opzicht voor arm, been en bekken zijne Demonstrationes anatomico-pathologicae. Hij vond het buikvlies-uitstulpsel bij breuken; hij ontdekte den vezeligen bouw van de kristallens van 't oog; zijn verhandeling over den besten schoen steunt op een keurig ontleedkundig onderzoek van den voet en werd zelfs in 1861 en 71 nog in Engeland herdrukt. Wonderschoon zijn de teekeningen in het handschrift, dat hij gebruikte tot aanvulling van Albinus' beenderenleer, dat op de amsterdamsche universiteits-bibliotheek bewaard wordt; als ziektekundig-ontleedkundige is hij de man geweest, die 't mank gaan aan de lijders zelf bestudeerde, die het allereerst sympatische klierzwelling bij borstkanker erkende in haar doodelijke beteekenis. Van hem weet men, dat hij per jaar 200 lijken in 't Binnengasthuis onderzocht op hun doodsoorzaak; als vergelijkend ontleedkundige schittert hij door zijn onderzoe-

[p. 555]

kingen op olifanten, rhinocerossen enz. Van hem heeft men een onderzoek over 't gehoororgaan der geschubde visschen; van hem is ook de merkwaardige ontdekking, waarvan John Hunter zich de eer wilde toeeigenen, van het holzijn der vogelbeenderen en hun verbinding met de longzakken. Als palaeontoloog schreef hij over de beenderen der onbekende visschen uit den St. Pietersberg, opgenomen in een engelsch tijdschrift, en over gedolven beenderen van onbekende of zeldzame dieren in een russisch, hoewel Cuvier hem op dit gebied van oppervlakkigheid beschuldigde. Als gerechtelijk-geneeskundige schreef hij over: teekenen van leven en dood in nieuwgeboren kinderen; gedachten over kindermoord; voorstellen tot oprichting van vondelingshuizen. Als verloskundige had hij een groote consultatieve praktijk, die hij ook op zijn reizen, zoo gewenscht, uitoefende. Hij deed met de tang van Smellie oefeningen met zijn studenten op het lijk, bestudeerde en verbeterde Roonhuyzen's hefboom. Hij was 't ook, die in ons land 't eerst de schaambeensnee geopperd heeft bij nauwe bekkens, en die al moge hij 't hier niet zelf op menschen gedaan hebben, door zijn tegenwoordigheid Damen in den Haag gelnspireerd zal hebben bij 't doen van deze operatie, die Camper van te voren op doode, later op levende varkens verrichtte; als heelkundige roemen we zijn studies over elleboog- en knieschijfbreuken, over genezen van gebroken beenderen; als chirurg roemen we ook op zijn kennis van lies- en dijbreuken bij kinderen, zijn handigheid om breukbanden, toen nog iets geheel nieuws, te maken en aan te leggen, zijn werken bij steensnijderij, breukoperatie enz. Zelf opereerde hij ook, b.v. deed hij cataract-operatiën, zette hij borsten, vingers af enz., maar in Amsterdam, waar vele en goede chirurgen waren, opereerde hij niet. Als geneeskundige roemen we op zijn verhandeling over de longziekten, en over de ‘colica Pictonum’.

Tijdgenoot en nageslacht hebben hem om strijd gehuldigd. Goethe heeft hem genoemd: ‘ein Meteor von Geist, Wissenschaft, Talent und Thätigkeit’. Topinard, de beroemde anthropoloog zei in 1885: ‘Mathématicien, philosophe, artiste, médecin, zoö logiste, géologue, zoötechnicien et homme politique mêeme, il était universel dans le domaine des sciences d'observation’ en prof. Cunningham, toenmaals voorzitter van 't Britsche antropologische Gezelschap zei in 1907: ‘he was a man of the most brillant talents, but it is a matter for regret, that he spread his energies over so many fields of intellectual activity.’

