Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 764]

[Langendijk, Pieter]

LANGENDIJK (Pieter), 25 Juli 1683 te Haarlem geb., overi. 9 Juli 1756. Zijn ouders waren Arent Pietersz. van Langedyck en Anneke Luykes Nieuwenhuysen. Zijn grootvader was uit Outcarspel, een der vier dorpen, die te zamen ‘de Langendijk’ in Noord-Holland vormen, gekomen en droeg den naam Pieter Kort, wat waarschijnlijk geen familienaam was. Hij en Arent waren beiden metselaars van beroep. De laatste bouwde zich een huis in de Gierstraat (waarschijnlijk No. 5), waar de dichter geboren werd. Dit bouwen en het bezit van nog meer panden wijst op een zekeren graad van welstand.

Toen de dichter zes jaar oud was, stierf zijn vader; zijn moeder zette de zaken voort met behulp van een meesterknecht. De nu volgende jaren zijn waarschijnlijk in onbezorgdheid voor den knaap voorbijgegaan; in twee gedichten, later aan vrienden uit zijn jeugd gericht, herinnert bij dezen aan de gezamenlijke wandelingen en uitstapjes (Ged. I, 96 en 171); met een van hen, H.v. Steenwijk, teekende hij de kasteelen en de mooiste plekjes om Haarlem. Intusschen ging de metselaarszaak te niet en begon zijn moeder, door goede vrienden geholpen, een linnenwinkel, terwijl Pieter, nu omstreeks tien jaar oud, in Amsterdam bij Willem Sewel, waarschijnlijk door zijn vrouw familie van de Langendijks, in huis bezorgd werd. Deze, in zijn tijd bekend door verschillende geleerde werken, een man op velerlei gebied ervaren, onderwees hem in de beginselen van het Latijn, en waarschijnlijk ook in die der dichtkunst.

De linnenwinkel in Haarlem ging intusschen niet naar wensch. Juffrouw Langendijk was verkwistend en scheen geen overleg te hebben. Alles moest ten slotte verkocht worden; zij nam haar zoon weder bij zich, en vertrok naar den Haag (± 1695), waar zij een klein winkeltje hield, dat slechts een spaarzaam levensonderhoud verschafte. Ja, in het ‘Leeven’ in het 4e deel van de Gedichten wordt gezegd, dat er schier aan alles gebrek was en verder medegedeeld, dat de moeder zich, zoowel in Haarlem als in den Haag en later in Amsterdam, uit mistroostigheid soms aan den drank overgaf. Door nood gedrongen vatte Pieter ten laatste het wevershandwerk op, en vervaardigde naar eigengeteekende patronen ‘gaarendamast en servet-goed,’ 't welk hij in Amsterdam ging verkoopen. De leveranciers van zijn moeder zullen hem waarschijnlijk hebben voortgeholpen, terwijl zijn lust in teekenen reeds vermeld werd. Die had hem in den Haag ook waarschijnlijk met kunstenaars als den schilder H. Pola e.a. in betrekking gebracht. Door zijn verhandelen van het gewevene kwam hij in aanraking met groote wevers, waarvan een, de heer Prado, hem in dienst nam als meesterknecht over een weefzolder (omstreeks 1702). Daarna kwam hij als kantoorbediende bij Jan Brand, voor wien hij ook patronen teekende voor zijden stoffen. Hierin slaagde hij zoo goed, dat de heeren Verhamme, die zoowel te Haarlem als te Amsterdam eene fabriek schijnen gehad te hebben, hem als vasten patroonteekenaar aannamen. Toen zijn verbintenis met dezen ten einde liep, ging hij zich zelfstandig als zoodanig vestigen, en werkte nu voor verschillende wevers.

Vooral zijn laatste betrekking had hem een eenigszins ruim bestaan verschaft, terwijl hij als patroonteekenaar zooveel aftrek vond, dat hij steeds volop werk had, en in goeden doen kwam.

