Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7. A.W. Sijthoff, Leiden 1927


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Snellius, Rudolph]

SNELLIUS (Rudolph) of Snel van Royen, uit een oude welgestelde familie, geb. te Oudewater 8 Oct. 1546, gest. te Leiden 1 Mrt. 1613, ontving zijn eerste opleiding te Utrecht, keerde, na het overlijden van zijn vader, aanvankelijk naar zijn geboorteplaats terug, maar werd weldra door zijn moeder ter voltooiing zijner studiën naar het buitenland gezonden. Op 15-jarigen leeftijd, dus in 1561, kwam hij te Keulen, waar hij Hebreeuwsch studeerde, de wiskunde beoefende en zich volgens aristotelische opvattingen bekwaamde in de wetenschappen; te Jena, te Wittenberg en te Heidelberg

[p. 1153]

wijdde hij zich aan letterkundige studiën, doch verliet laatstgenoemde plaats wegens de pest om zich naar Marburg in Hessen te begeven, waar hij 29 Sept. 1565 als student is ingeschreven en tot magister artium is bevorderd. Hier legde hij zich vooral toe op de beoefening der wijsbegeerte, en maakte, volgens Meursius, kennis met de philosofie van Ramus, die zich trouwens zelf in 1569 en 1570 geruimen tijd te Heidelberg ophield en daar aanleiding gaf tot ernstige geschillen; met enthousiasme koos S. voor het nieuwe stelsel partij, waarvan hij een aanhanger zou blijven tot het einde van zijn leven. Vele jaren bleef hij te Marburg werkzaam en gaf er onderwijs in het Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch ‘totamque artium cyclopaediam’; hij heeft er o.a. Herman Vultejus tot ambtgenoot gehad en de jeugdige Arminius (I, kol. 170), insgelijks uit Oudewater geboortig, studeerde er onder zijne bescherming. Nadat hem uit Holland een jongere broeder was toegezonden, vertrok hij echter met dezen naar Italië, waar hij zich te Pisa en Florence op de medicijnen toelegde en Rome bezocht. Naar Marburg teruggekeerd, vertrok hij evenwel, waarschijnlijk op het gerucht van de verwoesting van Oudewater (6 en 7 Aug. 1575), naar zijn geboorteplaats, waar hij ook weldra is gehuwd met Machteld Cornelisdr. S. had toen reeds verschillende werken, voornamelijk op wijsgeerig gebied uitgegeven; wellicht daardoor viel het hem gemakkelijk op een of andere wijze verbonden te worden aan de jonge leidsche hoogeschool, zij het ook om onderwijs te geven in de wiskunde. Hij wist te bewerken, dat aan Arminius (ingeschreven 23 Oct. 1576), wien hij smaak voor de philosofie van Ramus had weten in te boezemen, in 1578 een cursus in de wiskunde aan de hoogeschool werd opgedragen; zelf liet hij er zich 28 Oct. 1578 als stud. med. inschrijven, en werd er op 2 Aug. 1581 aangesteld als buitengewoon hoogleeraar in de wiskunde, op een salaris van ƒ 200 totdat men ‘een in mathematicis beter ervaren mocht bejegenen’. Blijkens het Register van inwoonders te Leiden, opgemaakt in Sept. 1581, woonde hij toen, met zijn vrouw en zoon Willebrord, op het Pieterskerkhof en hield niet minder dan 22 kostgangers, zooals ook in volgende jaren een groot aantal studenten hun woonplaats te zijnen huize hadden. In genoemde functie als academisch hoogleeraar heeft hij o.a. prins Maurits tot leerling gehad. In Mrt. 1583 werd zijn salaris verhoogd tot ƒ 300, terwijl hem na het vertrek van Drusius in 1585 het onderwijs in het Hebreeuwsch werd opgedragen, tot in 1586 daarvoor Raphelengius is benoemd. Blijkens de Series van 1587 las hij ook cosmographie en astronomie, en mocht, sinds 1591, twee lessen per week minder geven, ‘mits in plaets van Ramus lezende Euclides of Aratus of yemant anders der oude scribenten’; inderdaad vermeldt de catalogus der leidsche boekerij van 1716 (p. 173) een uitgave van Aratus en de Sphaera van Proclus met vele aanteekeningen van S.' hand. In 1592 las hij meetkunde en de Situ orbis van Dionysius Alexandrinus, van welk werk de auctiecatalogus der boeken van Golius (1669) een uitgave (Par. 1559) vermeldt ‘cum annotationibus R. Snellii’, gelijk daar mede voorkomen ‘R. Snellii Physica 1599 privatim dictata ms’ (ald. resp. p. 134, no. 9 en 136, no. 34). Evenzoo las hij in 1599 de Optica van Euclides. Mede gaf hij les in de wiskunde in het Statencollege, waarvan hij met Gomarus inspecteur is geweest. Intusschen werd S. in Febr. 1601 tot gewoon hoogleeraar in de wiskunde aangesteld

