Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10


auteur: P.J. Blok en P.C. Molhuysen


bron: P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10. A.W. Sijthoff, Leiden 1937


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Humbert, Jean]

HUMBERT (Jean), geb. te Amsterdam 7 Mei, ged. Waalsche kerk 16 Mei 1734, overleden te Amsterdam in het begin van Oct. 1794, zoon van Pierre, die volgt, en van diens tweede vrouw Emilie de Superville. Hij toonde al vroeg grooten aanleg en voorliefde voor de schilderkunst, was eerst leerling van Jean Fournier, den bekenden portrettist (1700-65), daarna waarschijnlijk van Joseph Maria Vien (den winnaar van den Grand Prix de Rome in 1743). Althans een der ronde schilderijtjes, die Humbert in 1770 vervaardigde als deurstukken voor een kamerbetimmering in het huis Buitenhof 28 te 's Gravenhage (thans in het haagsche gem. museum) is een vrij nauwkeurige copie van Vien's ‘Jeune Corinthienne ornant un vase de bronze avec une guirlande de fleurs’ (een stuk, dat in den Salon van 1761 algemeene belangstelling verwekte).

Hij was woonachtig te Amsterdam, maar verhuisde in 1761 of 62 naar's Gravenhage, waar hij 28 Sept. 1761 zijn meestergeld voor de schildersconfrerie Pictura betaalde. (Zijn attestatie van de Waalsche kerk werd in 1762 naar's Gravenhage overgeschreven). In 1767 leerling (= teekenaar) op de Teekenacademie van Pictura. In 1787 als bestuurslid of regent dier academie gekozen in de plaats van den naar Engeland uitgeweken H.W. Schweickhardt, hield hij bij de prijsuitdeeling op 21 Maart 1792 een voordracht over ‘de wezentlijke schoonheid van's menschen lichaam’ en is in 1792 ook hoofdman van Pictura zelf. Waarschijnlijk slachtoffer van de ook voor kunstenaars zoo moeilijke tijden is hij in Jan. 1794 uit den Haag vertrokken, zonder orde op zijn zaken te hebben gesteld. Blijkbaar ging hij naar Amsterdam, waar hij in October van hetzelfde jaar is overleden.

Humbert schilderde historiestukken, mythologische onderwerpen en portretten. Vooral de laatste waren in haagsche kringen zeer gezocht om de treffende gelijkenis, de aantrekkelijke kleuren en de ongedwongen houding der voorgestelden. De portretten van hemzelf en dat van zijn gade zijn met groote bescheidenheid bewerkt en dagteekenen vermoedelijk uit 1770; zij berusten bij hun nazaat, prof. van Bemmelen te 's Gravenhage. Groote charme gaat uit van de portretten van zijn zwager en schoonzuster, Mr. Johan Abraham Tinne en diens vrouw Marie Alexandrine Deel (zie dl. I, kol. 1501-02, en aldaar verkeerd toegeschreven aan Liotard). Andere portretten zijn: Mr. Adr. du Bois (1760), vroeger in het kantoor der O.I. Comp. te Rotterdam, thans in het Rijksmuseum; Belle van Zuylen, op het kasteel Amerongen; Mr. J. Meerman (1784) in het Mus. Meerm. Westrh. te 's Gravenhage; ook aldaar een kind van Westrheene; Prof. Aeg. Gillissen (1785) en prof. D.v. de Wynpersse (1787) in de univ. te Leiden; in 1789 een portretgroep: regenten van het wijnkoopersgilde te Rotterdam (momenteel niet

[p. 394]

aan te wijzen); in het gem. museum te 's Gravenhage bevindt zich een dessus-de-porte van 1770, voorstellende: Chryseïs door Odysseus aan haar vader Chryses, den priester van Apollo, teruggebracht (afk. uit het pand Buitenhof 28). Volgens P. Terwesten schilderde hij ook een vertrek voor het Hof van Justitie te 's Gravenhage. Humbert was 14 Aug. 1768 te 's Gravenhage gehuwd met Elisabeth Antoinette Deel, geb. aldaar, als weduwe 15 Sept. 1801 verhuisd naar Amsterdam, dochter van den haagschen notaris Abraham Deel en van Anna Françoise Aguiton. Uit dit huwelijk sproten 7 kinderen, waarvan twee zoons zich door hun kunstzinnigheid beroemd hebben gemaakt, t.w. David Pierre Giott. H. de Superville en Jean Emile H., die beiden volgen.

Zie: Die Haghe, Jaarboek (1924), 249-251 en 362a; Thieme-Becker, Allgem. Lex. d. bild. Künstler XVIII (beide artt. van A. Staring); Alg. Ned. Familiebl. XIV, 133, 134 (de familie).

Regt