Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Baerle, Caspar van (2)]

BAERLE (Caspar van) (2), of Barlaeus, geb. 12 Febr. 1584 te Antwerpen, gest. 14 Jan. 1648 te Amsterdam, was de oudste zoon van den voorg. en van Cornelia Eerdewijns. Hij was nog heel jong, toen zijne ouders Antwerpen verlieten, om zich eerst te Leiden en daarna te Zalt-Bommel te vestigen. Na den dood van zijn vader (Jan. 1595) schijnt zijne moeder korten tijd te Dordrecht gewoond te hebben, waar Caspar de latijnsche school bezocht. Maar reeds in het najaar van 1596 was hij te Brielle onder de hoede van zijn oom Jacobus (zie kol. 71), die in die stad rector was en de zorg voor zijn neefje op zich nam. Hij liep daar de latijnsche school af en schreef er al latijnsche verzen. 1 Nov. 1600 werd hij opgenomen in het Staten-College te Leiden en 15 Dec. als theologisch student ingeschreven. Hij studeerde vlijtig, disputeerde dikwijls en maakte zich vele vrienden, o.a. Simon Episcopius. Oom Jacobus liet hem bij zijn dood (1603) zijne boekerij na. In 1604 deed Caspar zijn candidaats-examen en sloot zich, zooals de meeste jongelui van het College, aan bij de leerstellingen van Arminius, die in den onderregent Petrus Bertius een uit-

[p. 68]

stekenden verdediger hadden gevonden. 1 Nov. 1606 verliet hij het College, woonde nog twee jaren te Leiden, waar hij waarschijnlijk den kost verdiende met les geven, en werd, na eenige vergeefsche pogingen elders, in het najaar van 1608 beroepen tot predikant te Nieuwe Tonge. 21 Sept. 1610 werd van Baerle te Rotterdam in huwelijk ingeteekend met Barbara Sayon, wier vader schepen van Brugge was geweest, maar was uitgeweken; Barbara had de laatste jaren te Leiden gewoond. De predikant van Nieuwe Tonge, die in 1610 de bekende remonstrantie had onderteekend, kwam wel eens in conflict met zijne gemeenteleden, maar in Aug. 1612 verruilde hij zijn ambt voor dat van subregent van het Staten-College, waartoe Bertius, die nu regent was, het zijne had bijgedragen.

Barlaeus heeft te Leiden ijverig meegedaan aan den heftigen theologischen strijd tusschen remonstranten en contraremonstranten en vele pamfletten geschreven. In zijn Bogermannus ἐλεγχόμενος (1615) bestreed hij een werk van den hoofdman der contraremonstranten; in 1616 volgde eene Dissertativncvla, in qua aliquot patriae nostrae Theologorum ac Ecclesiastarum malesana consilia, et studia justâ orationis libertate reprehenduntur; het werkje werd dadelijk in het Hollandsch vertaald en lokte veel tegenspraak uit. In 1617 volgde de Epistola ecclesiastarvm, quos in Belgio Remonstrantes vocant, ad exterarum ecclesiarum reformatos doctores, pastores, theologos ......., welk werkje herdrukt werd. Intusschen werd Barlaeus in Dec. 1617 benoemd tot hoogleeraar in de logica; hij aanvaardde dat ambt 2 Febr. 1618 met eene rede de Ente rationis, maar bleef tevens onderregent van het Staten-College, waarvan G.J. Vossius in 1615, in plaats van Bertius, als regent was opgetreden. Barlaeus wordt verder voor den schrijver gehouden van verscheidene andere pamfletten, die in de jaren 1618 tot 1620 het licht zagen. Hij heeft de zittingen der Synode in 1618 en 1619 als toehoorder bijgewoond en zijne partijgenooten, die geciteerd waren, met zijne pen en zijn goeden raad ijverig bijgestaan. Toen dan ook het vonnis van de Synode was geveld en het zuiveren der leidsche universiteit ter hand werd genomen, werd Barlaeus 20 Juli 1619 ontslagen als subregent van het College en 31 Aug. als hoogleeraar. Barlaeus heeft zich nooit openlijk bij het remonstrantsche kerkgenootschap aangesloten.

Hij begaf zich naar de kleine universiteitsstad Caen en keerde ruim een jaar later naar Leiden terug als Med. Dr. Maar hij heeft nooit de praktijk uitgeoefend en zijn groot gezin onderhouden door lesgeven, jongelui bij zich aan huis te nemen en boeken te schrijven. In 1622 gaf hij uit Novvs orbis, sive descriptio Indiae Occidentalis, naar het Spaansche werk van Antonio de Herrera, dat te gelijk in het Hollandsch vertaald werd. En in 1626 volgde de Nova et accvrata Italiae hodiernae descriptio, een compilatiewerk, dat zonder zijn naam uitkwam.