Reeds in den Haag had hij zich bezig gehouden

[p. 765]

met de beoefening der dichtkunst; nu kon hij zich in zijn vrijen tijd naar hartelust er aan wijden, en vond tevens kunstvrienden. Het eerst was hij in aanraking gekomen met den dichter-wever Jan van Gysen, een in zijn tijd populair, later meer als poëtaster belachen zanger, bij wiens erbarmelijke verzen Langendijk zeer leelijke prentjes maakte, benevens enkele lofdichten (1707, 1708 1711). Spoedig echter kwam hij in aanraking met kunstenaars van beter allooi: H. v.d. Gaete, den boekhandelaar-dichter, wiens winkel een brandpunt was van de poëten, J.v. Hoogstraten, den broeder van David, H. Angelkot, den als plaatteekenaar bekenden Jan Wandelaar, met het kunstgenootschap Constantia et Labore, wier leden hij in een strijd tegen Nil Volentibus Arduum met hekeldichten steunde, de tooneelspelers-dichters W. v.d. Hoeven en E. Krook; verder langzamerhand ook met de gebroeders Govert en Lambert Bidloo (de 1e lijfarts van W. III en Schouwburg-Pachter, de 2e auteur van het Panpoeticon), de oudheid- en penningkundigen Ludolf Smids en A. en G. Schoenmaker (L. Smids' Schatkamer der Ned. Oudh. voorzag hij van aanteekeningen); Cl. Bruin, L. Bake en vele anderen. Als wevers-patroon kwam hij in relatie met de familiën Kops en Teyler, beide bekend op 't gebied van wetenschap en kunst.

In den Haag had hij reeds zijn eerste tooneelwerk begonnen, de Don Quichot op de Bruiloft van Kamacho, waarschijnlijk na het lezen van den, in 1699 verschenen, 5en druk van een hollandsche vertaling van het werk van Cervantes. Door zijn nieuwverworven kennissen zal hij er in geslaagd zijn in 1711 dat stuk te doen opvoeren. Na dat succes volgen nu de werken elkaar op: in 1712 De Zwetser en 't Wederzijds Huwelyks bedrog; in 1715 Krelis Louwen en de Wiskunstenaars, de travesti Eneas in zijn Zondagspak, een genre toen zeer in den smaak, en (misschien buiten zijn weten) de dialoog Boertige Beschrijving v.d. Amst. Schouwburg. Ook hielp hij Angelkot in het berijmen van Addison's Cato. In 1720 vervaardigde hij de Quincampoix of de Windhandelaars, en bewerkte hij den Arlequyn Actionist naar een fransch stuk, terwijl hij ook de Caton d' Utique van des Champs voor 't Nederlandsch tooneel gereed maakte als Julius Cezar en Cato. Intusschen kwamen in 1721 zijn Gedichten uit, in twee 4o deelen met portret, waaruit blijkt, dat hij behalve aan het tooneel zich o.a. had gewijd aan de beoefening van de herderspoëzie, het hekel-, punt- en gelegenheidsdicht.

Tot nu toe had hij nu eens binnen, dan buiten Amsterdam gewoond; daar hij evenwel zijn meeste werkgevers te Haarlem had, vestigde hij zich in de nabijheid van die stad (1722). Reeds het vorige jaar was hij factor geworden van de Rederijkerskamer ‘Trou moet Blijcken’ te Haarlem, wat hem verplichtte geregeld een jaarzang te maken. Financieel schijnt het Langendijk zeer goed gegaan te zijn, en hij zou tot welvaart hebben kunnen komen, indien niet zijn moeder door slecht huishouden dit belet had. Dat er echter toch sprake is van een ruim bestaan blijkt uit het feit, dat hij omstreeks 1724 behalve zijn woning buiten Haarlem, er nog een in de stad huurde, om niet vóór poortsluiten zijn vrienden te moeten verlaten, die hij nog al vaak opzocht, om het ongezellige tehuis te ontvluchten. Daarna nam hij een buitentje, waarschijnlijk aan de Brouwersvaart, en een kamer in de stad. In 1728 schijnt hij voor goed in de stad te zijn gaan wonen. Aan zijn liefhebberij voor boeken en prenten en schilderijen gaf hij ruimschoots toe, daar er

[p. 766]

later een afzonderlijke veiling van gehouden is.

