Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5. A.W. Sijthoff, Leiden 1921


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Superville, Daniel de (1)]

SUPERVILLE (Daniel de) (1), beroemd theoloog der Eglise wallonne, geb. te Saumur Aug. 1657, overl. te Rotterdam 9 Juni 1728. Het geslacht, sinds in Nederland talrijk, stamt uit Béarn. Jean, geneesheer, huwde Sept. 1607 met Sara Barbot, had een zoon Jacques, deze weder een zoon Jacques, die ook geneesheer was, te Niort, en trouwde met Marthe Pilet, dochter van Isaac. Uit dit huwelijk werd onze Daniël geboren. De vader overleed nog in Frankrijk, de moeder week uit naar hier: ‘est reçu à la Paix de l'Eglise après avoir signé l'acte de recognoissance pour avoir eedé à la violence de la persécution en France, Marthe Pilet veuve de Jacques de Superville de Saumur’, 4 août 1686.

Daniël studeerde in zijne geboortestad, daarna 1677 te Genève, tot zijns vader dood hem 1679 terugriep, werkte ijverig philosofie en was een vurig aanhanger van Cartesius, werd 1683 predikant te Loudun, maar moest in 1685 uitwijken. Hij kwam met zijne vrouw, Elisabeth de Monnery, naar Maastricht en heeft daar eene poos de gemeente gediend. 13 Jan. 1686 werd hij toen hulpprediker te Rotterdam. Toen hij 12 Aug. 1691 een beroep ontving naar de Eglise de la Savoye te Londen, waarvoor hij reeds eens, gelijk voor Berlijn en Hamburg, bedankt had, deed het consistoire moeite bij burgemeesteren om hem tot vast predikant benoemd te krijgen. Dit gelukte, gelijk ook voor Jacques Basnage, 30 Sept. 1691, aanvankelijk zonder verhooging der ƒ 400, die hij sinds 1686 van het delftsch geestelijk kantoor ontving. Toen Pierre du Bosc 2 Jan. 1692 overleed, genoten Basnage en Superville gezamenlijk diens tractement. Hij heeft aan het kerkelijk leven zijner dagen ijverig deelgenomen. Met Phinees Pielat

[p. 840]

(kol. 503) beoordeelde hij in 1695 de Lettres pastorales van Jurieu. In opdracht der Waalsche synode drong hij in 1705 bij de Staten aan op het verleenen van hulp aan de weduwen van uit Frankrijk gevluchte predikanten, voorzoover die hier getrouwd waren. Hij pleitte voor het verzoek van protestantsche gezinnen in Gent, die om de 14 dagen een preek verlangden van M. Giraud van Sas van Gent. Hij had zitting in de commissie voor het onderzoek van de grieven van M. de Joncourt in 1708 en bracht het ‘projet de réparation’ ter tafel, dat de Joncourt weigerde te teekenen, waarop toen zijne afzetting is gevolgd. Het heeft niet aan de Superville gelegen, aan hem, die was ‘pacifique au milieu des démêlés, heureux à les assoupir. II savoit contenter tout le monde et lors même qu'il refusoit, on n'avoit jamais lieu de se plaindre’. Voor de broeders op de galeien heeft hij veel gedaan. Tijdens de vredesonderhandelingen te Utrecht is hij dikwijls daarheen gereisd om besprekingen te houden met de vreemde gezanten over een mogelijk herstel der protestantsche Kerk in Frankrijk en over maatregelen tot vrijlating der ‘galériens’. Van deze laatsten zijn er toen 136 ontslagen. Hij verzond telkens de gelden voor de gevangenen, zoo in 1706 1000 livres voor de broeders op de galeien in Marseille, waarbij hij de tusschenkomst had van Madelle van Armeyde, een aangehuwde verwante en M.G. Allart. Toen zij Juli 1710 een brief ontvangen had van M. Ysar, pasteur te Amsterdam, waarin hij schreef dat de predikanten op de galeien van Duinkerken wel voor eene groote som konden worden losgekocht, hetgeen bevestigd werd door brieven, ook aan Madelle van Armeyde van MM. Bousquet en Marteilhe, beiden op de galeien aldaar, kreeg onze S. de opdracht om bij den raadpensionaris Heinsius stappen te doen te hunnen behoeve. Zoo ontving hij gelden voor Salomon Bourget, galérien te Marseille en smaakte het genoegen 17 Juni 1713 den genoemden Jean Marteilhe, van de galeien ontslagen en over Nice, Genève en Frankfort naar Holland gereisd, te Rotterdam te ontvangen. Marteilhe's Mémoires, loopende van 1700 tot 1713, die het licht zagen in 1757, waren door onzen S. nagezien (éd. 1865, préface IV). Nog was hij onderscheiden malen voorzitter of secretaris der waalsche synoden. Door toenemende zwakte tot zijn arbeid onbekwaam, werd hij 30 Jan. 1724 emeritus met behoud van het stadstraktement. Hij heeft ettelijke bundels preeken nagelaten, vele ervan door synoden na zijn dood goedgekeurd en daarna uitgegeven. Vermaard is zijn preek van 10 Sept. 1704 geworden na den slag bij Hochstädt (13 Aug.), gelijk hij uitmuntte door eene welsprekendheid, die hem Saurin nabij bracht en waarvan ‘la douceur et l'onction’ voorname eigenschappen waren. Voorts schreef hij Les vérites et les devoirs de la religion chrétienne, een catechismus voor de jeugd, door het consistoire 2 Aug. 1706 goedgekeurd en op de scholen der rotterdamsche gemeente ingevoerd. Zijn zoon Daniel (die volgt) heeft daarvan later een Abrégé gegeven, Amst. 1763, Lausanne 1770, Rouen 1817, Caen 1825 (J.M. Quérard, Dict. Bibliogr. 1838, IX 293). Voorts kennen wij nog van hem Lettres sur les devoirs de l'église affligée 1691, door Berbinau ‘presque introuvable’ genoemd, terwijl hij in handschrift naliet Histoire des confesseurs sur les galères, waarin sommigen groote gelijkenis met de genoemde Mémoires van Marteilhe zien. Eindelijk nog Le vrai communiant ou Traité de

