Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10. A.W. Sijthoff, Leiden 1937


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Golius, Jacobus]

GOLIUS (Jacobus) of Gool, geb. in 1596 te 's Gravenhage, overl. 28 Sept. 1667 te Leiden, stamde uit het leidsche regentengeslacht Gool. Zijn ouders, Dirk Pietersz. G. en Anna Hemelaers, woonden te 's Gravenhage, waar zijn vader kastelein van het Hof van Holland was, benevens eerste klerk bij den Raad van State en, sinds 1618, griffier van de leenen van Holland. Jacobus' broeder was Petrus G. (dl. I, kol. 951).

Golius werd in 1612 student te Leiden en legde zich aanvankelijk toe op de studie der geneeskunde, mathematica en astronomie o.a. onder leiding van Vorstius (dl. IV, kol. 1411), Snellius (dl. VII, kol. 1155) en van Schooten (dl. VII, kol. 1108). De bestudeering van de werken der grieksche mathematici deed bovendien het verlangen bij hem ontwaken om deze geschriften, vooral de Elementa conica van Apollonius Pergaeus, in een beteren dan den overgeleverden griekschen tekst te kunnen lezen. Dit bracht hem tot de studie van het Arabisch. Hij schaarde zich sedert 1618 onder het gehoor van Erpenius (dl. VIII, kol. 495), en, aangevuurd door den ijver van dezen leermeester, wiens toegewijde vriend hij werd, vond G. in de beoefening van het Arabisch meer en meer zijn ware levensroeping.

Zijn kennis van oostersche talen verrijkte hij gedurende zijn reizen in oostersche landen. Van 1622-24 bezocht hij Marokko, toegevoegd aan een nederl. gezantschap naar sultan Muley Zidan, waarbij hij, als ingenieur, belast was met een onderzoek naar de gesteldheid van de baai van Agadir. Den meesten tijd van zijn verblijf bracht hij echter door te Safi in gezelschap van arabische geleerden. In 1625 volgde G. zijn inmiddels overleden leermeester Erpenius op als professor in het Arabisch te Leiden. Nog in hetzelfde jaar werd hem verlof gegeven tot het maken van een studiereis. Achtereenvolgens bezocht hij Aleppo, waar hij als kanselier bij het nederl. consulaat werkzaam was, en andere belangrijke steden in Syrië en Mesopotamië en vertoefde geruimen tijd te Constantinopel, door zijn geleerdheid, in het bijzonder als geneesheer en sterren kundige, de achting winnende van de Oosterlingen, die hem hunnerzijds behulpzaam waren bij zijn studiën en astronomische waarnemingen. Een aanbod van sultan Moerad IV, om als diens hofgeograaf het turksche rijk in kaart te brengen, wees hij met het oog op zijn ambt aan de leidsche

[p. 288]

hoogeschool van de hand. Voor de leidsche universiteit bracht hij van zijn reizen een kostbare verzameling oostersche manuscripten bijeen, die destijds haars gelijke in Europa niet had en alom groote belangstelling wekte. Een lijst van ongeveer 300 titels dezer arabische, turksche en perzische werken verscheen in 1630 te Parijs, samengesteld door den franschen mathematicus P. Gassendi. Een door G. zelf vervaardigde catalogus dezer collectie werd in 1640 gedrukt als bijvoegsel bij den in dat jaar door Dan. Heinsius uitgegeven algemeenen catalogus der academische bibliotheek. In later jaren heeft G. het aantal codices nog vergroot.

Na zijn terugkomst te Leiden in 1629 werd G. een tweede professoraat opgedragen door zijn benoeming tot opvolger van Snellius. Als zoodanig stichtte hij in 1633 de leidsche sterrenwacht, waarop hij waarnemingen van maan-eclipsen, kometen en planeten deed, die van goede qualiteit schijnen geweest te zijn. Overigens wist hij de beoefening der mathesis met die van het Arabisch voortreffelijk te vereenigen. Aan zijn colleges in de wiskunde lagen dikwijls arabische geschriften ten grondslag; zijn voornemen om Apollonius' Conica in het Arabisch uit te geven, waardoor de 3 in de grieksche overlevering ontbrekende boeken van dit voor de toenmalige wetenschap zoo belangrijke werk aan het licht gekomen zouden zijn, heeft hij echter niet ten uitvoer gebracht. Zijn uitgave van Al-Ferghani's arabische astronomie met latijnsche vertaling en aanteekeningen verscheen in 1669, twee jaar na zijn dood, onder den titel: Muhammedis Ferganensis, qui vulgo Alfraganus dicitur, Elementa astronomica. G.'s publicaties, die voornamelijk den studeerenden in het Arabisch ten goede kwamen, zagen het licht bij de Elseviers, die Erpenius' oostersche drukkerij overgenomen en zich verplicht hadden deze tegen een jaarlijksche toelage binnen Leiden te behouden ten dienste der universiteit. Toen de Curatoren deze toelage, waaruit o.a. het onderhoud van den corrector voor de oostersche talen werd bekostigd, verminderden, en de Elseviers zich daarop van hun verplichting ontslagen achtten, trad G. op als bemiddelaar in dit geschil met het gevolg, dat de drukkerij vooreerst voor Leiden behouden bleef. De door hem uitgegeven werken zijn: Proverbia quaedam Alis, imperatoris Muslimici, et Carmen Tograï, poetae doctiss. necnon dissertatio quaedam Aben Sinae (1629); Ahmedis Arabsiadae vitae et rerum gestarum Timuri, qui vulgo Tamerlanes dicitur Historia (1636); Arabicae linguae tyrocinium (1656), inhoudende een herdruk van Erpenius' grammatica en een uitvoerige bloemlezing uit arabische teksten; en een Lexicon Arabicum (1654), waarmede G. den Oriëntalisten een voortreffelijk woordenboek der arabische taal schonk, waaraan reeds lang behoefte had bestaan, ‘un ouvrage admirable pour le temps où il a été fait’, zooals prof. Dozy later daarvan getuigde. Dit woordenboek bleef tot in de 19de eeuw een algemeen geraadpleegd en gewaardeerd standaardwerk, dat in niet geringe mate heeft bijgedragen tot Golius' roem in de wetenschap en tot luister der toenmalige beoefening van het Arabisch in de Nederlanden. Met geleerden in binnen- en buitenland stond G. in correspondentie, terwijl studenten van verschillende nationaliteit zijn colleges bezochten, onder wie er verscheidene later uitmuntten op het gebied der oostersche studiën, als Herbert de Jager (dl. VII, kol. 654), L. de Dieu (dl. VIII, kol. 396), Levinus Warner, Ant. Deusing (dl. VIII, kol. 383), Sam. Bochart,