Hoe staat het nu met Camper's beteekenis als anthropoloog? Op dit punt ben ik het niet eens met Topinard en Cunningham, die beweren, dat Camper bij zijn onderzoekingen meer het oog had om lijnen aan te geven en methoden uit te denken ten behoeve van schilders en beeldhouwers. Ik ben er van overtuigd en hoop dit nog nader in het licht te stellen, dat Camper één van de allereersten was, die rasverschil bij schedels van verschillende volkeren waarnam, die nog vóór Cuvier, hoewel na J.B. von Fischer drie rassen aannam en daarvan het kenmerkende mat door een vernuftig uitgedacht stelsel van metingen, welk stelsel hij volmaakte door daaraan toe te voegen het onderzoek van dierkoppen en van den mensch als kind en als grijsaard. Vele dwaze voorstellingen over 't ontstaan van rasverschil hielp Camper bestrijden, ook op grond van 't karakteristieke van een negerfoetus, maar eerst in het allerlaatst van zijn leven kreeg hij kennis van de zucht tot schedelmisvorming bij sommige inboorlingen en niet lang voor zijn

[p. 556]

dood teekende hij nog te Londen en te Oxford een paar misvormde schedels, aldus te vinden in zijn Commentarii ad Albini osteologiam. Een man, zóó algemeen ontwikkeld, zóó diep doordenkend en naspeurend, moet zonder twijfel een juist begrip van anthropologie en craniometrie gehad hebben, vooral omdat hij al jaren bezig was met deze studiën, waarover hij het eerst in 1758 sprak, toen hij te Amsterdam een neger seceerde en daar hersenen en bloed niet zwart vond, zooals men algemeen dacht. In 1764, 66 en 68 herhaalde hij dit onderzoek na toezending van negerlijken; ééns zelfs ontving hij uit Kaapstad een hoofd van een hottentot. Aan Camper mag het niet geweten worden, dat zijn volgers meer waarde dan hij zelf hechtten aan den gelaatshoek, waarvan 't voor mij waarschijnlijk is, dat hij het denkbeeld ontleende aan Albrecht Dürer. In 1768 voltooide hij de schets van zijn anthropologische onderzoekingen, droeg ze in 1770 voor in een zitting van de teekenacademie te Amsterdam, en in 1778 van de Académie des Sciences te Parijs en geregeld bleef hij hieraan werken; de sporen daarvan zijn heel duidelijk aantoonbaar in zijn: Verhandeling over het natuurlijk verschil der wezenstrekken in menschen van onderscheiden landaart enz., waaraan in October 1785 de laatste hand werd gelegd en dat eerst na zijn dood door zijn zoon Adriaan met groote piëteit werd uitgegeven.

Camper heeft zelf in 1779 een opgave van zijn werken gegeven als aanvulling en verbetering op de bibliografieën van v. Haller, Stosch, Baldinger en Portal (8 pag. 4o.). Zijn handschriften en teekeningen zijn in de leidsche univ. bibl. (zie Geel's Catalogus no. 786).

Van de zeer vele portretten die er van hem bestaan wijzen we slechts op het door T. Regters in 1751 geschilderde in de Universiteit van Amsterdam, en op de door Marie Anna Falconet in 1781 gebeeldhouwde buste in de Universiteit te Groningen, op de door R. Vinkeles en door J. Andriessen geteekende portretten in 's Rijks Prentenkabinet en op de prent van R. Vinkeles, 1778.

Zie: C.E. Daniëls, Het leven en de verdiensten van Petrus Camper (uitg. door 't Prov. Utrechtsch Genootschap van K. en W. 1880); A.G. Camper, Levens-Schets van Petrus Camper (Leeuwarden 1791); ditzelfde vertaald in 't duitsch door Keup (Stendal 1792); A. Louis, Eloge de Camper, avec note de E.F. Dubois; Condorcet, Eloge de Pierre Camper, in Oeuvres de P. Camper qui ont pour object l'histoire naturelle etc. (Paris 1803); P. Harting, P. Camper in zijn leven en werken geschetst in Album der Natuur 1878, 1; G.C.J. Vosmaer, Het leven en de verdiensten van P. Camper in Nederl. Spectator 1881, 251; P. Topinard, Etude sur Pierre Camper et sur l'angle facial dit de Camper in Revue d'Anthr. III (1874) 193-222; dezelfde, Sur le prétendu angle facial de Dürer in Bull. Soc. Anthr. 1876, 549; Cunningham in Journal of the anthropological Institute of Gr. Br. and Ireland 1908; E.W. Moes, Iconographia Batava no. 1433.

Sasse