In 1625 kwam Barlaeus toevallig in aanraking met Constantijn Huygens en beide mannen zijn groote vrienden geworden. Huygens voelde zich tot hem aangetrokken door zijne groote geleerdheid, zijne dichtergave - Barlaeus was één der meest bekende latijnsche dichters van zijn tijd - en zijne geestigheid. Door zijne vriendschap met Huygens is van Baerle later opgenomen in den Muiderkring, waarvan hij een sieraad geweest is. En Huygens, die zoo velen geholpen heeft, wist ook de moeilijke levensomstandigheden van zijn vriend draaglijker te maken. Want hij zorgde er voor, dat Barlaeus voor vele grootere latijnsche

[p. 69]

verzen eene belooning kreeg, zooals voor de Manes Auriaci (1625) op den dood van prins Maurits, Britannia triumphans (1625) op het huwelijk van Karel I van Engeland en voor vele andere. En Barlaeus heeft een groot aantal latijnsche gedichten aan de grooten der aarde opgedragen, den Hymnus in Christum (1628) aan Lodewijk XIII, andere aan den graaf van Pembroke, aan Richelieu, aan gezanten en krijgsoversten. Dat hij zich daarvoor liet beloonen, hebben zijne tijdgenooten hem meermalen ten onrechte verweten. In tal van gedichten heeft hij de wapenfeiten van Frederik Hendrik bezongen, zooals zoovele zijner tijdgenooten, en meermalen daarvoor een geschenk aangenomen, zooals natuurlijk is van een man, die, van zijne ambten ontzet, nu maar zien moet, hoe hij zich door de wereld kan slaan. Al de grootere gedichten van Barlaeus zijn afzonderlijk uitgekomen.

8 Jan. 1631 nam Barlaeus zijne benoeming aan als professor aan de op te richten Illustre School te Amsterdam en 9 Jan. 1632, nadat er een einde was gekomen aan het proces over het recht van de stad om die school te stichten, aanvaardde hij zijn ambt met eene rede, getiteld: Mercator sapiens, sive oratio de conjungendis Mercaturae et Philosophiae studiis, die in 1641 in het hollandsch vertaald is. Barlaeus onderwees te Amsterdam de geschiedenis der wijsbegeerte en heeft er ook gewerkt aan een boek over Sextus Empiricus, waarmede hij te Leiden reeds was begonnen, maar dat niet voltooid is. Hij vond in zijne woonplaats een kring, die hem schadeloos stelde voor den omgang met vele leidsche vrienden, en werd o.a. zeer bevriend met Hooft en Joachim Wicquefort. 19 Juni 1635 stierf zijne vrouw en van Baerle bleef met zeven kinderen achter; hij is niet hertrouwd, maar heeft jaren lang het hof gemaakt aan Tesselschade, die toen weduwe was; Hooft noemde hem den ‘vryer om den deun, oft om welstaens wil’.

In 1636 werd hij heftig aangevallen wegens een lofdicht op een wetenschappelijk werk van Menasseh Ben-Israel; de aanvaller was N. Vedelius, professor in de theologie te Deventer, die door anderen gesteund werd. De ontvangst van Maria de Medicis te Amsterdam in 1638 werd door van Baerle beschreven in het prachtwerk Medicea Hospes (1639), dat op kosten van de stad gedrukt werd en o.a. ook verschillende latijnsche gedichten van hem bevat. In 1641 werd zijn traktement door den magistraat met f 200 vermeerderd en dus op f 1700 gebracht. In hetzelfde jaar dichtte hij de Venus Britannica op het huwelijk van prins Willem II met Maria Stuart en schreef op verzoek van den gouverneur van twee prinsjes van Lüneburg een paedagogisch werkje, Methodus morum getiteld. Toen in het volgende jaar de koningin van Engeland, Henriëtte Marie, Amsterdam bezocht, was Barlaeus aangewezen, om haar met eene latijnsche rede te begroeten; de rede is wel geschreven en gedrukt, maar aan de koningin ter hand gesteld. Op verzoek van Cats vertaalde hij vele gedichten uit Cats' Trou-ringh in het Latijn; de bundel, waartoe ook Cats zelf en C. Boyus hadden bijgedragen, zag in 1643 het licht onder den titel Faces Augustae (herdrukt in 1656). Barlaeus bezorgde de uitgave van Huygens' Momenta desultoria (1644) en trad ook als historicus op door het schrijven van het groote werk Rervm per octennivm in Brasilia et alibi nuper gestarum, sub Praefectura .... I. Mavricii, Nassoviae etc. Comitis (Amsterdam 1647; herdrukt in 1660 en 1698, vert. in het Duitsch in 1659). Men meent, dat hij in 1647 ook den tweeden druk heeft bezorgd

[p. 70]

van Johan van Heemskerck's Batavische Arcadia (1637). 14 Jan. 1648 is Barlaeus plotseling gestorven en den 18den begraven in de Nieuwe Kerk, dicht bij zijn vriend P.C. Hooft.

