Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Blanckaert, Nicolaas (2)]

BLANCKAERT (Nicolaas) (2), Nic. Blankaart, of Nicolaus Blancardus, geb. te Leiden 27 Dec. 1624 en op denzelfden dag in de Pieterskerk gedoopt; overl. te Franeker 15 Mei 1703, begr. Gr. kerk; zoon van Steven B. (zie voorg. art.) en van Annavan Heemskerck. Zijn vader elf dagen na de geboorte van zijn zoon overleden zijnde, werd Nicolaas Bl. door zijn moeder opgevoed, onder toezicht van zijn voogden Willem Sergeant en Joannes van Leeuwen, beiden schepenen der stad Leiden. Hij studeerde in zijn geboorteplaats aan de hoogeschool en genoot daar het onderricht in de oostersche talen van Jacocobus Golius en in de geschiedenis van Marcus Zuerius Boxhorn, terwijl de gemeenzame omgang met Claudius Salmasius niet weinig tot zijn vorming heeft bijgedragen.

Reeds op de academie beroemd om zijn geleerdheid, werd hij op den leeftijd van 20 jaar en even candidaat in de rechten, door Ernst Willem, graaf van Bentheim, 13 Oct. 1645 beroepen tot hoogleeraar in de philosophie en geschiedenis aan het gymnasium te Steinfurt. Philips, graaf van Steinfurt, benoemde hem daarenboven tot zijn raad en minister en vertrouwde hem het bewind zijner gewichtigste zaken. Bij de oprichting der Illustre school te Middelburg in 1650 beriep de regeering dier stad hem 3 Sept. tot hoogleeraar in de geschiedenis en oudheidkunde. Hij was hier met den grootsten ijver bezig om de school tot bloei te brengen, waarom de Staten van Zeeland hem tot belooning voor zijn gewichtige diensten 23 Sept. 1655 in plaats van den overleden Mattheus Vossius tot historieschrijver van hun gewest benoemden. Onder al zijn beslommeringen vond de werkzame man nog gelegenheid zich aan een lievelingsstudie, die der geneeskunde, te wijden en dat wel met zooveel succes, dat hij 23 Juni 1664 te Harderwijk na verdediging van zijn proefschrift De peste tot doctor in de geneeskunde werd bevorderd.

De Illustre school te Middelburg 28 Sept. 1666 opgeheven zijnde, begaf Blancardus zich naar Friesland, waar hij zich als geneesheer te Heerenveen vestigde. 27 Nov. 1669 werd hij, na het overlijden van Petrus Mol, tot hoogl. in de grieksche taal en oudheden aan de hoogeschool te Franeker benoemd. Prinses Albertina Agnes v. Nassau koos hem

[p. 155]

tot haar geheimraad en lijfarts en stelde hem 21 April 1671, met bewilliging der Staten van Friesland, aan tot ‘oppersten bestierder’ der opvoeding van haar zoon Hendrik Casimir, met last aan den gouverneur, leermeester en onder-opzieners de aanwijzingen van Blancardus in alles op te volgen.

Bij de 100-j. herdenking van de stichting der friesche hoogeschool, in 1685, werd hem, toen voor de tweede maal rector-magnificus, door de Staten van Fr. de viering en regeling van het jubelfeest opgedragen, van welke opdracht hij zich bij die gelegenheid door een sierlijke latijnsche oratie ten genoege van een talrijk auditorium kweet.

Door zijn onvermoeid arbeiden en zittend leven verviel hij omstreeks 1690 in een langzaam uitterende ziekte, die hem zoowel zijn professoraat als letterkundigen arbeid onmogelijk maakte. In den herfst van 1702 openbaarde die ziekte zich heftiger en in het volgend voorjaar scheidde hij uit het leven. Zijn echtgenoote Maria Eversdijck (1628-1674) (zie III kol. 369), met wie hij 2 Febr. 1650 te Goes was gehuwd, schonk hem zeven kinderen, waarvan bij den dood des vaders nog twee dochters en een zoon in leven waren. De zoon Steven volgt. Een andere zoon, Cornelis Blanckaert, was kort vóór zijn vader overleden. Hij is de boekdrukker, die in 1688 te Amsterdam in de Warmoesstraat woonde en geschriften van zijn broeder Steven uitgaf (Volgens Mdbl. Amstelodamum 1916, p. 25 bestaan van hem enkel uit het jaar 1688 uitgaven!)

