Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5


auteur: P.C. Molhuysen en P.J. Blok


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5. A.W. Sijthoff, Leiden 1921


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Tromp, Maarten Harpertszoon]

TROMP (Maarten Harpertszoon), geboren in den Briel 23 April 1598, gesneuveld 10 Augustus 1653; gedoopt in de Groote of St. Catharinakerk te Brielle den 3. Mei 1598, waarbij als getuigen fungeerden: Lambrecht Maertensz., Jochum Corneliszoon en Machtelt Maertens. Zoon van Harpert Maartenszoon T. en van Jannetgen Barens, weduwe van Cornelis Eewoutszoon. Is driemaal gehuwd, als: 1e. in 1624 met Dina de Haes, overl. 20 Nov. 1633, dochter van Cornelis de Haes en N. van den Heuvel; uit dit huwelijk stammen drie kinderen, Cornelis (die voorgaat), Harper Maertensz., Johan Maertensz.; 2e. in 1634 met Aeltgen Jacobs van Arckenboudt, overl. 13 April 1639, uit welk huwelijk eveneens drie kinderen stammen als: Alida, Margaretha en Maerten; 3e. in 1640 met Cornelia Teding van Berckhout, overl. 18 Oct. 1680, uit welk huwelijk zes kinderen stammen, als: Margaretha, Johanna Maria, Dyna Cornelia, Adriaen, Maerten en Maerten Harpertszoon. In 1606 verhuisde de vader van T. naar Rotterdam, en sedert blijft het roemrijk leven van Maerten met die stad verbonden, maar zijn twee eerste vrouwen zijn toch afkomstig uit den Brlel.

Op zijn achtste jaar ging hij met zijn vader naar zee; hij woonde in 1607 op diens oorlogsfregat den slag van Gibraltar bij. Kort na het sluiten van het Bestand voer hij met zijn vader ter koopvaardij naar de kust van Guinea en werd door een zeeroover gevangen genomen, in welk gevecht zijn vader sneuvelde. Na ontsnapping uit de tweejarige gevangenschap is hij korten tijd thuis geweest als timmermansjongen, doch gaat dan weer ter koopvaardij varen met schipper Cornelis Cornelisz. de Haes op het schip Rowanen; in 1617 is hij in 's lands dienst als kwartiermeester bij commandeur Moy Lambert, maar vaart in 1619 weer ter koopvaardij als stuurman op een Straatvaarder, valt weder in handen van een zeeroover, maar wordt vrijgelaten en keert in het vaderland terug, waar wij hem in 1622 aantreffen op 's lands vloot als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageyn; hij dient nog ondergeschikt op verschillende schepen ter bewaking van de Vlaamsche kust, tot hij in 1624 door prins Maurits wordt aangesteld als kapitein over een oorlogsschip van 40 stukken. Herhaaldelijk streed hij tegen de duinkerker kapers; hij was kapitein op de Groene Draak, het admiraalsschip van Piet Hein, toen deze, die hem zeer roemde, 20 Juni 1629 bij D. in den strijd tegen de Duinkerkers sneuvelde. Na diens dood blijft T., wien zijn bevel door admiraal van Dorp ontnomen was en die geen lust meer had in den dienst, aan wal, doch bemoeit zich toch met de zeezaken, door als zoogenaamd beleider toezicht te houden op het uitrusten der schepen behoorende tot het eskader op de vlaamsche kust.

Nadat wegens den velen tegenspoed der vloot

[p. 970]

de luitenant-admiraal van Dorp moest worden vervangen, is T. als luitenant-admiraal (1637) door Frederik Hendrik aan het hoofd gesteld. Hij versloeg de Duinkerkers (18 Febr. 1639) bij die stad en levert 21 Oct. 1639 den beroemden slag bij Duins, waardoor zijn naam als ervaren vlootvoogd voorgoed was gevestigd. In 1640 werd hij in den franschen adelstand verheven en in 1642 in de orde van St. Michiel en tot engelsch ridder. Steeds is hij bezig met de blokkade van Duinkerken tot die stad in 1646 door de Franschen werd ingenomen. Het einde van den oorlogstoestand ziende naderen, doet T. een poging om gouverneur van den Briel te worden, doch tevergeefs, want 9 Dec. 1647 werd als zoodanig aangesteld Frederik van Lyer.

Zoo stond T. nog aan het hoofd der vloot, toen deze de Straatvaarders tegemoet voer om ze te beschermen tegen de kapers, waarbij, 29 Mei 1652, de ontmoeting plaats had met de engelsche vloot onder Blake, die aanleiding gaf tot het uitbreken van den eersten engelschen oorlog, waarin hij nog in datzelfde jaar, begin Aug., door storm verhinderd werd Blake aan te vallen.

