Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 6


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 6. A.W. Sijthoff, Leiden 1924


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Gendt, Johan baron van (1)]

GENDT (Johan baron van) (1), geb. omstr. 1530, overl. 16 Dec. 1613, zoon van Walraven (1) en van Elisabeth van Raesfelt. Hij was heer van Oyen en Dieden, waarmee hij in 1594 werd beleend, staat het eerst op de riddereedel van Nijmegen van 1578, verschijnt in de Ridder-

[p. 563]

schap van N. 1587-1613, als jagermeester van Gelderland 1598-1604, als Raad van State 1601. Hij woonde de statenvergadering te Brussel bij en teekende mede de Unie, aldaar in 1577 gesloten. In het volgend jaar werd hij met Philips van Marnix naar den Rijksdag te Worms gezonden om de toegenegenheid der duitsche vorsten voor deze gewesten te winnen, doch hun pogingen werden niet met het gewenschte gevolg bekroond. Na den dood van Willem van Oranje werd hij wegens Gelderland afgevaardigd om de souvereiniteit over deze gewesten aan den koning van Frankrijk aan te bieden. In 1594 werd aan van Gendt opgedragen om met Otto Hartius en Jeronimus Coman, gezanten van den aartshertog Ernst van Oostenrijk, de vredesvoorstellen te bespreken namens den laatsten aan de Alg. Staten gedaan. Bij die gelegenheid bracht hij ook de beide afgevaardigden naar de Gevangenpoort te 's Gravenhage, waar Michiel Renichon was gevangen gezet, om uit diens eigen mond te vernemen dat de graaf van Barlaymont hem had aangespoord Prins Maurits te vermoorden.

Als Raad van State verschijnt hij in 1601 in de ridderschap te Nijmegen. Hij huwde Wilhelmina van Wachtendonck, vrouwe van Biesterveld of Biesenburg, overluid te Utrecht. 27 Sept. 1629, dochter van Otto en van Margriet Scheiffard van Merode. Zij schonk hem o.a. twee zoons, Walraven (2) en Otto, die beiden volgen en een dochter Margaretha, die de echtgenoote werd van Floris van Merode.

Zie: van Meurs, Ridderschap van Nijmegen, bl. 4; Navorscher, XXXIX, 392, XLII, 271; Mbl. Ned. Leeuw, II, 79, 80.

Regt