[p. 289]

J.H. Hottinger, J. Ludolf e.a. G.'s omvangrijke belezenheid in de arabische schrijvers en zijn veelzijdige belangstelling blijkt echter pas ten volle uit den schat van zijn nagelaten aanteekeningen, thans over verschillende bibliotheken van Europa verspreid, die betrekking hebben zoowel op het gebied der mathesis, geneeskunde, botanie en geografie, als op dat der letterkunde, historie en theologie. Bovendien bestudeerde hij behalve Arabisch ook Perzisch, (een perz.-lat. woordenboek van zijn hand verscheen in 1669 te Oxford in het Lexicon Heptaglotton van Edm. Castellus), Turksch, Armeensch en Chineesch. De beginselen van de laatstgenoemde taal leerde hij van den Jezuïetenpater Martinus Martinius, achter wiens Novus Atlas Sinensis, in 1654 bij Blaeu gedrukt, G. een korte verhandeling schreef, De Regno Catayo Additamentum, waarin hij de tijdsindeeling der Chineezen verklaarde en de identiteit aantoonde van het uit de middeleeuwsche en perzische auteurs bekende Catay met het land Sina. Hij bezat een voor die dagen belangrijke bibliotheek van chineesche boeken en handschriften, waarvan enkele hem door pater Martinius waren geschonken.

Meermalen werd G. wegens zijn kennis van oostersche talen en toestanden door Staten-Generaal en bestuurderen van groote handelslichamen geraadpleegd bij hun onderhandelingen met oostersche mogendheden. Als krachtig voorstander van de propaganda der protestantsche leer in het Oosten heeft G. bovendien zijn steun verleend aan de vertaling o.a. van het N. Testament in het Nieuw-Grieksch, van Calvijn's Institutiones, den catechismus, de geloofsbelijdenis en liturgische formulieren der Hervormden in het Arabisch, en van den geheelen Bijbel in het Turksch. Van al deze vertalingen zijn ten slotte slechts die in het Nieuw-Grieksch gedrukt.

Omstreeks 1630 was G. gehuwd met Rensburg van der Goes, dochter van Matthias van der Goes, commies-generaal der artillerie te Dordt, en Aleyt van Beveren (Jacobsd.). Uit dit huwelijk waren 1 dochter en 2 zoons, Dirk, overl. 1679 als burgemeester van Leiden, en Matthias, overl. 1720 als raadsheer bij het Hof van Holland. Na Golius' dood, ter herinnering waaraan een penning is geslagen, werd zijn uitgebreide bibliotheek in twee gedeelten verkocht, nl. in 1668 de boeken, in 1696 de handschriften. De meeste daarvan kocht Narcissus Marsh, aartsbisschop van Armagh, die ze later heeft vermaakt aan de Bodleyaansche bibliotheek te Oxford, terwijl slechts enkele in het bezit kwamen van nederlandsche oriëntalisten. De leidsche academie, die wegens geldgebrek geen bod had kunnen doen, werd destijds evenwel verrijkt met het kostbare legaat haar door een van G.'s leerlingen, den in 1665 overl. neder. resident te Constantinopel, Levinus Warner, vermaakt.

Zijn geschilderd portret door H. v.d. Mij is in de universiteit te Leiden; een prent door L.J. Springer.

Zie: J.F. Gronovius, Laudatio funebris recitata in exsequiis Cl. V.J. Golii (Lugd. Bat. 1668); M.Th. Houtsma, Uit de Oostersche correspondentie van Th. Erpenius, J. Golius en Lev. Warner in Verhand. Kon. Acad. v. Wetensch. Afd. Letterk. XVII (1887); P.C. Mohlhuyzen, Bronnen Gesch. Leidsche Univ. II, III, reg.; W.M.C. Juynboll, Zeventiende-eeuwsche beoefenaars van het Arabisch in Nederland (Utr. 1931); W. de Sitter, Short history of the observatory of the university at Leiden 1633-1933 (Haarlem 1933); J.J.L. Duyvendak, Early chinese studies in Holland in T'oung Pao XXXII (Leiden 1936).

Juynboll