De portretten van Nic. Blanckaert en van Maria Eversdijck, door Willem Eversdijck bevinden zich in het Rijksmuseum, terwijl van den hoogleeraar zelf een geschilderd portret in het Stadhuis te Franeker is en er ook nog een zeer fraai portret (aet. LXVIII) bestaat, zwarte kunst, door P. Aeneae.

Zijn zinspreuk was: ‘Incertum quo fata trahunt’.

Nicolaas Blanckaert is de schrijver van: Panegyricus Matthenesio et Pavio a stabilitata pace Monasterio reducibus sacratus (Leiden 1648); Q. Curtii Historiae Alexandri Magni ex recognitione cumque notis Nicolai Blancardi et aliorum (Leiden 1649); L.A. Flori, Epitome Rerum Romanarum ex recensione Nicolai Blancardi cumque variorum notis (Leiden 1650); Arrianus, de expeditione Alexandri (Amst. 1668); Adlocutio ad Celsiss. et Illustr. Principem Henricum Casimirum, quo adventum ejus in Acad. Franeq. solemniter gratulabatur (Fran. 1671); Philippi Cyprii Chronicon Ecclesiae Graecae e M.S. Byzantino primum vulgatum et Lat. redditum. Accedit Christophori Angeli de Statu hodiernorum Graecorum Enchiridion cum versione G. Felavii (Fran. 1679); Arriani Tactica, Acies contra Alanos, Periplus Ponti Euxini et Maris Erythraei, de Venatione, Epicteti Enchiridion cum Paraphrasi, ejusdem Apophthegmala etc., cum interpretationibus Latinis et notis, cum aliorum, tum et nonnullis Blancardi (Amst. 1683); Harpocrationis Lexicon cum Blancardi Versione Latina, notisque Maussaci et Valesii, etc. (Leiden 1683); Panegyricus pro Jubilaeo seu Festo saeculari Acad. (Franeker 1685); Thomae Magistri Dictionum Atticarum Eclogae, emendatae, opere universo disposito, et addito Catalogo veterum scriptorum, quorum in hisce Eclogis mentio (Franeker 1690). (Hierbij zijn ook gevoegd de aanteekeningen van den hoogleeraar Lambertus Bos); Tabulae Geographicae Asiae, Europae et Africae veleris.

Een nieuwe uitgaaf van Thucydides was door hem ter hand genomen, doch deze bleef door zijn opkomende ziekte achterwege. Onvoltooid

[p. 156]

ook bleef 't Glossarium op Cyrillus. In 1653 verscheen nog te Amsterdam een uitgave van Tacitus door Nic. Bl. waaraan zijn toegevoegd twee brieven van Marcus Zuerius Boxhorn in 1647 en 48 aan Blanckaert geschreven.

Uit zijn studententijd dagteekent een zeldzaam boekje getiteld: Ornatissimo doctissimoque juveni Nicolao Blanckardo, Lugd. Bat. de Consulatu et primis Romanorum consulibus disputanti. 4 Nov. 1643. (Een exemplaar kwam voor in den Catal. van R.W.P. de Vries: Documenten betreff. Ned. Geslachten). In dien zelfden catal. de origineele aanstelling tot professor te Steinfurt 1645, m.s. (Dit jaartal wordt doorgaans foutief op 1648 gesteld).

Zie: Galerij van beroemde mannen en vrouwen in Nederl. III, 28 en volg.; Alg. Konst- en Letterbode 1846, I, 61; van Kampen, Gesch. der Nederl. Lett. en Wetensch. I, 424; Vriemoet, Athen. Frisiae 504-511; Boeles, Frieslands Hoogeschool II, 247; Regt, Gesl. van Prof. Blancardus in Navorscher LV (1905), 96 en volg.

Regt