Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5. A.W. Sijthoff, Leiden 1921


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Tromp, Cornelis]

TROMP (Cornelis), geb. 9 Sept. 1629, overl. 29 Mei 1691; zoon van Maarten Harpertszoon Tromp, die volgt, en Dina de Haas; hij was, kinderloos, gehuwd met Margarethe van Raaphorst, weduwe van den heer Helmont.

Na van zijn kindsheid af ter zee te hebben gevaren, ook onder zijn vader, ging Cornelis T. in 1650 als kapitein naar de Middellandsche zee om te kruisen tegen de zeeroovers. Wij vinden hem daar ook in 1652 als kapitein van ‘De Maagd van Enkhuyzen’, strijdende tegen de Engelschen, eerst onder opperbevel van commandant Catz, daarna van Jan van Galen, waarbij hij blijken gaf van die bijzondere dapperheid, welke hem zijn leven lang heeft gekenmerkt. Zijn schip reddeloos geschoten zijnde, ging hij weer over op het fregat ‘Fenix’, hetwelk 30 Nov. 1652 door de Engelschen bij verrassing genomen werd; T. kon zich slechts redden door uit de kajuit in zee te springen en zich al zwemmende drijvende te houden, tot hij door een sloep van een ander hollandsch schip werd opgepikt.

Als schout-bij-nacht, voerende het schip ‘de Maas’, nam hij deel aan den slag bij Livorno in Maart 1653, waarbij van Galen sneuvelde. Het volgend jaar is hij met vice-admiraal de Ruyter

[p. 967]

weder in de Middellandsche zee, strijdende tegen de Algerijnen, en in 1656 gaat hij als schout-bij-nacht, voerende ‘de Koeverden’, met de Ruyter naar de Oostzee, om zich te stellen onder de bevelen van den luitenant-admiraal Wassenaer van Obdam; hier nam hij deel aan de krijgsverrichtingen in den oorlog tusschen Zweden en Polen, en wel voornamelijk bij Dantzig. Toen de vloot, na het sluiten van den vrede te Elbing, naar het vaderland terugkeerde, bleef T. met 12 schepen nog eenigen tijd achter, doch werd ook weldra teruggeroepen. Eind 1662 wordt schout-bij-nacht Tromp ter begeleiding van koopvaarders naar de Middellandsche zee gezonden, waar hij in Maart 1663 het bevel over de daar aanwezige vloot overneemt van de Ruyter; in dit, zoowel als in het volgend jaar, veroverde hij eenige algerijnsche schepen, maar keerde daarna naar het vaderland terug, nadat de Ruyter weder in de Middellandsche zee was aangekomen. Thans werd aan T. opgedragen om, als bevelhebber van een vloot van 22 oorlogsschepen, te kruisen op de oostindische retourvloot, welke hij behouden binnenbracht.

Als schout-bij-nacht der admiraliteit van Amsterdam, commandeerende het schip ‘Oosterwijk’, is hij weder bij de vloot van luitenant-admiraal Wassenaer; in 1665 benoemd tot vice-admiraal, gaat hij over op het schip ‘De Liefde’ en commandeerde het 5de eskader van de vloot, nam deel aan den slag bij Lowestoff, waarbij het schip van Wassenaer in de lucht vloog. Met eenige schepen hield T. stand, waardoor de terugtocht der vluchtende vaartuigen werd gedekt, maar ten slotte liep hij in Texel binnen, weigerde gevolg te geven aan het bevel hem door gecommitteerden der Staten overgebracht, om in zee te blijven, daar hij op sommige schelmachtige kapiteins niet kon vertrouwen. Als voorzitter van den krijgsraad velde T. toen vonnis over de kapiteins, welke zich hadden misdragen. Kort daarna, namelijk 23 Juli 1666, werd T. wegens zijn betoonde dapperheid bevorderd tot luitenant-admiraal bij het college van de Maze, en werd hem tevens het opperbevel opgedragen over de geheele vloot, maar wegens zijn bekende genegenheid voor den prins van Oranje, werd tevens bepaald, dat drie gedeputeerden der Hoog Mogenden hem naar zee zouden vergezellen. Voordat de vloot in zee stak, was echter de Ruyter binnengekomen, en werd aan dezen het opperbevel der vloot opgedragen, waarbij het natuurlijk moeite kostte om T. te overreden nu toch op de vloot te blijven, als ondergeschikte van de Ruyter; aan boord van het schip ‘De Liefde’ commandeerde hij nu het eerste eskader. Den 6en Febr. 1666 ging hij op verzoek over naar de admiraliteit van Amsterdam, en embarkeerde op het schip Hollandia; hij nam deel aan den Vierdaagschen zeeslag, waarbij zijn schip reddeloos geschoten, maar te Goeree binnengesleept werd, zijnde T. zelf in dien slag meermalen op een ander schip overgegaan.