Aanvankeiijk was T. in dien oorlog niet fortuinlijk; het gelukte Ayscue om de engelsche koopvaarders vrij in den Atlantischen Oceaan te brengen, en beslag te leggen op hollandsche Oost-Indië-vaarders, hetgeen, met de verdenking van oranjegezindheid, oorzaak was van zooveel misnoegen, dat T. het opperbevel moest neerleggen. Doch de ongenade van T. duurde slechts kort, want de nieuwe opperbevelhebber, de With, bleek spoedig ongeschikt en onder ernstig protest van zijn zijde tegen den over hem verspreiden laster, werd hij (Nov. 1652) als luitenantadmiraal aan het hoofd gesteld en levert 10 Dec. 1652 bij Dover een geduchten zeeslag tegen Blake, zoodat deze in de Theems moest terugtrekken. Hij moest echter het plan om de Theems op te zeilen laten varen, al beheerschte hij nu de Noordzee en voerde hij, zegt men, zelfs als aanduiding daarvan, den bezem in den mast. Toch kwam de engelsche vloot eind Febr. 1653 weder naar buiten en van 28 Febr. tot 2 Maart bestreden T. en Blake elkander nogmaals in den bloedigen driedaagschen zeeslag bij Portland, waarbij ditmaal het voordeel aan engelsche zijde bleef. T. wees na zijn meesterlijken terugtocht naar onze havens op de zwakheid der staatsche schepen en haar onvoldoend getal. Wel werd op zijn aandrang veel verbeterd maar de engelsche vloot bleef toch sterker. Eerst begin Aug. kon hij weder uitzeilen. Den 8en Aug. kruiste T. ter hoogte van Egmond en werd door een veel sterker macht aangevallen onder Blake en Monk; de slag bleef onbeslist. 9 Aug. is hij voor Scheveningen en ter Heyde, en den volgenden dag, zijnde een Zondag, sneuvelt hij, in het begin van den slag door een geweerkogel getroffen.

De dood van den geliefden ‘Bestevaer’ veroorzaakte algemeene droefheid. Zijn lijk werd op lands kosten plechtig bijgezet in de Oude kerk te Delft, waar de Staten hem een marmeren praalgraf oprichtten. Zijn weduwe en kinderen werden van staatswege ruim ondersteund. Hij liet den roem na van een voortreffelijk tacticus, een dapper en vermetel zeeman, een onvergelijkelijk aanvoerder, een gaaf en beminnelijk karakter.

Schilderij door K. Gz. Pot 1639 (J. Suyderhoef sc. en C.v. Dalen sc.) bij Mevr. Wed. v.d. Hoe-

[p. 971]

ven-van Stolk, Rotterdam; M. Jz. Mierevelt 1640, Kon. Paleis Amsterdam; M. Jz. Mierevelt bij Jhr. Teding v. Berkhout, 's Gravenhage; M. Jz. Mierevelt (copie) Rijksmuseum Amsterdam; M. Jz. Mierevelt (copie) D.O. Heldewier Velp; Abr. Willaerts, Museum Berlijn; Id. Id. Nic. Elias (?) Alte Pinacothek München, als door B.v.d. Helst; B.v.d. Helst, J. Lievens, Rijksmuseum Amsterdam (C.v. Dalen sc. H. Rokesz sc. C. Goudsbloem sc. J. Houbraken sc.); Onbekend, Kweekschool v.d. Zeevaart Amsterdam; Id. Gemeente Museum 's Gravenhage; Id. bij H.K.H. de Vorstin v. Wied 's Gravenhage; Id. J.W. Kaiser, huize Trompenburg bij Hilversum; Id. bij Jan H.M. Speelman, 's Gravenhage; Id. bij Jhr. Pauw v. Wieldrecht, huize Broekhuizen bij Leusden; Id. bij Mr. S.v. Gijn te Dordrecht; Id. Zeeliedenhuis te Greenwich; Id. bij Earl of Warwick op Warwick Castle; Id. verbrand op Kasteel Frederiksborg in Denemarken 1859; Id. miniatuur bij Jhr. Mr. V. de Stuers, 's Gravenhage; Id. Id.; Grafmonument Oude Kerk te Delft door R. Verhulst. Prent door C.v. Dalen naar S. de Vlieger; J. de Frey naar J. Lievens; C. Goutsbloem; J. Lamsvelt; C.v.d. Passe I; B. Picart; Onbekende; D. de Bray (scyl.); Vinkeles en Bogerts; J.C.C. (lith).; S. Savery; W. Hollar; F. Soeterik (lith.); F.H. Weissenbruch (lith.) naar J. Lievens.

Zie: Oostkamp, Leven en daden van M.H. Tromp en Jacob van Wassenaer van Obdam (Deventer 1825); Levensbeschrijving van eenige voorname meest nederl. mannen en vrouwen 1777 III, 66; Dr. D.F. Scheurleer, Herinneringsdagen uit de nederl. zeegeschiedenis; de Jonge, Geschiedenis van het Zeewezen I en II passim; Joh. H. Been, Een zeemansjongen uit de 17de eeuw; Aanteekeningen over het geslacht Tromp door C.F. Gijsberti Hodenpyl. Verder: Petit, Repertorium i.v.

Herman