Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Episcopius, Simon]

EPISCOPIUS (Simon), geb. 8 Jan. 1583 te Amsterdam, overl. 4 Apr. 1643, zoon van Egbert Remmertz. Bisschop en Geertruyd Jans. Hij studeerde op kosten van den oudburgemeester Corn. Bennink, werd alumnus der amsterdamsche regeering en werd, volgens zijn biografen, 1600 als student te Leiden ingeschreven; zijn naam is echter in het Album Studiosorum niet te vinden; wel komt in de pedelsrol van 1601 (hs. in het Senaatsarchief) voor ‘Simon Egberti in Collegio’, waarmede zeker Episcopius kan bedoeld zijn. Hij studeerde philosophie en theologie en werd in 1606 bevorderd tot magister artium. Opgenomen in het Staten-College, volgde hij de lessen der leidsche theologen, vooral van Arminius, wiens beste leerling hij werd. Om die reden werkte de calvinist Plancius te Amsterdam hem tegen en belette dat hij aldaar werd beroepen. Hij bezocht in 1609 de hoogeschool te Franeker om zijne studiën te voltooien. Hier kwam hij in strijd met Sibrand Lubbertus, die hem telkens tot disputaties dwong. Hij bedankte voor het beroep naar Gouda en Alkmaar, maar nam in 1610 dat van Bleiswijk aan. Intusschen had hij 14 Jan. 1610 de remonstrantie geteekend. Zijn beroep te Bleiswijk vond dan ook hevig verzet in de classis. Maar de rotterdamsche magistraat en predikanten steunden hem. In de haagsche conferentie stond hij naast zijn vriend Wtenbogaert onder de remonstranten vooraan. Ook aan de delftsche conferentie van 1613 nam hij deel. Voor een beroep naar Utrecht bedankte hij, omdat hij in 1612 benoemd werd tot professor te Leiden, toen Gomarus den dienst had nedergelegd. Hij aanvaardde zijn ambt met een rede de optima regni Christi instruendi ratione. Ofschoon er noch in zijn rede, noch in zijn optreden iets was dat ergernis kon geven, ondervond hij dadelijk verzet en tegenwerking. Toch stond hij in goede verhouding met den andersdenkenden Polyander, die Arminius had opgevolgd, omdat Conr. Vorstius door de contra-remonstranten werd tegengewerkt. In 1615 maakte hij een reis naar Parijs. Dit gaf weder aanleiding tot allerlei booze praatjes alsof hij met de Jezuïeten heulde, terwijl zijn medelijden met Vorstius hem van sociniaansche sympathieën deed verdenken. Het eerste was laster, het tweede een misverstand, maar dat door zijn tegenstanders ijverig werd geëxploiteerd. Toen te Amsterdam het opgeruid gepeupel in Febr. 1617 godsdienstoefeningen der remonstranten verstoorde en het huis van zijn broeder, den aanzienlijken koopman Rem Bisschop, plunderde, werd ook zijn naam steeds meer geschonden en zijn arbeid verzwaard. Met grooten moed, in vredelievenden ernst, maar ook met rustige geloofskracht hield hij stand en werkte voort. Te Leiden werkte de calvinistische predikant Festus Hommius hem steeds heftiger tegen. De curatoren der universiteit steunden Episcopius. Van ondoordacht radicalisme, als de alkmaarsche predikant Venator vertoonde, was hij afkeerig. Bedachtzaam werkte hij voort en gaf belangrijke studiën uit: Notae breves in XXIV priora capita Matthaei; Lectiones in 1 Epist. cathol. Johannis; Lectiones in Apocal. Johannis; Paraphrasis et observationes in cap.

[p. 830]