In 1724 kreeg hij hinder aan de oogen, en uit vrees van het teekenen te zullen moeten opgeven, vatte hij het weven weder op en voegde er zelfs het garenspinnen aan toe. Gelukkig genas hij echter. Of hij toen het spinnen heeft opgegeven, is niet bekend, maar wel is het waarschijnlijk.

In 1727 stierf zijn moeder, en nu trad hij, binnen 't jaar, in het huwelijk met een meisje, dat hij reeds lang had lief gehad, nl. Joannetta Sennepart. Had hij tallooze herders- en andere zangen op bruiloften getokkeld, nu kon hij de lier voor zijn eigen bruid stemmen. Het ‘Leeven’ zegt omtrent het huwelijk: ‘Dan hij was ook met haar niet gelukkig, want behalven dat zij vrij kwistig viel, deelde haar inborst in de ongesteldheid van haar lichaam, totdat zij door veelerlei kwaalen gesleeten, na verscheidene jaaren sukkelens den geest gaf (1729)’.

't Zij ten gevolge van zijn huiselijke omstandigheden, waarin hij een ‘voorbeeldig geduld’ toonde, 't zij door zijn wat zorgelooze natuur, wilde ook nu de eigenlijke welvaart niet blijvend zijn; hij ging achteruit, en geraakte ten slotte zoo aan lager lij, dat hij zijn verzamelingen moest verkoopen (1747), hoewel hij eerst later zijn optrekje verkocht. Een beschrijving van de stad Kleef, als badplaats vooral, in 1747 door hem uitgegeven, en blijkbaar in de vorige jaren opgezet, doet veronderstellen, dat hij daar tegen ouderdomskwalen genezing zocht: ook dit zal zijn financieelen toestand niet verbeterd hebben.

Sinds 1720 vinden wij geen tooneelwerken meer van hem, behalve dan de berijming van een stuk van Legrand De bedriegerij van Cartouche (1732). Wel verscheen in 1745 een geschiedwerk op rijm De Graaven, eigenlijk al de jaarzangen van 1724 tot 1744, terwijl hij bij bruiloften, nationale feesten enz. zich veelmalen deed hooren.

In 1749 benoemden de Burgemeesters van Haarlem, wetende, dat Langendijk zich veel bezighield met de geschiedenis van zijn geboortestad, en ook, dat hij in vrij bekrompen omstandigheden verkeerde, hem tot stads-historieschrijver, en verschaften hem als zoodanig onderhoud in 't Proveniershuis in de Groote Houtstraat. Zijn beschrijving van Haarlem, eigenlijk een verbeterde en vermeerderde uitgave van S. Ampzings Beschrijving, heeft hij niet geheel kunnen voltooien, hoewel het weinig scheelde; het Hs. is nog in wezen (zie Meijer, Langendijk 148 vlgg.).

Intusschen hield Langendijk zich ook met de poëzie onledig. In 1751 verzamelde hij zijn later gemaakte gedichten tot een derde deel, weder met een portret voorzien. In dit deel ziet men, hoe, als vele anderen, de vrijheidlievende en staatsgezinde dichter door de omstandigheden geheel van inzicht veranderd was, en met vreugde Willem IV begroette als vredestichter.

Ook de liefde voor het tooneel ontwaakte weder; hij begon enkele stukken, die hij vroeger had laten liggen, te voltooien: de Xantippe, en den Papirius of het oproer der Vrouwen binnen Rome.

