Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Zesen, Philipp]

ZESEN (Philipp) of von Zesen, geb. te Prirau bij Dessau 8 Oct. 1619, gest. te Hamburg 13 Nov. 1689. Hij genoot het eerste onderwijs van zijn vader, die predikant was en die hem ter voortzetting van zijn studiën naar de Latijnsche school te Halle zond; in 1630 hield de jonge Zesen daar een Latijnsche redevoering over de rampen van den oorlog; in denzelfden tijd legde hij een rijmwoordenboek aan. In 1639 werd hij gepromoveerd van de Latijnsche school; hij hield toen een Gebundene Dank-, lob- und abschiedsrede vom nutz und währte des Saltzes, an die Hälleschen Salanen (Halle 1639). Hij had toen reeds zijn eersten dichtbundel uitgegeven, Melpomene oder Trauer und Klaggedichte über das unschuldigste und bitterste Leiden und Sterben Jesu Christi (Halle 1638). Hij ging daarna te Wittenberg studeeren, waar August Buchner zijn geliefkoosde leermeester was. Aan dezen droeg hij ook zijn Deutsche Helicon (Wittenberg 1640; 4e dr. Jena en Berlijn 1656) op, een dichtbundel, die hem ineens beroemd maakte. In het voorjaar van 1641 verliet hij Wittenberg; of hij daarna nog in Leipzig heeft gestudeerd, is onzeker. Hij voerde in 1642 den titel magister liberalium artium, maar of hij dien titel terecht

[p. 1504]

voerde en waar hij dien kan hebben verworven, is onbekend. Hij begaf zich over Hamburg, waar hij van October 1641 tot April 1642 was, in 1642 naar de Nederlanden, waar hij 8 Oct. 1642 te Leiden de voorrede van zijn Hooch-Deutsche Spraach-Uebung (Hamburg 1643) voltooide. Op 1 Mei 1643 dateert hij het slotwoord van zijn Scala Heliconis Teutonici (Amsterdam 1643) uit Amsterdam. In de eerstvolgende jaren is hij in de Republiek gebleven, waar hij tusschen 1642 en 45 in Amsterdam, Utrecht, Leiden en Den Haag heeft vertoefd. Waarschijnlijk heeft hij in 1643 eenigen tijd in Parijs doorgebracht en ook Londen bezocht. Van meer belang is een kort verblijf in dat jaar te Hamburg geweest; 1 Mei 1643 stichtte hij met twee vrienden te Hamburg de Deutschgesinnte Genossenschaft, waarvan hij jaren lang voorzitter bleef en waardoor hij grooten invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van de Duitsche taal- en letterkunde. Of deze dateering juist is, blijve in het midden; op denzelfden dag dateerde hij (zie boven) een slotwoord te Amsterdam, zoodat een van deze data onjuist moet zijn.

In de volgende jaren zal hij in hoofdzaak te Amsterdam hebben gewoond; welk bedrijf of beroep hij daar uitoefende, is onbekend; misschien had hij diplomatieke of consulaire functiën. Zijn werken werden daar ook gedrukt, eerst zijn Liebesbeschreibung Lysanders und Kalisten (Amsterdam 1644), een vertaling van een Franschen roman van d'Audiguier, vervolgens zijn oorspronkelijke roman Ritterholds von Blauen Adriatische Rosemund (Amsterdam 1645), die voor een groot gedeelte in en bij Amsterdam speelt en die belangrijke biographische bijzonderheden over Zesen zelf heeft; ook voor zijn zieleleven bevat deze roman gewichtige gegevens. Ook het milieu, waarin Zesen den roman laat spelen, is karakteristiek; hij had betrekkingen met het Amsterdamsche patriciaat en met den Zweedschen en Duitschen adel, zelfs met Duitsche vorsten. In 1648 werd hij zelfs door vorst Lodewijk van Anhalt-Köthen opgenomen in de door dezen opgerichte Fruchtbringende Gesellschaft, een ouder genootschap, maar met dezelfde bedoeling opgericht als Zesen's eigen Deutschgesinnte Genossenschaft. In het volgende jaar werd hij evenwel reeds door den zeer prikkelbaren vorst over een spellingkwestie aangevallen; de kleinere grootheden op taal- en letterkundig gebied in Duitschland volgden het voorbeeld van den vorst en vielen heftig op Zesen aan. Na den dood van den vorst in 1650 luwde de storm. In 1652 werd Zesen zelf met een zending naar het hof van Anhalt belast, waar hij zelfs den titel van vorstelijk raad verkreeg. In 1653 werd hij op den rijksdag te Regensburg door keizer Ferdinand III in den adelstand verheven; sedert 1668 voerde hij ook den titel keizerlijk paltsgraaf.