VIII-XI Ep. ad Romanos. Een collegium disputationum verschafte hem grooten invloed op de studenten. In 1646 werden alle disputatiën uitgegeven onder den titel Disputationes theologicae tripartitae, een gedeelte waarvan reeds in 1618 door zijn tegenstander Festus Hommius was uitgegeven en bestreden. Trigland, in zijn Kerck. Gesch., bestreed ze ook en beschuldigde Ep., dat hij de studenten bedierf, hetgeen voor den invloed van zijn arbeid pleit. In 1616 trad Hommius openlijk tegen hem op en beschuldigde hem van Socinianisme. Hij verdedigde zich tegenover de curatoren der hoogeschool en ontving van hen het bewijs, dat hij zich afdoende had gerechtvaardigd. Toen Hommius voortging hem verdacht te maken, verweerde Ep. zich en klaagde hem aan. Zijn naam kwam bij de calvinisten echter steeds meer in opspraak. Aan de studenten van het fransche college werd verboden zijne lessen bij te wonen. Toen in 1618, na den staatsgreep van Maurits, overal de reactie met geweld werd doorgezet en Wtenbogaert vluchtte om niet het lot van Oldenbarnevelt te ondergaan, werd Episcopius de leider der remonstranten. Hij werd door de Staten aangeschreven met Polyander als afgevaardigde der leidsche academie op de Synode te Dordrecht te verschijnen. Maar de Synode zelf heeft hem aanstonds, niettegenstaande zijn lastbrief, als gedaagde behandeld, evenals de overige remonstranten. In een oratio, 13 Nov. 1618 gehouden, nam hij afscheid van zijne studenten en noemde als de beginselen van zijn onderwijs: terugkeer van de scholastiek in de theologie tot den apostolischen eenvoud, de heiligmaking en de vroomheid te stellen boven het dogmatisme, en het najagen van vrede en eendracht. 6 Dec. hield hij te Dordrecht zijn beroemde rede, waarin hij het verzet der remonstranten tegen het leerstuk der praedestinatie toelichtte en verdedigde en hun kerkelijk standpunt in verband met hunne beginselen bepleitte. Voortdurend was hij de woordvoerder der gedaagde remonstranten. Met veel talent en groote kracht hield hij stand. Maar tegenover de partijrechtbank der Synode was zijn standvastigheid vruchteloos. Toch maakte zijn waardige, kalme ernst diepen indruk. In April 1619 viel het vonnis. Met de andere remonstranten werd hij verbannen. Hij begaf zich eerst naar Waalwijk, toen naar Antwerpen, waar hij met Wtenbogaert nu de leiding der aldaar gestichte remonstrantsche broederschap op zich nam. Hier schreef hij zijne protesten tegen de Synode: Synodi Dordracenae crudelis iniquitas en Antidotum. De verdachtmakingen der tegenpartij zoowel als de behoefte aan aaneensluiting der geestverwanten noopten Episcopius te schrijven een Confessio sive declaratio der remonstranten, waardoor tevens aan de voorwaarden werd voldaan waaronder aan de ballingen en vluchtelingen in Denemarken en Stade gelegenheid werd geschonken zich te vestigen, hetgeen vooral in Friedrichstadt gelukte. In de inleiding dezer confessie komt het anticonfessioneel karakter duidelijk uit. Allerlei beschuldigingen drongen Episcopius nog een Noodige verantwoordinge der Remonstranten te schrijven. Enkele geestverwanten als Dirk Rafaelsz. Camphuysen achtten het stellen dier confessie overbodig en waarschuwden er tegen. Te Antwerpen, waar Episcopius twee jaren bleef, sloeg hij het aanbod der sociniaansche Polen af, om zich bij hen aan te sluiten en naar Polen te komen. Ook disputeerde hij daar met den Jezuïet Petrus Wading mondeling en schriftelijk. Deze briefwisseling is na zijn dood uitgegeven. Met Cupus begaf hij zich in 1621 naar Keulen, in de hoop dat men zich daar zou kunnen vestigen. Hun werd

[p. 831]

echter de stad ontzegd. Daarna begaven zij zich naar Rouaan en naar Parijs. Hier preekten Wtenbogaert en Episcopius in het huis van de Groot. Daarna vestigden zij zich in Rouaan. Hij bleef in correspondentie met de remonstranten in het vaderland en teekende zijne brieven met den schuilnaam Simon de Wachter, ook wel Vigilantius. In zijn Bodecherus ineptiens verdedigde hij nogmaals de confessie. Voorts schreef hij een Tractatus brevis de libero arbitrio en bestreed hij de professoren Capellus te Saumur en Camero te Montauban in geschriften die later verschenen. Na vele omzwervingen in Frankrijk, waar sinds 1623, het noodlottige jaar van den aanslag op Maurits, ook hem gevaar bedreigde, besloot hij zich in te schepen naar het vaderland. 28 Juli 1626 kwam hij te Rotterdam aan. Weldra kwam ook Wtenbogaert. Samen leidden zij nu de zaken en bestuurden de Broederschap. Onder het gematigd en welgezind bestuur van Frederik Hendrik verminderden de vervolgingen. Episcopius was te Rotterdam veilig en trouwde er met Maria Pesser. Ook te Amsterdam predikte hij en wijdde aldaar in 1630 de kerk in der remonstranten, door Vondel bezongen. Toen de remonstranten besloten in 1634 een seminarium te stichten, was Episcopius de aangewezen leidsman.