Barlaeus was een man van groote begaafdheid en groote geleerdheid. Hij was volkomen te huis in de klassieke oudheid en geheel vertrouwd met de geschiedenis der wijsbegeerte van de oudheid en van de middeleeuwen; voor de philosophie van Descartes voelde hij weinig. Wetenschappelijke werken heeft hij op dit gebied niet geschreven. Hij had grooten naam als redenaar en als dichter. Vele latijnsche redevoeringen heeft hij uitgesproken, die eerst afzonderlijk werden uitgegeven en daarna in een bundel vereenigd (1643, 1652, 1661; vertaald in 1662, 1689). Tal van gedichten zijn eveneens eerst afzonderlijk verschenen, daarna in bundels met den titel Poemata (1628, 1630, 1631, 1645-1646, 1655, 1689). Niet minder dan zijn ambtgenoot G.J. Vossius, maar op andere wijze, heeft Barlaeus de pas opgerichte Illustre School luister bijgezet.

Barlaeus heeft ook enkele hollandsche gedichten geschreven, die bijna alle zijn uitgegeven in de bloemlezing Verscheyde Nederduytsche Gedichten (1651-1653). Ook zijne brieven zijn verzameld en uitgegeven door G. Brandt, den verzamelaar der zoo even genoemde bloemlezing, en schoonzoon van Barlaeus, onder den titel Casparis Barlaei .... Epistolarum Liber (Amst., 1667). Waarom Brandt in die brieven zooveel veranderd en weggelaten heeft en zoovele data vervalscht heeft, is een raadsel. J. van Vloten heeft één en ander daarvan hersteld in de nalezing, die hij gegeven heeft (in Hooft's Brieven, IV) van brieven van Barlaeus aan Huygens en Wicquefort. Ook in de beneden genoemde levensbeschrijving van Barlaeus zijn vele, vroeger ongedrukte, brieven van en aan hem en vele gedichten opgenomen. Uit de brieven van Barlaeus begrijpt men eerst recht de charme van zijne persoonlijkheid en ziet men, hoe hij weI een der hoofdpersonen moet zijn geweest van den Muiderkring.

Zeven kinderen hebben Caspar van Baerle overleefd: Adriana (geb. 16 Jan. 1613) huwde 23 Nov. 1642 Karel de Wolff; Anna (17 Dec. 1615 - Oct. 1676) huwde in 1653 Johan de Bisschop; Josina (geb. 14 Jan. 1617) huwde 19 Mei 1658 J. Lenaerts en hertrouwde 29 Oct. 1658 met Cornelis van Leeuwen; Caspar (3) en Susanna (2) volgen; Elizabeth (1 Aug. 1624 - 22 April 1651) stierf ongehuwd; Anthony (1626-1666) was kapitein en huwde in 1659 Walburg van Boekhoven.

Een groot deeI van BarIaeus' correspondentie en vele zijner gedichten berusten in hs. in de leidsche bibliotheek en in de bibliotheken der Remonstrantsche gemeenten van Amsterdam en Rotterdam.

Barlaeus' portret is geschilderd door David Bailly (1625), Sandrart, G. ter Borch (Univ. te Amsterdam), geteekend door J. Lievens (Rijksprentenkabinet te Amsterdam), gegraveerd door W.J. Delff, Th. Matham, Delfos e.a.

De literatuur over Barlaeus is zeer uitgebreid. Men zie over hem vooral de reeds aangehaalde rede van Corvinus (kol. 67), de uitvoerige studie van J.A. Worp, Caspar van Baerle in Oud- Holland III (1885) 241-266; IV (1886) 24-41, 172-190, 241-262; V (1887) 93-127; VI (1888) 87-103; 241-276; VII (1889) 89-129; Louis D. Petit, Bibliographische lijst der werken van de Leidsche Hoogleeraren, van de oprichting der Hoogeschool tot op onze dagen I: 1 (Leiden 1894) 193-222.

Worp