Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Bylandt, Lodewijk graaf van]

BYLANDT (Lodewijk graaf van), of van Bylandt - Halt, vermoedelijk geb. te Keken in 1718, overl. te Hoeven in N. Brab. 28 Dec. 1793, jongste zoon van graaf Ludwig Roeleman, pruisisch-kleefsch regeeringsraad, en van Christina Maria Louisa Freiin von Heyden - Broeck.

Hij trad in zeedienst, deed als adelborst in 1736

[p. 384]

zijn eerste reis naar Curaçao en werd in 1747 kapitein. Gevormd in de school van Schrijver, Lijnslager en van Wassenaer, werd hij een der bekwaamste zeeofficieren uit de tweede helft der 18e eeuw en nam met genoemde admiraals meermalen deel aan expedities tegen de Barbarijsche zeeroovers. In 1756 was hij onder van Wassenaer kapitein op de ‘West-Stellingwerff’, in 1768 onder Roemer Vlacq kommandeur op de ‘Thetis.’ In 1775 toen de Republiek meer afdoende maatregelen tegen deze piraten nam en een eskader onder Hartsinck in zee stak, verving van Bylandt Pichot, den opvolger van Hartsinck. Hij was toen schout-bij-nacht. Wel mislukte ten deele een aanval op een paar roofschepen in een baai nabij Tetuan, doch de blokkade der Marokkaansche kust werkte zoo afdoende, dat, kort na het vertrek van v.B. naar het vaderland, de sultan van Marokko met onze natie vrede moest sluiten.

Op aandrang van de W.I. Compagnie en van een aantal bij den handel op West-Indië (die bedreigd scheen) belang hebbende kooplieden, rustte de staat in 1777 een eskader uit, dat onder bevel van v. Bylandt naar de West stevende om de engelsche kapers in toom te houden. Teruggekeerd werd hem in het laatst van 1779 met vijf oorlogsschepen de bescherming van een koopvaardijvloot opgedragen. Uit Texel weggezeild, werd hij 31 Dec. van dat jaar nabij het eiland Wight door den engelschen commodore Fielding aangehouden. Volgens gewoonte en volgens verdragen had deze alleen het recht de papieren der geconvoyeerde schepen aan boord der oorlogsschepen na te gaan. Doch Fielding begon met een onderzoek der koopvaarders zelf, wat van Bylandt niet mocht en wilde toelaten. Een schermutseling ontstond, waarbij v.B., als verre in de minderheid, de vlag moest strijken en de koopvaarders in handen der Engelschen laten. Hij kreeg wel vergunning de vlag weer te hijschen, doch weigerde het konvooi te verlaten, dat hij tot Portsmouth vergezelde, waar hij bericht van het gebeurde zond. Een hevige gisting ontstond in het vaderland bij ontvangst daarvan; men nam hem zijn houding ten hoogste kwalijk en hatelijke pamfletten, zoo tegen hem als tegen den Prins verschenen, waarin men v.B. verweet de opvolger te zijn van geheime bevelen, waardoor het konvooi verloren was gegaan. De Prins nu had mede het gedrag van van B. afgekeurd, zoodat aan dezen niets overbleef dan een beroep op een buitengewonen krijgsraad, die zijn zaak zou onderzoeken. Alzoo geschiedde en na een uitvoerig en omslachtig rechtsgeding gaf de advocaat-fiscaal te kennen, dat v.B. zich op alle punten volkomen had gezuiverd, zich als man van eer had gedragen en in allen deele zijn plicht had gedaan. De geheele krijgsraad vereenigde zich met dit gevoelen, zoodat v.B. onmiddellijk werd vrijgesproken en in eer en rang werd hersteld.

Toen de Vierde Engelsche oorlog uitbrak, was v.B. in West-Indië. Gingen St. Eustatius, Demerary, Essequebo en Berbice verloren: Curaçao dat onder leiding van van Bylandt behoorlijk werd verdedigd, bleef voor het vaderland behouden. In hetzelfde jaar 1781 naar Holland teruggekeerd, werd hij tot vice-admiraal bevorderd en kreeg opdracht met zijn schepen voor de kust te kruisen of wel de uitzeilende en thuiskomende koopvaarders tegen aanslagen der Engelschen te beveiligen. De jammerlijke toestand, waarin zich destijds onze zeemacht bevond, en de overmacht van schepen aan engelsche zijde beletten evenwel doorgaans zelfs de beveiliging der koopvaardij. Het was daarom dat toentertijd sprake was van samenwer-

[p. 385]

king te zoeken met de fransche vloot; vooral de amsterdamsche burgemeester Rendorp (waarschijnlijk op aansporing van den franschen gezant de la Vauguyon) ijverde daar sterk voor. Dit ‘concert’, waarvan men zich veel voorstelde, vond na veel besprekingen bijval bij de meeste provinciën, doch leed schipbreuk op de houding der nederlandsche marine-officieren, die aantoonden dat de gecombineerde vloten te zwak waren om iets tegen de Engelschen te ondernemen, - dat de vloot dan heel niet meer voor de koopvaardij kon worden gebruikt, - en dat de vloot waarschijnlijk geheel in handen van Frankrijk zou worden gesteld. Men raadde aan liever voorloopig de engelsche vloot maar te ontwijken en intusschen de eigen scheepsmacht te versterken.

