|
|
|
| |
[L'oyseleur Dit de Villiers, Pierre]
L'OYSELEUR DIT DE VILLIERS (Pierre), geb. te Rijssel omstreeks 1530, sterft te Westhove 24 Nov., begraven te Middelburg in de St. Pieterskerk 28 Nov. 1590. Zijn waarschijnlijk reeds calvinistische ouders weken omstreeks 1540 voor de plakkaten naar Frankrijk uit. Hij studeerde te Orleans (1552) in de rechten, promoveerde er, werd advocaat bij het Parlement te Parijs maar ging vervolgens te Genève onder Beza theologie studeeren. Daarna (1558) op diens raad hugenootsch predikant geworden, sloot hij zich aan bij d'Andelot en stichtte een gemeente te Le Croisic aan den mond van de Loire. Door de katholieke kerkelijke overheid scherp vervolgd, vluchtte hij weldra naar Rouaan en predikte daar onder bescherming der Châtillons tot den Bartholomeusnacht. Hij was niet de Villiers, van wien (Groen, Archives, III, 102) gemeld wordt, dat hij Juni 1567 bij Oranje te Dillenburg was, maar diende toen in Frankrijk de Châtillons, in het bijzonder den kardinaal, broeder van Coligny, als predikant en bij onderhandelingen met de uitgeweken Walen in Engeland. Als zoodanig is hij namens den kardinaal in Aug. 1570, namens Condé in 1571 te Londen werkzaam. In dezen tijd moet hij ook hofprediker van de koningin van Navarre geweest zijn. Hij was zeer welsprekend. Na den Bartholomeusnacht naar Engeland uitgeweken, predikte hij te Londen zoowel als in andere waalsche gemeenten in Engeland en hield te Oxford voordrachten in de rechten en de theologie. Met den eveneens hierheen geweken spaanschen protestantschen theoloog Corranus twistte hij heftig over diens Tableau (Norwich 1568, Londen 1574) en verdedigde gematigde inzichten, hoewel op den heftigen toon, waartoe zijn temperament hem placht te brengen. Hij werkte er bovendien aan eene
uitgave van het Nieuwe Testament, in het bijzonder aan een latijnsche vertaling daarvan volgens de inzichten van Beza. Tevens speelde hij een rol in de betrekkingen tusschen Oranje en de uitgeweken Vlamingen en Walen. Toen reeds toonde hij zich een hartstochtelijk voorstander van aansluiting van de nederlandsche opstandelingen bij de Hugenoten en ried Oranje af op Engeland en koningin Elizabeth te vertrouwen. In 1575 werd hij predikant te Vlissingen en onderhandelde daar met Oranje over de moeielijkheden met koningin Elizabeth naar aanleiding van klachten der engelsche kooplieden over handelsbezwaren op de Schelde. Half Nov. 1576 met een zending van Oranje naar Londen belast, keerde hij half Febr. 1577 van daar terug en is sedert in vasten dienst van den Prins, als hofprediker en raadsheer in diens Raad. Als zoodanig had hij weldra met Languet, Marnix en Duplessis-Mornay grooten, zelfs overwegenden invloed bij den thans tot nauwe aansluiting bij de Hugenoten neigenden Oranje; ‘nullus est qui plus quam Villerius
| | | | possit apud Principem’, zegt Languet, die hem elders ‘valde ingeniosus’ en ‘facundus’ noemt. Geleerd, voortreffelijk stylist, handig pamflettist, scherp jurist en theoloog, had hij een belangrijk aandeel in den pamflettenstrijd, door Oranje tegen don Jan en de spaansche staatkunde gevoerd, ook in de voorbereiding van den door Oranje gewenschten Religievrede (1578) en vooral in de onderhandelingen met Anjou sedert 1578. In Nov. 1580 deed hij een korte reis naar Frankrijk, blijkbaar in verband met die laatste onderhandeling. Tegen Dathenus en diens medestanders bepleitte hij gematigder gevoelens binnen den kring van het Calvinisme dan hij, slachtoffer van katholieke vervolging, tegenover de Katholieken voorstond. Toch veroordeelde hij ook de onverstandige drijverij van Dathenus en de zijnen in