In 1756, 9 Juli, stierf de grijze dichter, na langen tijd gesukkeld te hebben; op zijn ziekbed liet hij zich eerst doopen; hij was mennist, en had uit onverschilligheid voor ceremoniën ook die van den doop verzuimd.

Na zijn dood vond men den onvoltooiden Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden. Door zijn vriend, den uitgever J. Bosch, werd dit stuk aan twee amsterdamsche dichters gegeven, om het te voltooien en na te zien en daarna met bovengenoemde twee blijspelen benevens nog eenige

[p. 767]

ongedrukte verzen, en een levensbeschrijving door een ongenoemde, als vierde deel van zijn Gedichten uitgegeven.

Omtrent zijn persoon schrijft het Leeven: ‘Middelmaatig was hij van langte en taamelijk gezet, hebbende een stijve bouding. Zijn gelaat was deftig, doch gereed zich in vrolijke plooi te zetten .... Boertig van aart zijnde, en weetende verscheidene snakerijen voor te brengen, wekte hij de vreugd, voornaamlijk bij vrinden, waarmeede hij gewoon was te verkeeren’. Dit komt overeen met zijn laatste portret in 1751 gegraveerd door J. Houbraken naar C. Pronk en teekent hem als reeds bejaarde. Op jongeren leeftijd wordt hij geschetst in deze woorden: ‘Alle deeze rampspoeden verduurde (hij) .... met eene ongemeene gelijkmoedigheid; en word van hem getuigd: dat niemand hem ooit droefgeestig of zwaarmoedig gezien hebbe’. Een geheel anderen indruk dan dat van 1751, maakt dan ook het portret in Dl. I der Gedichten (eveneens gegraveerd door J. Houbraken), waar hij veel meer leven, energie, en zekeren zwier vertoont. Niet geheel onrecht heeft Mehler, wanneer hij Langendijk een bohémien noemt; in vele opzichten is die benaming op hem toepasselijk.

Mogen zijn andere gedichten geheel vergeten zijn, de blijspelen van Langendijk hebben zich meer dan een eeuw op het tooneel gehandhaafd, en sommige zijn, na ongeveer een halve eeuw gerust te hebben, weder voor den dag gehaald en herhaalde malen, en met succes, op de planken gebracht (Krelis Louwen, Wiskunstenaars, Don Quichot).

Ten slotte zij nog vermeld, dat zich op 't Rijksmuseum eenige etsen van Langendijks hand bevinden (Meijer 37).

Uitgaven: Gedichten. 2 dln., 4o. Amst. 1721 m. portr.; 2e druk, 4o. Haarl. z.j.; Dl. III, 4o. Haarl. 1751; Dl. IV met portr., 4o. Haarl. 1760.

