|
|
|
| |
George Moormann leest Willem Bilderdijk
| |
Raed aan een dichter
'k Las uw verzen met vermaak;
'k At uw haas met grooten smaak;
Maar ik moet u iets vertellen:
't Is zoo eigen aan de liên,
't Geen zy minst en zeldzaamst zien
Op den hoogsten prijs te stellen.
Daarom, tot uw Dichters eer,
Toon wat minder van uw verzen, zend my van uw wild wat meer!
Bron: Willem Bilderdijk, De dichtwerken van Bilderdijk. Deel XIII. A.C. Kruseman, Haarlem 1859
| | | |
Op een partij huilende lijkzangers onse tijds
Rekels, laat den doode slapen!
Waarom toch zijn vredige asch
Met uw nagels los te schrapen
In dat valsche Luitgekras?
Of, wat meent gy, zoo zijne ooren
In den donkren kelderkuil
Dat vervloekt geraaskal hooren
Van uw jankend hondsgehuil,
Dat hy niet, van spijt aan 't branden,
Om zal keeren in de kist?
| | | |
Ja, niet knarsen met de tanden
Of zijn grafsteen wierd bepist?
Wat vermoeide kan dat velen
Als hy 't hoofd te rusten leit,
Dat een Hel van schorre kelen
Hem den kop aan flarden schreit?
'k Las wel eens van 't klokkenluiden,
Dat het dooden nog verkwikt;
Maar wie zal my dit beduiden
Als een slootvorsch rikkikkikt?
En nog had ik aan mijn ooren
Liever dan dien deun te hooren
Dien gy ons voor Dichtkunst vent.
Mag men dan den geest niet geven
Zonder dat gy vaerzen lijmt?
Dan is 't raadzaamst, maar te leven
Tot gy eerst hebt uitgerijmd.
'k Moet bekennen, lieve Vrinden,
't Zijn thands dagen van geweld:
Om een oogwenk rust te vinden
Is het jammerlijk gesteld.
Hier, hier roept men u te wapen;
Daar, om Kiezers voor het land:
Ongestoord mag niemand slapen,
Zelfs niet eens by remplacant.
Ja, wie stilte mag verlangen,
Vindt haar ook niet meer in 't graf,
Zoo als 't dreunt van Lijkgezangen;
Zien wy des dien stormbui af!
Ja, om veilig heen te trekken
(Nemen wy dit vast besluit!)
Moeten al die Rijmlaargekken
Ons naar 't knekelhuis voor uit.
Maar een stroom van Lofreênsprekers,
| | | |
Zijn dat minder hersenbrekers
Als men eenmaal rusten zal?
Ook die snaken doen zich hooren!
Telkens weêr een nieuw begin!
Zeker, 't best waar, nooit geboren;
Doch - hier slaapt men wel by in.
Bron: Willem Bilderdijk, De dichtwerken van Bilderdijk. Deel XIII. A.C. Kruseman, Haarlem 1859
| |
Haarlem
Dit is dat Haarlem dan, hetgeen ik my verbeeldde
Als vol van welvaart, rust, en zielsgenot, en weelde!
Een omtrek van een stad, die omdanst in heur wal,
Van wildernis vervuld, en afbraak, en verval:
Een lucht wier helle klank mijn hersens steeds doet trillen;
Vol raatlend straatgewoel, by nacht noch dag te stillen:
Vol stemmen, voor het minst als dondrend wolkgekraak,
Drie ladders hooger dan gewone menschenspraak
Die, wen de klokken slechts een oogenblikjen zwijgen,
Als eensklaps uit de kluft der barstende aarde stijgen! -
ô Zalig Leyden, wieg van 't Zanggodinnendom!
Ja, zalig Amsterdam waar beurs- en straatgebrom
In doffer lucht verzacht en als door één gedommeld,
Geen hersens zoo verscheurt noch ingewand doorrommelt,
Noch eindeloos allarm door aders jaagt en bloed,
En 't merg in ruggegraat noch beenders schokken doet!
Bestemdet Ge, ô mijn God, voor my-alleen op de aarde
Dan enkel zwerven? my, den telkens meer bezwaarde!
Wat verg, wat vrage ik my? Een adembare lucht,
| | | |
Een mondvol daaglijksch brood, en rust van straatgerucht.
Wat is de wareld my? wat heeft zy voor vermaken
Die ooit een hart als 't mijne in staat mocht zijn te smaken?
Wat was ooit spijze of drank, of weelde of pracht voor my,
Die vreemd aan 't lijfsgenot, geduldig nooddruft lij'? -
Kan de oefning van den geest me in alle rampen streelen,
En zalven menig leed, door kruid noch kunst te heelen,
Wat moest me in 's Levens kracht in nutte werkzaamheid,
En nu in d' Ouderdom een stille rust ontzeid?
Wat vroeg ik ooit voor my dan 't stille zielsgenoegen,
Van, Land en Volk ten nutt', mijn dagen af te zwoegen?
Wat, nu die ijdle wensch zich oploste in de lucht,
Dan dat geen aard my stoore in d' allerjongsten zucht?
ô Hemel, trek gy me af! verstomp die zielsbeseffen
Die 't lichaam met een schok van overstelping treffen!
Geef rust der ziel, en die, door 't lichaam onverstoord!
'k Heb 't schutgedonder mede op 't bloedig veld gehoord,
En, midden in 't gedruis onaangedaan. Maar heden
Schokt me elke klokslag 't hart en ratelt door mijn leden,
En ieder stemgeluid bedwelmt my 't duizlig hoofd,
Of splijt het me, op 't gevoel als met een axt gekloofd.
Ach, 't grijze metselwerk van uitgediende wallen
Schudt, davert van den wind, gereed om in te vallen;
Het waggelt op 't geluid met de eenmaal trotsche kruin:
Een kleene luchtstroom slechts, en 't stort in enkel puin.
Bron: Willem Bilderdijk, De dichtwerken van Bilderdijk. Deel 12. A.C. Kruseman, Haarlem 1858
| | | | | | |
|
|