[p. 841]

la sainte cène, Rott. 1718, door de Haes vertaald als De ware dischgenoot, Amst. 1737. Dit laatste werk vindt men vaak aan zijn zoon toegeschreven.

Zijne eerste vrouw, reeds genoemd, schonk hem (ged. 23 Dec.) 1685 eene dochter Marthe, maar overleed met haar kind kort daarop, drie weken na zijn komst te Rotterdam. Hij hertrouwde 8 Dec. 1694 met Catharina van Armeyde, uit welk huwelijk werden geboren Catharine (ged. 18 April 1696); Marthe (ged. 10 Nov. 1697); Emilie (ged. 30 Oct. 1698), 2 April 1721 getrouwd met Pierre Humbert, geb. te Genève, te Amsterdam; Daniel (ged. 13 Juni 1700) (die volgt); Jean (ged. 1 Sept. 1702); Christine Elisabeth (ged. 8 Juni 1704) en Pierre Jacques (ged. 21 Sept. 1708). Bij edict van de Staten van Holland en Westfriesland d.d. 18 Juli 1709 werd hij met vrouw en zes kinderen (Marthe was overleden) genaturaliseerd. De moeder, in 1663 te Nantes geboren, vandaar in 1681 naar Holland gevlucht, is 29 October 1719 overleden.

Prent door P. Thomassijn.

Zie: Livre Synodal ed. in folio Mai 1695 sub 38, Mai 1697 sub 43, Sept. 1705 sub 37, Avril 1708 sub 20, 38, 49, 52, Sept. 1712 sub 21, Mai 1713 sub 22, Sept. 1713 sub 22, Avril 1741 sub 61, Sept. 1741 sub 54, Mai 1742 sub 43; Actes de mariage, extraits baptistaires, actes du consistoire, grafboek te Rotterdam, uittr. ms. Bibl. Wall te Leiden; J.G. de Chaufepié, Nouveau Dict. Hist. et Crit. IV, 381 ss., voortreffelijk artikel vooral over zijn karakter, van iemand die hem persoonlijk heeft gekend; P. Fonbrune Berbinau, Dan. de Superville 1657-1728, Chambéry 1886 (ac. pr. uitgebreid); Mém. touchant la vie de M. de Superville in Journal litéraire de la Haye XIII, 197; L. Knappert, Gesch. N.H.K. II, 8 vlgg.; van Harderwijk, Naaml. 129 vlg.; Haag, La France prot. IX, 326.

L. Knappert