Don Quichot of de Bruiloft van Kamácho, 8o. Amst. 1712; 8o. Amst. 1714; in Gedichten II; Amst. 1721; groot papier, Amst. 1736; in herdr. Ged. II; 8o. Amst. 1800; 8o. Amst. 1819; in Dichterl. Werken I, 8o. Rott. 1829; 8o. z. pl. en j. (± 1840); 12o. in Kl. N. Pantheon, Schiedam 1854; herdruk van vorige z.j.; in Pantheon, herzien, Zutphen 1905. - De Zwetser, 8o. Amst. 1712; in Gedichten II; 8o. Amst. 1733; in Ged. II, 2e dr.; 8o. Amst. 1789; 12o. in Pantheon, Zutphen 1892. - Het Wederzydsch Huwelyks Bedrog, 8o. Amst. 1714; groot pap., Amst. 1720; in Ged. II; 8o. Amst. 1754; in Ged. II, 2e dr.; 8o. Amst. 1795; in Dichterl. Werken I; 8o. Rott. 1829; 8o. z. pl. en j. (± 1840); 12o. in Pantheon, Schied. 1859; 8o. in Zwolsche Herdr. 1891. - Krelis Louwen of Alexander de Groote op het Poëetemaal, 8o. Amst. 1715; in Ged. II; 8o. Amst. 1730; 8o. Amst. 1740; 8o. Amst. 1740; in Ged. II, 2e dr.; 8o. Amst. 1789; 8o. Amst. 1808; 8o. z. pl. en j. (± 1828); 12o. in Pantheon, Schied. 1852; hiervan nieuwe titeluitg. 1880; n. omsl. met 1884; 12o. Pantheon, herzien, Zutphen 1892. - De Wiskunstenaars of 't Gevluchte Juffertje, 8o. Amst. 1715; in Ged. II; 8o. Amst. 1730; in Ged. II, 2e druk; 8o. Amst. 1784; 12o. in Pantheon, Schied. 1854; 12o. in Pantheon, herz. Zutphen 1903. - Boertige Beschrijving v.d. Amst. Schouwburg en het vertoonen van Aran en Titus, in Ged. II 1en en 2en druk; één 4o. en twee 8o. uitgaven z. pl. en j. - Quincampoix of de Windhandelaars, 8o. Amst. 1720; in Het Groote tafereel der dwaasheid 1720; in Ged. II, 1e en 2e dr.; 8o. Amst. z.j. (± 1820); 12o. in Pantheon, Schied. 1852; hiervan nieuwe titeluitg. 1880; n. omsl. met 1884; 12o.

[p. 768]

in Pantheon, herz., Zutphen 1892. - Arlequyn Actionist, 8o. Amst. 1720; 4o. Amst. z.j. (1720); in Het Groot taf. d. dwaash. 1720; in Ged. II, 1e en 2e dr.; 12o. in Pantheon, Schied. 1852; 12o. Pantheon, herz. Zutph. 1892. - Xantippe of het booze wyf d. filosoof Socrates beteugeld, 8o. Amst. 1756; 8o. gr. pap., andere uitg. Amst. 1856; in Ged. IV; 12o. in Pantheon, Schied. 1856. - Papirius of het Oproer d. vrouwen binnen Rome, in Ged. IV; 8o. Gedr. v.d. Liefh. z.j.; dezelfde op gr. pap.; 12o. in Pantheon, Schied. 1854 en herdr. z.j. - Spiegel der Vaderl. Kooplieden, in Ged. IV; 8o. Gedr. v.d. Liefh. z.j. (± 1760); dezelfde op groot pap.; 8o. met aant. Amst. 1827; 12o. in Pantheon, Zutphen 1892; herdr. v. vor. 1902. - De Eneas van Virgilius in zijn Zondags Pak. Vierde Boek, 8o. Amst. 1715. - De Graaven van Holland in Jaardichten beschreven, 4o. Haarl. 1745. - De Stad Kleef, Haar Gezondheidsbron enz. in Kunstprenten verbeeld ... met aanteekeningen, 4o. Haarl. 1747; 4o. Haarl. z.j. (± 1760). - Willem I, Prins v. Or., in jaardicht beschreven, 4o. Haarl. 1754; 4o. Haarl. 1762. - Nieuw Lied .... Ten tyde dat men Illumineerde .... binnen Haerlem, plano. 1757. - Levensloop der Aartsvaderen, m. pl. v.J. Luyken, 1760.

Vertaalde werken: De Bedriegerij van Cartouche, of de fransche roovers, 8o. Amst. 1732; in Ged. IV. - Julius Cezar en Kato, 8o. Amst. 1720; in Ged. II, 1e en 2e dr.; 8o. Amst. 1738.

Behalve in de algemeene werken zie men de monographien: C.H.Ph. Meijer, P. Langendijk. Zijn Leven en Werken (den Haag 1891); F.Z. Mehler, Pieter Langendijk (Culemb. 1892).

C.H.Ph. Meijer