In 1655 kwam von Zesen in Amsterdam terug, waar hij nu tot 1667 bijna onafgebroken bleef. Hij was toen een beroemd man in Duitschland en te Amsterdam een man van beteekenis. Hij heeft ook in zijn Amsterdamsche jaren veel geproduceerd. Hij bewerkte een vertaling van madem. de Scudéry's Ibrahim en de Gerzan's Sophonisbe; ook gaf Tasso's Aminta hem aanleiding tot een Waldspiel. Ook te Amsterdam bewerkte hij den bekoorlijken dichtbundel Dichterische Jugend-Flammen in ettichen Lob-, Lust- und Liebesliedern zu lichte gebracht (Hamburg 1651), waarin Duitsche en Nederlandsche verzen naast en door elkander staan; uit het boekje blijkt ook nauwe betrekking met Anna Maria van Schuurman en andere Utrechtsche jonkvrouwen. In 1653 volgde daarop een bundel godsdienstige lyriek

[p. 1505]

onder den titel Gekreutzigter Liebsflammen oder Geistlicher Gedichte Vorschmack (Hamburg 1653), dat eveneens van groote dichterlijke gaven getuigt. Von Zesen kwam zoo ook met Nederlandsche dichters in aanraking: met Catharina Questiers was hij zeer bevriend; in 1670 werd zelfs Vondel lid van zijn Deutschgesinnte Genossenschaft.

Ook op historisch gebied heeft Von Zesen zich in deze jaren bewogen; daardoor is hij ook in Nederland zeer bekend geworden en gebleven. In 1660 publiceerde hij den Leo Belgicus hoc est Reipublicae Belgarum foederatae ab ipsis Batavorum incunabulis exorsa descriptio (Amsterdam 1660), kort daarna een Commentariolus de statu foederati Belgii. De terugkeer van Karel II gaf hem aanleiding tot zijn boek Die verschmähete doch wieder erhöhete Majestäht, das ist Karls des Zweiten Königs von Engelland, Schotland und Irland Wunder-geschichte (Amsterdam 1661). Daarop volgde zijn Coelum Astronomico-poeticum (Amsterdam 1662), dat aan Burgemeesteren van Amsterdam werd opgedragen. Twee jaren daarna publiceerde hij zijn Beschreibung der Stadt Amsterdam (Amsterdam 1664, 4o.; ook met bijvoeging: Hier ist auch beigefügl ein Appendix oder Beschreibung der neuen Auslage der Stadl Amsterdam; Amsterdam 1664, 12o.), die nog altijd veel wordt geraadpleegd.

Reeds vroeger had hij in het Nederlandsch Het geesllike Wierookvat der Vrouwen (Amsterdam 1658) uitgegeven. Op aanmoediging van Comenius vertaalde von Zesen zijn werk in het Duitsch als Des kristlichen Frauenzimmers Tugendwekker (Amsterdam 1665); Comenius zelf vertaalde het in het Boheemsch. Omgekeerd voorzag von Zesen Comenius' Vestibulum rerum et linguarum van een Duitsche Vertaling (Amsterdam 1673).

In 1668 was von Zesen weer in Duitschland, waar het zilveren feest van de Deutschgesinnte Genossenschaft schitterend werd gevierd; hij zelf gaf de geschiedenis van het genootschap in zijn Das Hochdeutsche Helikonische Rosenlahl (Amsterdam 1669). Hij kwam daarna evenwel te Amsterdam terug, waarvan hij 1662 burger was geworden en waar hij in 1672 met Maria Beckers huwde. Dat huwelijk schijnt niet gelukkig te zijn geweest; misschien staat daarmede in verband, dat hij in 1673 Amsterdam voor geruimen tijd verliet en te Hamburg ging wonen; alleen van 1679 tot 1683 vinden wij hem nogmaals te Amsterdam. Zijn laatste roman was ook hier verschenen; het is zijn Jozef-roman Assenet das ist Derselben und des Josefs Heilige Stahts-, Lieb- und Lebensgeschicht (Amsterdam 1670). Nog gaf hij een anderen roman, aan den Bijbel ontleend, den Simson (Amsterdam 1679). Intusschen waren zijn levensomstandigheden niet verbeterd; ook zijn invloed op het letterkundig leven ging te loor; zijn levensavond was even droevig als de opgang en de hoogte van zijn bestaan schitterend was geweest. Zijn laatste gedicht is gedateerd van Hamburg 8 October 1688; ongeveer een jaar daarna is hij gestorven.

Zie: Moes in Vijfde Jaarboek der Vereeniging Amsterlodamum, 113 vlg.; Scholte in Veertiende Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 37 vlg. en de daar aangehaalde bronnen.

Brugmans