Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Enckevoirt, Willem van]

ENCKEVOIRT (Willem van), geb. 1464 te Mierlo (N. Br.), uit een oud-adellijk geslacht, en overl. 19 Juli 1534 te Rome.

Hij studeerde te Leuven, waar hij Adriaan van Utrecht als leermeester zal hebben gehad en met dezen nauw bevriend werd. Een openbare redevoering, door hem tot de godgeleerde faculteit gehouden wordt op zijn naam vermeld. Hij werd te Leuven licentiaat in de beide rechten, maar schijnt reeds spoedig naar Rome te zijn verhuisd, waar hij ten jare 1497 voorkomt als pauselijk hofbeambte en procurator aan de Curie. Na eenige jaren werd hij pauselijk kamerheer en schrijver of

[p. 436]

notaris. Hij was ook zaakgelastigde van hertog Philips van Bourgondië, later van Karel V, wat hem een machtigen invloed aan de Curie gaf en misschien niet weinig heeft bijgedragen tot de pauskeuze van Adriaan VI (9 Januari 1522). Deze benoemde hem in Augustus 1522 tot dataris, d.w.z. hoofd der Datarie, welke allerlei gunsten en voorrechten, met name kerkelijke beneficies, heeft uit te reiken. Ook het bisdom Tortosa, dat Adriaan had opengelaten, werd 11 Maart 1523 aan Enckevoirt verleend. Tijdgenooten prezen hem als: ‘de helft van Adriaan's hart en ziel’; deze noemde hem openlijk zijn ‘ouden en besten vriend’, die natuurlijk in alles met raad en daad ter zijde stond. Toen Adriaan zijn einde voelde naderen, riep hij voor het laatst de kardinalen bij zich, om hun mede te deelen, dat hij Enckevoirt tot kardinaal wilde benoemen. Niet zonder hun tegenzin bracht de paus - vier dagen vóór zijn dood - dit besluit ten uitvoer: 10 Sept. 1523 werd Enckevoirt verheven tot kardinaal-priester van Sint Johannes en Paulus, welken titel ook Adriaan had gevoerd; hij is de éénige kardinaal, dien de nederlandsche paus benoemd heeft. Ook was hij diens executeur; als zoodanig liet hij in de nationale kerk van S. Maria dell'Anima een prachtig grafmonument oprichten, waar 11 Augustus 1533 Adriaan's stoffelijk overschot plechtig werd bijgezet.

Bij den beruchten ‘Sacco di Roma’ (1527) werd Enckevoirt's paleis geplunderd en gebrandschat voor een waarde van 150,000 dukaten. Maar zijn groot vermogen leed hierdoor geen onherstelbaren schok. Want Enckevoirt had als dataris zeer aanzienlijke inkomsten, waarbij nog kwam de opbrengst der ruim 20 beneficies, welke hij in en bij de Nederlanden bezat, o.a. het aartsdiakonaat van Kempenland, de proosdijen van Oudmunster te Utrecht, van Tongeren en van Sint-Rombout te Mechelen, de dekanij van Sint-Jan te 's Hertogenbosch, kanonikaten in O.L. Vrouw te Antwerpen, Sint-Servaas te Maastricht, Dom en Sint-Jan te Utrecht enz. Bovendien werd hem 1 October 1529, toen niet buiten zijn toedoen de verwereldlijking van het Sticht door den paus goedgekeurd was, ook het door den afstand van Hendrik van Beieren openstaande bisdom Utrecht verleend. Maar evenmin als Tortosa bestuurde hij dit zelf. Van het bisdom Utrecht nam hij 24 Juli 1530 bezit door zijn neef Dr. Michaël van Enckevoirt als procurator; tot vicaris-generaal stelde hij Jacob Uteneng (kol. 439) aan; als wijbisschop liet hij den karmeliet Laurentius Hartog benoemen. Verder heeft de kardinaal zich nauwelijks om het bisdom Utrecht bekommerd, maar zich tevreden gesteld met deszelfs inkomsten van 2000 Carolus-gulden.