In Juli 1666 liep de vloot weder in zee en raakte slaags met de Engelschen onder Monk, welke strijd aanleiding heeft gegeven tot groote oneenigheid tusschen T. en de Ruyter, doordien de opperbevelhebber den ongelukkigen uitslag van het gevecht verweet aan T., omdat deze, als commandant van de achterhoede, zich te ver van het gros der vloot had verwijderd om op eigen gelegenheid een strijd te voeren tegen het engelsche eskader van de blauwe vlag. Het gevolg van dit hoogloopende geschil was, dat de

[p. 968]

commissie van T. als luitenant-admiraal werd ingetrokken, waarna hij op zijn verzoek eveneens ontslag kreeg als kapitein. Graaf d'Estrades, ambassadeur van Frankrijk, meende van deze gelegenheid gebruik te moeten maken om T. in franschen dienst te doen overgaan, hetgeen deze echter weigerde.

In 1673 wist de Prins van Oranje een verzoening tusschen de twee vlootvoogden te bewerken, en kwam T. als luitenant-admiraal van het college van Amsterdam weder op de vloot onder het opperbevel van de Ruyter; hij voerde daarbij het schip ‘De Gouden Leeuw’, en nu volgen de beroemde zeeslagen van Schooneveld en van Kijkduin, waarin beide vlootvoogden zich eeuwigen roem hebben verworven. Nadat de vrede van Westminster in 1674 een einde had gemaakt aan den oorlog met Engeland, werd aan T. opgedragen om de fransche kusten te bestoken. Van dien tocht teruggekeerd, ontving hij een uitnoodiging van den engelschen koning om eenige weken aan diens hof door te brengen; daaraan gevolg gevende, werd T. in den engelschen adelstand verheven met den titel van baronet.

In 1676 voert T. het opperbevel over een gecombineerde deensche en hollandsche vloot in den strijd tegen Zweden; de koning van Denemarken vereert hem met de orde van den Olifant, en verheft hem, na de expeditie tegen Skonen, in de grafelijke waardigheid. In Febr. 1677 vertrok graaf T. op last van den deenschen koning naar den Haag, om te trachten weder bijstand van oorlogsschepen te krijgen, waarop hij dan ook in Juni weder met een vloot in zee stak naar Denemarken.

Inmiddels was T., na het sneuvelen van de Ruyter, bevorderd tot luitenant-admiraaf-generaal, met verlof om nog voorloopig ter beschikking van den deenschen koning te blijven. Na in dien dienst nog belangrijke krijgsverrichtingen verricht te hebben, werd T. in 1678 uit den deenschen dienst ontslagen, daar de koning vermeende het nu verder wel met eigen volk af te kunnen.

Na zijn vertrek uit Kopenhagen begaf T. zich naar den keurvorst van Brandenburg, was als vrijwilliger op het schip ‘De erfprins’, en bestuurde de vloot bij het heroveren van het eiland Rugen. In het vaderland teruggekeerd, werd T. aangewezen om in 1691 als luitenant-admiraal-generaal de vloot aan te voeren, maar door een ziekte aangetast, overleed hij den 29en Mei en werd te Delft in de tombe van zijn vader bijgezet.

Schilderij door J. Verkolje; Jac. Delff 1655, Wilstach Mus. Philadelphia; G. Metser, Louvre Parijs; G. Metser, Gal. Historique de Versailles; J. Lievens; F. Bol (L. Visscher sc.); J. Mijtens 1668, Rijksmuseum Amsterdam; J. Mijtens; G. Netscher 1676 bij Jhr. Mr. v. Kinschot, Rotterdam; S.v. Hoogstraten; P. Lely bij Jhr. Mr. A. de Stuers te Parijs; P. Lely bij Earl of Cowper te Paushanger; D.v.d. Plaes (J. Munnikhuyzen sc.) Mus. Boymans Rotterdam; D.v.d. Plaes, Rijksmuseum Amsterdam.; D.v.d. Plaes (herhaling van het vorige) bij Jhr. Mr. V. de Stuers 's Gravenhage; J. de Baen bij Mr. F.H.J. Lanschot 's Hertogenbosch; P. Nason bij Jhr. Speelman, Wassenaar; K. de Moor; D. Maas bij Earl of Spencer op Althorp; J. Weenix; G. Soust; Onbekende Kweekschool v.d. Zeevaart Amsterdam; Id. bij J.W. Kaiser, huize Trompenburg bij Hilversum; Id. bij A.J.J.C. Bouwens, Rotterdam; id. bij Mvr. Wed. des Tombes-Beeldsnijder, Utrecht; Id. Minia-

[p. 969]

tuur bij Jhr. Mr. V. de Stuers 's Gravenhage; Id. Id. Prent door C. Mozijn naar G.v.d. Eekhout; C. Mozijn; Onbekend; Vinkeles en Bogerts; H. Rokesz; Vivien; J. Houbraken; J. Gole (Zwarte kunst); J.A. Pierron; R. de Hooghe; A. Browne; C. Goutsbloem; Jac. Sandrart; T. Waanders (lith.).

Zie: Leven en bedrijf van Cornelis Tromp, gedrukt te Amsterdam in 1692 en Mr. de Jonge, Geschiedenis van het nederl. zeewezen, alsook Levensbeschrijving v. eenige voorname meest Nederl. mannen en vrouwen (Amst. 1777).

Herman