Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. A.W. Sijthoff, Leiden 1912


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Seelig, Hendrik Gerard]

SEELIG (Hendrik Gerard), geb. 8 Sept. 1785 te Neustadt Godens (Oost-Friesland), overl. te Ginneken in den nacht van 2 op 3 Oct. 1864. Op 23 April 1800 trad S. in dienst als cadet-volontair bij het 2e bataillon artillerie. Na de verbreking van den vrede van Amiens werd zijn compagnie onverwachts aan boord van een schip te Hellevoetsluis gebracht en naar West-Indië gezonden, terwijl de troepen eerst op het allerlaatste oogenblik hun bestemming vernamen. Vrees voor de Engelschen was oorzaak van dit eigenaardig optreden. Het schip ‘Utrecht’ leed schipbreuk op een der Orcadische eilanden. De troepen werden als krijgsgevangenen der Engelschen beschouwd doch op 1 Mei 1807 weer vrijgelaten. S. werd nu als onderofficier op het bureau der artillerie van het min. v. oorlog geplaatst; 8 Aug. werd hij bevorderd tot 2den luitenant en bij de bezetting van Amsterdam ingedeeld. Na de inlijving bij Frankrijk werd hij geplaatst bij het 9de regiment artillerie, naar Hamburg en de Noordzeekust gezonden, waar hij diensten als landmeter verrichtte. Na zijn bevordering tot 1sten luitenant (1812) kwam hij te Maagdenburg in garnizoen; uit hoofde van de gunstige rapporten omtrent hem als opnemer en teekenaar uitgebracht werd hij op 7 April 1813 tot aide-de-camp benoemd van den divisie-generaal Seroux. In Nov. 1813 werd S. kapitein der 2e, in Maart 1814 kapitein der 1e klasse. Na de capitulatie van Maagdenburg (16 Mei) keerde S. met het hollandsche deel van het garnizoen in het vaderland terug. 24 Juni werd S. ingedeeld bij het hollandsche 2de bataillon artillerie van linie en kort daarna benoemd tot assistent bij de Artillerie- en Genieschool te Delft. Bij de oprichting der Kon. Militaire Academie te Breda werd S. bij de geschutgieterij te Luik overgeplaatst en bleef daar tot de omwenteling; toen vertrok hij naar Maastricht en later naar Antwerpen. 5 Jan. 1830 was hij benoemd tot majoor, commandant van het 3e bataillon artillerie nationale militie aldaar. Tijdens den opstand en de twee volgende jaren voerde S. het bevel over de artillerie in de Citadel, waar hij zich tijdens het beleg op buitengewone wijze door geestkracht en beleid onderscheidde. In Nov. 1830 kreeg hij de M. Willemsorde 4e, na het beleg het ridderkruis der 3e klasse. In den raad van defensie was hij de eenige die op 22 Dec. 1832 tegen het aanknoopen van onderhandelingen stemde. Na zijn terugkeer uit de krijgsgevangenschap (7 Juni 1833) werd S., die in Febr. te voren buitengewoon bevorderd was tot luitenant-kolonel, in commissie naar Engeland gezonden tot aankoop van geschut. Bij die gelegenheid maakte hij een nauwkeurige studie van het engelsche artilleriematerieel, waarvan de vruchten bewaard zijn in den door hem samengestelden atlas van artilleriematerieel. Delprat en S. zijn voorts de groote mannen geweest van de hervorming van het militair onderwijs. Op 10 Juni 1836 werd S. tot 1sten, Delprat tot 2den commandant van de K. Militaire Academie benoemd. Groot zijn de verdiensten in die betrekking door hem aan den dag gelegd. In 1840 werd hij bevorderd tot kolonel. In 1845 volgde zijn benoeming tot generaal-majoor, in 1852 werd hem pensioen verleend met den rang van luitenant-generaal. Vijf jaren daarna werd hij tot adjudant in buitengewonen dienst benoemd. Bij de oprichting van het Comité van

[p. 1307]

Defensie in 1850 werd S. tot lid, later tot vice-president er van benoemd. S. was een hoogst ontwikkeld, wetenschappelijk uitstekend onderlegd officier, bescheiden van aard, vol plichtsbetrachting en lust om zijn kennis te vermeerderen. Hij schreef: Onderwijs in de beweging van lasten voor artilleristen (1821) en vertaalde met Delprat uit het Duitsch het Militair Zakboek tot gebruik in het Veld van v. Scharnhorst (1826-1828). Van den Artillerie-atlas voltooide hij in 1861 de afdeeling ‘Techniek’ en ‘Voormalige Nederlandsche artillerie’. De afdeeling ‘Taktiek’ bleef onvoltooid. Hij was gehuwd met Jacoba Elisabeth van Stipriaan Luiscius.

Zijn portret is op steen geteekend door F.B. Waanders en door J. Schouman.

Zie, behalve de vele werkjes over het beleg van de Citadel van Antwerpen: Militaire Spectator 1864, 721 vlg.; Knoop, Krijgs- en Geschiedk. Geschriften 5e en 6e deel (Journaal van Seelig); Bosscha, Neerl. Heldendaden te L. III, 513, 580, 586, 588, 592, 596, 597, 606, 612, 613, 614.

Eysten