VIII. Hooftstuc,
Onderscheiding der woordleeden als stof vande Deelen der woorden.

De Enkelde Woordleeden als stof der Heele Woorden verhandelt zijnde, is ooverich die noch te beschrijven ten aenzien datze zijn stof der Deelen van die.

Ende alzoo de Derdendeelen der Woorden de noodichste zijn: zullen wy nuu de Woordleeden als stof van die alleen aenmercken.

In zulken aenzien zijn de Woordleeden, nae de tweederlei Derdendeelen der Enkelde Woorden daer vanze stof zijn, ooc tweederlei: 1 Grondleeden, 2 Cleefleeden.

Grond-woordleeden zijn, die stof zijn vande Gronden der Woorden.

Als het Woordlit min in de Woorden ic min/ bemín/ mínnen/ mínde/ mínnende/ bemínnende/ gemínde.

Eigenschap. Deeze zijn in't getal altijt maer een in yder woort.

Cleefwoordleeden zijn, die stof zijn van der woorden Cleefsels.

Zy zijn 1 Voorleeden, 2 Naeleeden.

Voorwoordleeden zijn, die stof zijn vander woorden Voorcleefsels.



[p. 129]

Deeze zijn nae haer Getal 1 Eenlingse Voorleeden, als be in bemín/ bedríjven: 2 Tweelingse, als elc der twee eerste Woordleeden in achtermiddach/ Soomerdíjc/ Amsterdám/ heerschappíj: 3 Drielingse, als elc der drie eerste Woordleeden in moutmaekeríj/ recommandéeren; 4 Vierlingse, als in Stijfselmaekeríj/ reconciliátie; 5 Vijflingse, als de vijf eerste Woordleeden in irrevocablemént, irrefragablemént; 6 Zeslingse, als elc der zes eerste Woordleeden in irreprehensiblemént; Zeevelingse, als in't Franse woort irreprehensibilité.

Naewoordleeden zijn, die stof zijn van der Woorden Naecleefsels.

Deeze zijn ooc nae haer Getal 1 Eenlingse, als het leste Woordlit in wínter/ scháemel/ góede/ bónus, Deus, bemínnen; 2 Tweelingse, als elc der twee leste woordleeden in zóndigen/ héemelen/ vergánkelijc/ Dóminus. Dit zijn de hoochste in getal by de Latijnen: maer by ons zijnder daerenbooven noch, ten 3 Drielingse naewoordleeden, als elc der drie leste Woordleeden in léugenachtich/ Oóverichheit: Ten 4 Vierlingse, als in léugenachtige/ óoverichheeden.