Toen nu, na een vergeefschen tocht van Hartsinck, v. Bylandt en v. Kinsbergen om de Oostzeevloot noordwaarts te geleiden en de oostind. retourvloot van Drontheim af te halen, in Sept. 1782 het bericht kwam, dat de engelsche vloot in zuidelijke richting was vertrokken om het belegerde Gibraltar te ontzetten, kwam Vauguyon opnieuw met het voorstel tot combinatie der beide vloten voor den dag. Men zou zich in Brest vereenigen en òf gezamenlijk naar Indië stevenen, òf op de engelsche kusten gaan kruisen om daar den vijandelijken handel afbreuk te doen, tevens om Rodney op te vangen, die met buit beladen uit West-Indië op de terugreis was. Na lang talmen, eindeloos geharrewar en tegen het advies der nederl. vlootvoogden, besloten de Staten 10 van de grootste nederl. schepen uit Texel naar Brest te doen vertrekken, echter met deze reserve dat zij uitsluitend in de europeesche wateren zouden worden gebruikt. Van Bylandt werd tot bevelhebber van het eskader benoemd, doch toen eindelijk het oogenblik van vertrek aanbrak, beletten hevige stormen op de fransche kust het uitzeilen; tegelijk liepen hardnekkige geruchten dat de engelsche vloot weder op de terugreis was. De Prins en de raadpensionaris wilden nu evenwel het eenmaal opgevatte plan doorzetten en geboden van Bylandt onder zeil te gaan. Doch thans verklaarde v.B., die den toestand der vloot had onderzocht, dat zij wegens gebrek aan de noodige materialen, proviand, ammunitie en winterkleeding zóó niet in zee kon steken, met welk gevoelen zich alle vlag-officieren en kapiteins vereenigden. De tijd verliep en de Staten waren gedwongen aan den franschen gezant kennis te geven dat ‘door een samenloop van toevallige omstandigheden’ aan zijn verzoek niet kon worden voldaan.

Hevig verontwaardigd was men hier te lande over dit besluit. Van Bylandt en met hem de geheele nederl. marine, ook de stadhouder, werd beschuldigd van grove nalatigheid, van Engelschgezindheid en van verstandhouding met den vijand. Een commissie uit de Staten v. Holland vervoegde zich herhaaldelijk bij den Prins; een op verlangen dezer commissie benoemd ‘besogne’ onderzocht de gansche zaak, het achtte een gerechtelijk onderzoek door de admiraliteiten van de Maze, Amsterdam en Zeeland noodig, maar Holland verlangde het onderzoek door een buitengewone commissie verricht te zien, waartoe eindelijk in het laatst van 1783 werd besloten. Eerst in den zomer van 1785 kwam de zaak in de Staten-Generaal; van Bylandt was vooral de beschuldigde, doch nu namen de staten van Gelderland hem als hun ingezetene in bescherming, zoodat de zaak slepende bleef De binnenlandsche onlusten beletten intusschen den voortgang, zoodat zij bij het herstel der stadhouderlijke macht in 1787 nog niet

[p. 386]

was uitgewezen en de verdere behandeling ook achterwege is gebleven.

Van Bylandt, die later tot luitenant-admiraal en inspecteur-commandant van het corps zeeartilleristen werd benoemd, overleed ongehuwd in 1793 en werd in zijn waardigheden opgevolgd door Jan Arnold Zoutman. Hijzelf blijft in de herinnering voortleven als talentvol en ijverig zeeofficier, die ondervinding met grondige kennis vereenigde, als hersteller der destijds geheel verwaarloosde krijgstucht en als aankweeker van een krijgshaftigen geest, zoo onder de officieren als minderen der vloot. Zijn werk: Zeetactiek of Grondregelen der Krijgskunde ter zee (Amst. 1767, 2 dln.) is het eerste, hier te lande, over dit onderwerp in het licht verschenen en gold lang voor het eenige leerboek. De zaak Brest heeft hij toegelicht in een ander werk: Memorie behetzende een voordracht van deszelfs gehouden conduites omtrent de geordonneerde expeditie naar Brest (Pamflet Knuttel no. 20373, 20374).

Zie: Blok, Gesch. van het Nederl. Volk III, 513, 521, 526 vlg., 557, 560 vlg.; Colenbrander, De Patriottentijd I, 245; Bedenkingen over de mislukking der expeditie na Brest, Oct. 1783; Rapport van H.H. Gecommitt. tot het onderzoek .... wegens het verzenden van tien schepen naar Brest, 1785; de Jonge, Nedert. Zeewezen V en VI a; Pamflet Knuttel no. 20365-20382.

Regt