Van hebzucht, door zooveel opbrengsten naar zich toe te halen, kan Enckevoirt dus moeilijk worden vrijgepleit. Tot zijne verontschuldiging diene, dat destijds met pauselijke dispensatie verreweg de meeste Curie-beambten zoo deden, sommigen nog heel wat erger; dat E. te goeder trouw zoo handelde; vooral eindelijk, dat hij van zijn rijke imkomsten een onbaatzuchtig en edelmoedig gebruik maakte. Als dataris en bovendien als vertrouwde raadsman van Karel V - dien hij 22 Februari 1530, twee dagen vóór de plechtige kroning in Sint-Petronius te Bologna, daar in de stadhuiskapel het hoofd zalven mocht - was Enckevoirt een der voornaamste kardinalen. Toch leefde hij zeer eenvoudig. Voor goede werken toonde hij zich evenwel zeer mild. Te Mierlo stichtte hij reeds in 1506 eene vicarie aan het altaar van Sint-Jan den Dooper. Aan het Anima-hospitium schonk hij in

[p. 437]

1518 een huis met stalling en toebehooren; daar liet hij de kapel van Sint-Barbara prachtig beschilderen door Michiel van Coxcie, en als hoofd der provisoren van deze nationale instelling van liefdadigheid droeg hij wel het meest bij tot den wederopbouw der Anima-kerk in Bramante-stijl, die nog onze bewondering gaande maakt. In 1531 stichtte Enckevoirt te Mierlo, uit eigen middelen, het zoogenaamde Apostelhuis, tot onderhoud van 12 behoeftige oude mannen, met eene kapel, waar geregeld ook godsdienstoefening plaats hebben moest. Dit Apostelhuis werd eveneens bij testament ruimschoots door hem bedacht, ofschoon zijn éénige zuster Elisabeth, gehuwd met Gerrit Michielsz. Lombaerts, zijn universeele erfgename was. De Anima kreeg 400 dukaten, zijn paleis en de belendende huizen, met de eeuwigdurende fundatie eener jaarlijksche zielmis. Maar zijne begrafenis - zoo bepaalde hij uitdrukkelijk - moest geschieden met den grootsten eenvoud. Toch werd door zijne executeurs een waardige graftombe voor hem opgericht in de Anima-kerk, tegen wier ingangsmuur zij, vooral door de levensgroote, in slapende houding afgebeelde figuur van den ontslapene, nog de aandacht trekt.

De vóórlaatste nederlandsche kardinaal moet iemand van zeldzame geestkracht en vast karakter geweest zijn. Door stille en stoere arbeidzaamheid, door een ernstigen en vromen levenswandel, door edele milddadigheid muntte hij aan de Curie steeds uit; daardoor toont hij ook veel overeenkomst met zijn boezemvriend paus Adriaan. In het altaar van de Barbara-kapel der Anima-kerk, die na zijn overlijden, maar op zijne kosten werd voltooid, prijkt nog zijn geschilderd portret: een patriarchale verschijning, met langen, witten baard, die godvruchtig knielt en opwaarts ziet. Als geslachtswapen voerde E. drie adelaars 2-1 van sabel op een veld van keel; zijn utrechtsch bisschoppelijk wapen voert dit als hartschild op een veld van keel met kruis van zilver. Tot het einde der 18e eeuw komen, vooral in Limburg, nog aldus genaamde leden der familie voor.

Zie: Batavia sacra I (1714) 244-245; C. Burman, Analecta historica de Hadriano papa VI (Traj. ad Rhenum 1727) passim; Archief kerkgesch. IX (1838) 118-231; J.A. Coppens, Beschrijving van het bisdom 's Bosch II (1841) 87; III (1843) 394-395; Limburg's Jaarboek VI (1898) 67-96; XIII (1907) 180-182; G. Brom, Archivalia I ('s Gravenh. 1909) register van personen i.v.; dez. Der niederländische Anspruch auf die deutsche Nationalstiftung S. Maria dell' Anima (Rom 1909) 21-23; dez. in Nijhoff's Bijdragen 4e reeks, VIII (1910) 331-334; L. von Pastor, Geschichte der Päpste IV: 2 (Freiburg 1907) 56-57; D. Huurdeman, De nederlandsche paus Adriaan VI (Amsterdam 1908) 55 en 143; J. Lohninger, S. Maria dell' Anima (Rom 1909) 75-77 en 82-84; De Katholiek CXLI (1912) 247-252; E.W. Moes, Iconographia Batava no. 2366.

Brom