Vlaanderen. Bij dat alles toonde hij zich een man van de wereld en van fijne beschaving aan het hof van prins Willem en prinses Charlotte te Antwerpen, later te Delft. Hij was de samensteller van 's Prinsen beroemde Apologie (Delft 1581), namelijk van den origineelen franschen tekst. Na den aanslag van Jaureguy stelde hij een Discours sur la blessure de Mgr. le P. d' O. (1582, Knuttel, Cat. 597) op. Hij waarschuwde den Prins (Jan. 1583) tegen Anjou's plannen, die door de Fransche Furie openbaar werden. Na den moord op den Prins belastten de Staten-Generaal hem met de samenstelling van het officieele Discours de l'assasinement (Delft 1584). Hij weigerde na 's Prinsen dood in den dienst van koning Hendrik van Navarre over te gaan maar bleef Louise de Coligny, die van 1585 tot 1591 te Vlissingen woonde, en graaf Maurits, aan wien hij verscheidene brieven schreef, die ons bewaard zijn gebleven, als
hofprediker, voorzoover de eerste betreft, en als raadsman dienen. Hij werkte den engelschen invloed, ook in den Leicesterschen tijd, steeds tegen en bleef met Marnix in nauwe betrekking met de Prinses gevestigd op het kasteel Westhove (Walcheren), dat hij vermoedelijk in 1582 gekocht had en waar Russell, engelsch gouverneur van Vlissingen, zich in Nov. 1587 van zijn persoon trachtte te verzekeren. Hij ontsnapte echter binnen Middelburg, waar wij hem verder meestal vinden. De titels van ‘heer’ van Villiers en van Westhove worden hem dikwijls gegeven, de eerste zeker ten onrechte.
| | | |
Hij was te Genève, dus vóór 1558, gehuwd met de daarheen uitgeweken Jeanne de Brichanteau, die hem zeven dochters schonk; zij en hare volwassen dochters trokken omstreeks 1583 te Delft zeer de aandacht door hunne kleedij naar de fransche mode, onpassend geacht voor een gereformeerd gezin, nog wel dat van een predikant. Zij verkocht Westhove in 1610, stierf 1611.
Behalve de boven genoemde geschriften gaf hij uit: Ratio iucundae concordiae inter ecctesias reformatas (1579, Knuttel, Catal. 515, gedrukt bij Gerdes, Scrin. antiq. II, 1, 391 sq.); Ministrorum qui verbum Dei in reformatis in Belgio ecclesiis concionantur epistola (1579, Gerdes, Scrin. Antiq. I, 121 sq. tegen de duitsche Formula concordiae Bergensis), in het Nederlandsch door Bastingius vertaald als Sendtbrief der Dienaren, die Godes woort in den Gheref. Kercken in Nederlandt vercondighen (Antw. 1580, 2de uitg. 1588), later ook in het Duitsch. Het geschrift is 1651 opnieuw te Breda uitgegeven door L.G. van Renesse. Het bij Gerdes I, 2, 328 sq. aan hem en Taffin toegeschreven stuk is van Olevianus (Groen, in Archives, VII, 133). Wel schreef hij Theses de tibero arbitrio (Hag. Com. 1587), opgedragen aan Adr. van der Myle. Zijn uitgave van het N.T., getiteld Novum J.C. Testamentum graece et latine Theod. Beza interprete (Antw. 1578) beleefde tot 1604 zes drukken, waarvan een (London, 1587) bezorgd werd door Feugeray. Verschillende brieven van hem bij Heinsius, Epist. vir. illustrium, in de Epist. select. cent. II, 791, 792, 934, 935, in Groen's Archives (1e série III, 102, VII, 262; 2me série, I, 135, 142, 145, 150 (met foutief jaartal 1596, is uit 1590).
Vgl. over hem: Haag, La France protestante, i.v.; Gerdes, Scrin. Antiq. II, l, 391 sq.; J. ab Utrecht Dresselhuis, in Gids, 1843; Bosboom Toussaint, in Eigen Haard, 1882; Nagtglas, Levensberichten, II, 99 vlg.; Hessels, Archivum II, 622, 977; III, 103, 137, 421; Kervijn de Lettenhove, Rel. polit. VI, 9, 33, 141; Fruin, Verspr. Geschr. III, 75, 80, 88, 106 vlg.; VII, 243-246, 251, 254; VIII, 425; Blok, Prins Willem's Apologie, in Bijdr. vad. gesch., 5de R., IV, 259 vlg.
Blok |
|
|