[p. 1154]

en verhuisde hetzelfde jaar naar een woning op de Koepoortsgracht, waarna bij hem nagenoeg in het geheel geen inwonende studenten meer worden genoemd. Hetzelfde jaar 1601 las hij de Planetarum theorica Maestlini en de Elementa van Euclides en in 1602 is hij geraadpleegd in zake de exameneischen voor de leerlingen der leidsche ingenieursschool, waaraan zijn vriend Ludolph van Ceulen (kol. 291) verbonden was. Reeds in 1600 zou S. van den landgraaf Maurits van Hessen, zelf een groot vereerder van Ramus, de vereerende uitnoodiging hebben gekregen hem ‘veteris amicitiae ergo’ te komen bezoeken; na de drie jaren later inderdaad ondernomen reis, vereerde de landgraaf hem zijn portret en een gouden keten en liet hem met vier paarden naar Frankfort terugbrengen, aan welke voorvallen S.' zoon Willebrord, die waarschijnlijk ten deele aan de reis deelnam (zie volgend art.) nog later dankbaar herinnerde. Inderdaad vindt men in de reeks diverse besluiten betreffende de leidsche academie en hare hoogleeraren S. niet vermeld gedurende eene periode van 23 Nov. 1602 tot 20 Febr. 1604, welke met genoemde reis kan samenvallen. Scaliger maakt met afgunst melding van de aan S. bewezen eer (Scaligerana, ed. sec., Lugd. Bat. 1668, p. 157), en schijnt trouwens met S. niet op bijzonder hartelijken voet gestaan te hebben: ‘Qui demandera à luy (Gomare) et à Snellius’ - zegt hij, l.c. p. 145 - ‘si ce siecle portera de plus grands hommes que les précédens, ils respondront sans doute qu'ouy, puisqu'ils pensent estre les plus scavans.’ Na zijn terugkeer vond S. zijn beschermeling Arminius sinds 1603 als ambtgenoot, doch in diens twisten met Gomarus wist hij zich voldoende afzijdig te houden. Rector is hij geweest in 1607 en 1610. Een inscriptie van zijn hand uit 1585 komt voor in het album van Johan de Keyser (Janus Caesar) ter Kon. Bibl.; een andere, dd. 5 Mei 1606, evenals een van zijn zoon Willebrord, in het album van Ernst Brinck (Kon. Bibl.); op de universiteitsbibl. te Utrecht berust van hem een brief dd. 3 Dec. 1608 over de gedrukte Optica van Ramus, uitgegeven door Risner, aan Aemilius van Rosendael, sinds 1592 schepen van Gouda en sinds 1602 raadsheer in het Hof van Holland, wonende in den Haag, en wiens vrouw Alida de Lange, een tante was van de Maria de Lange, met wie S.' zoon in 1608 gehuwd was. Van zijne leerlingen noemen wij Is. Beeckman (kol. 84), die een lijst van schrijvers over exacte wetenschappen heeft nagelaten, wier lectuur S. hem had aanbevolen, en Reinier Bont, die nog in latere jaren gewoon was met lof en vereering over zijn leermeester te spreken (zie: Or. in ob. Renieri Bontii in Dan. Heinsii Or., ed. 1657, p. 119). Wegens lange buitengewone diensten kreeg S. 8 Mei 1611 eene vereering en was nog ditzelfde jaar een der examinateurs in zake de inventie van Leamer betreffende het vinden der lengten op zee (II, kol. 790). Wegens zijn ziekte werd echter 9 Febr. 1613 zijn zoon Willebrord tot prof. math. benoemd. Behalve dezen heeft hij nog een zoon Jacob, gest. 17 Mei 1599 op 17-jarigen leeftijd, en een jong gestorven zoon Hendrik gehad. De lijkrede op S., gehouden door Guill. Coddaeus, is gedrukt (Lugd. Bat., 1613); zijn grafschrift in de kerk te Oudewater wordt vermeld bij van Almeloveen (Timaretes), Collectio monumentorum (Amst. 1684); zie ook Algem. Familieblad 1883-1884.

De geschriften van S. hebben geen blijvend spoor nagelaten en hunne bibliografie is moeilijk juist te geven, daar ze zeldzaam zijn en b.v. de

[p. 1155]

leidsche universiteitsbibliotheek ze niet bezit. Wij noemen: In Ethicam Cornelii Valerii (Francof. 1565); Commentarii in aureum Ph. Melanchtonis de Anima libellum; Tractatus de praxi logica; Ethica methodo Ramea conscripta; Snellio-Ramaeum philosophiae syntagma; Commentarii in Dialecticam P. Rami (Herbipoli 1587); Praelectiones in Geometriam Rami (Francof. 1590; Hannov. 1596 en 1604); P. Rami Arithmeticae libri II cum explicationibus lectissimis R. Snellii (Lugd. Bat. of Francof., 1596); Annotationes in Ethicam, Physicam, Spaericam C. Valerii (Lugd. Bat. 1596); Dialogismus rhetoricus (Lugd. Bat. 1600), en posthuum, doch met voorrede, gedagteekend van 1610, Commentarii in Rhetoricam Audomari Talaei (Lugd. Bat. 1617).

S.' portret, met een door zijn zoon Willebrord geleverde biografie, komt voor in de Illustrium Hollandiae et Westfrisiae Ordinum Alma Academiae Leidensis (1614); verder bij Meursius en in kopergravure van W. Swaneburgh in Les vrays pourtraicts etc.; zie voorts de Cat. van de prentverz. der gemeente Leiden, 2e Afd. (1907), nos. 6049-54.

Zie: Melch. Adami Vitae Germanorum phil. (Heidelb. 1615); Meursius, Athenae Batavae libri II (Lugd. Bat. 1625), p. 117-122; van Geer, Willebrordus Snellius en dez., Het geboortejaar van W. Snellius in Album der Natuur, 1884; R. Wolf in Astronom. Mitth., no. 72 (Zürich 1888), 42-55; Navorscher XXXIX (1889), 114; Bronckhorst, Diarium ed. van Slee ('s Gravenh. 1898), reg.; Wittert van Hoogland, Genealogie geslacht van Rosendael in Geneal. en Herald. Bladen I (1906); Burger, Amst. rekenmeesters (1908), 146-148; Mbl. Nederl. Leeuw, XXVIII (1910), 372 vv.; Vollgraff in Leidsch Jaarboekje 1913 en 1914 en in Janus XVIII (1913), 610 vv. en Molhuysen, Bronnen tot de gesch. der Leidsche universiteit I (1913) en II (1916), reg.

de Waard