Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1911


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Nassau, Hendrik (Henry) van]

NASSAU (Hendrik (Henry) van), heer van Ouwerkerk en Woudenberg, geb. 's Gravenhage Dec. 1640 (ged. 16 Dec.), gest. te Rousselaere 18 Oct. 1708, begr. te Ouwerkerk, jongste zoon van Lodewijk van Nassau, heer van Beverweerd, en Elisabeth, gravin van Hornes (kol. 1365). Jong in staatschen dienst getreden en 1666 door de Staten tot stalmeester bij den jongen prins Willem aangesteld, streed hij onder Willem III, werd (9 Aug. 1674) gewond bij Séneffe, redde den Prins bij St. Dénis (14 Aug. 1678) het leven door diens aanvaller, die hem reeds het pistool op de borst zette, te dooden en stond in groote gunst bij den Prins, aan wiens veldtochten hij deelnam. Hij werd 16 Apr. 1674 in de ridderschap van Utrecht beschreven en met zijne broeders door keizer Leopold I (24 April 1679) in den rijksgravenstand verheven. Hij vergezelde Willem III naar Engeland, behaalde als kolonel der Hollansche lijfgarde bij Neerwinden (29 Juli 1693) en in Vlaanderen onder den prins de Vaudemont (1695) grooten roem, werd 16 Maart 1696 generaal-majoor, 1697 generaal. Willem III, die hem, nadat hij (1689) als engelsch onderdaan genaturaliseerd was, opperstalmeester had gemaakt, deed hem nog 1701 tot generaal van het staatsche leger ‘zonder gage’ verheffen. Hij streed vooral ook in den Spaanschen successieoorlog onder Marlborough, die hem (1703) tot staatsch veldmaarschalk deed benoemen als

[p. 1360]

hoedanig hij het staatsche leger aanvoerde bij den veldtocht in Vlaanderen en Brabant (1704), bij het doorbreken der fransche liniën in 1705, bij Ramillies (23 Mei 1706) en de verovering van brabantsche en henegouwsche vestingen, bij den veldtocht van 1707, bij Oudenaarde (11 Juli 1708) en het daarop volgende beleg van Rijssel. Hij stond bekend als dapper, gehecht aan Willem III en belangeloos maar zeer driftig, op het einde zijns levens als ondraaglijk hartstochtelijk, zoodat men zelfs van krankzinnigheid sprak. Hij was (Oct. 1667) gehuwd met Françoise van Aerssen, (ged. 's Gravenhage 14 Jan. 1642, overl. in Engeland 11 Febr. 1720) dochter van Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, en Lucia van Walta, en liet vier zoons en drie dochters na; de laatste Isabella, Elisabeth en Anna, die met engelsche edelen huwden; van de zoons bleef de oudste, graaf Hendrik in Engeland als graaf Grantham, viscount Balton (geh. met Henriette Butler, dochter van graaf Ossory en Amelia van Nassau, sterft 5 Dec. 1754); verder Cornelis van Nassau, heer van Woudenberg (kol. 1358), en Willem Maurits, heer van Ouwerkerk (kol. 1369); de jongste, Francois, sneuvelde als engelsch kolonel (27 Juli 1710) bij Almeria in Spanje.

Van zijn portret bestaat een zeer fraaie zwartekunstprent van J. Smith naar een schilderij van G. Kneller.

Zie over hem: Wagenaar, Vaderl. Historie, XVII, passim; Mémoires de Mons. de B., uitg. Krämer, Bijdr. en Meded. Hist. Gen. XIX (1898)), 93; verder de brieven van Marlborough en de militaire literatuur van dien tijd. Over zijne nakomelingschap: W.J. d'Ablaing van Giessenburg in Ned. Heraut VII (1892) Vgl.: van Epen, De Ridderschap van Holland en van Utrecht (ms.).

Blok