Negen jaren heeft hij het professoraat bekleed. In die jaren vooral heeft hij zich de wetenschappelijke grondlegger en verdediger der remonstrantsche theologie betoond. Bovendien predikte hij. Na zijnen dood verschenen drie deelen preeken. Hij schreef formulieren voor doop en avondmaal. Tallooze uitgegeven en onuitgegeven brieven liet hij na. Tegen de critiek van eenige leidsche professoren schreef hij zijne Apologia pro Confessione, een uitvoerig en voortreffelijk werk. Toen dit weder werd aangevallen, verdedigde hij zich nogmaals met groote kracht in zijn Responsio. In al deze werken blijkt, dat het dezen theoloog, schoon hij onder de kundigste en scherpzinnigste theologische denkers van zijn tijd een eereplaats inneemt, geenszins alleen om de theologie, maar bovenal om den godsdienst, om de vrije ontwikkeling van het godsdienstig denken en tevens om de eenheid aller volgelingen van Christus te doen was. De tegenstanders lieten hem niet met rust. Aanhoudend had hij te strijden met Walaeus, Vedelius, Trigland, Heidanus en Doucher. Zijn grootste dogmatische werk droeg den titel: Inst tutiones theologicae. Het is niet voltooid, maar bevat veel belangrijks. Hij heeft nooit voor zijn dogmatiek of zijn confessie eenig bindend gezag opgeëischt. Zijn Responsio ad quaestiones theologicas 64 is een apologie van het vrijzinnig-theologisch christendom van dien tijd, en geeft een klaar beeld van geest en strekking van zijn onderwijs. Zijn theologie wilde geen speculatieve, maar een practische wetenschap zijn, op het religieuze leven zelf gericht. De ethisch-religieuze critiek van de dogmatische scholastiek en sophistiek, vooral in de praedestinatieleer toegepast was zijn groote kracht. In zijn leer van de drieëenheid en de erfzonde week hij ook van de traditioneele opvattingen af. In de jaren 1632 en 1640 streden Amsterdam en Rotterdam om het bezit van Episcopius en het seminarium, een bewijs hoe geliefd ook zijn persoon was. Hij had het plan nog naar Rotterdam terug te keeren. Zijn dood heeft het verhinderd. Hij overleed te midden van onafgebroken arbeid. Zijne opvolgers aan het remonstr. seminarium, de professoren Curcellaeus en Poelenburgh, gaven in 1650 en 1655 in twee deelen fo. zijne Opera theologica uit.

[p. 832]

De vele geschilderde portretten, die van hem gevonden worden zijn een bewijs van de liefde, die hem toegedragen werd; het merkwaardigste is wel het in 1615 door Dirk Pietersz. geschilderde, dat in de Remonstr. kerk te Rotterdam bewaard wordt en door W. Delff is gegraveerd. In de universiteit van Amsterdam is een in 1643 door H. Mz. Sorgh geschilderd portret (J. Matham, H. Bary, S. Savry e.a. sc.).

Zie: Phil. a Limborgh, Leven van Sim. Episcopius (Amst. 1693); J. Konijnenburg, Lofrede op S. Episcopius (Amst. 1791); P. Bayle, Dict. hist. et crit. II, 751; J.M. Schröck, Lebensbeschreib. v. berühmten Gelehrten II, 182; H.C. Rogge, Bibl. de Remonstr. Geschr. (Amst. 1863) 38-47; C. Sepp, Godgel. onderwijs in Nederland I, 230; II, 183; A.H. Haentjens, S. Episcopius als apologeet van het Remonstrantisme (Diss. Leiden, 1899). Bibliographie bij Petit, Bibliographische Lijst der Werken van de Leidsche Hoogleeraren I (1894) 119.

Groenewegen