terug  begin  verderprepost

D. Woorden van Joodse oorsprong in de noordelijke groep

Als een van de kenmerken van deze groep is opgegeven: ‘het Joodse element is aanzienlijk’. Het percentage Joodse woorden stijgt gemiddeld boven de 30.

We zullen de verschillende bronnen, die alle op eigen aantekeningen berusten, nagaan om het karakter van de aan het Joods ontleende woorden vast te stellen.

[p. 210]

D I. Bargoens van Nijmegen (1924) [Bron 36]

Het woordmateriaal heb ik verkregen van enkele van elkaar onafhankelijke personen die in Nijmegen wonen. Ze zwerven niet meer. De geheimtaal is dus in Nijmegen gelokaliseerd. Een van de ondervraagden stamt van zwervers af.

In de gemeente Nijmegen woonden in 1915 in totaal 225 mannelijke en 279 vrouwelijke Israëlieten. Vele hiervan behoren tot de eerste stand.

De volgende woorden van Joodse oorsprong treffen we in het Bargoens aan.

achelen, eten
attenoje, uitroep
bajes, gevangenis
bajes van de borgemak, gemeentehuis (ook grandige kit)
bas, stuiver; kimmelbas, drie stuivers
begietig, bang
bei, beis, twee; bei zoof, twee gulden
beis bas, dubbeltje; ook beisje
bekaan nemen, terugnemen; ik heb die twee knaken bekaan genomen
benosselen, betalen. Contaminatie van nossen en betalen.
bescholmen, betalen; lovie of schriebes bescholmen
bezol, goedkoop
boser, vlees. Eén van de onderzochten noemde het ‘geen Bargoens’.
dollef, vier
emmes, mooi
gabbertjes, jongens
gasjene-mone priemerik, dominee
gasterik, gazzer, spek
geklof, gekleed
gis, handig; gisse goozer, handige vent
gisof, pruimtabak. Hetzelfde woord als eytsef in c viii, 1860 Verwoert.
gokken, kaarten
gooi, vrouw
goozer, vent, kerel
hei, heitje, vijf
heit, heitje, kwartje
heitjespoojer, souteneur (ook piratenpooier)
jajim, jenever
jat, hand, voet
jatter, dief
joed, tien; tientje
jofel, mooi
joker, duur
kaffer, boer
kajim, Jood
kalf, twintig (zie kaf)
kalletje, getrouwde vrouw
kasjemeine gaan, weggaan; ik verschier hier lau, ik moet gaan kasjemeine, ik verdien hier niets, ik moet weggaan
katsie, slager
keil, borrel; keilen, drinken
keilof, hond; ook joekel
kienen, kopen
kimmel bas, vijftien cent
kinnemen, luizen; ook kinnef
kinnefkam, haarkam
klof, kleren; die bink tippelt jofel in de klof, die man is goed gekleed
kotem, kind; 't mokkel scheft met kotem, het meisje is zwanger
lammetje, een gulden vijftig
lechem, brood; lechembakker; bakker
loenig; loenig porum, lelijk; lelijke kerel
majem, water (ook plomp); majembak, urinoir
majemen, mingere, regenen
mans tippelen, geld ophalen bij een orgel
martienfokker, zwerver (ook grieksefokker). Pol. en Voorz.: medinoh ‘gewest, provincie, platteland, streek, kleine stad, dorp’; -geier (-geher), -looper ‘die op het platteland het ventersbedrijf uitoefent’.
meier, honderd gulden
melochemen, coïre
[p. 211]
mesjokke, dom, gek
mezomme, geld
mies, lelijk; spant die gooie een mies ponem hebben, kijk eens wat een lelijk wijf
mies trederiks, sokken
mokem, stad
niese, meisje (zie schikse, kalletje)
nijf, mes
peiger, dood; die bink hebben ze peiger gestoken (ook mol)
poen, geld
ponem; porum, hoofd of gezicht
saucher, koopman
schikse, meid (zie kalletje'en niese)
schok, stad; boerenschok, dorp
schokken, kosten
seragel, slecht, stinkend; seragel bozer, slecht vlees
sjoegen, slimmeriken
sjonof, penis. Bischoff: sônef 1 ‘Schwanz’ (Hebr. sânâb); 2 ‘Verächtliches’ (G.).
sjoof, gulden; ook zoof en piek
siep, zeventig. Pol. en Voorz.: shiw'im ‘zeventig’.
smeris, agent
smoeslau, houd je mond (ook deis je)
soele, kerk
sos, sossem, paard
talver, bedelaar
temeie, lichtekooi; temeiekit
tochus, tokus, aars
tofele, de, de vader (ook olmse). Bischoff: tôfel ‘alt’ (rabb.: thâphêl ‘altersschwach’).
tofele mone, rooms

We vinden hier 83 Joodse woorden op een totaal van 242, d.i. ± 34%.

Het karakter van de overgenomen woorden kenmerkt de geheimtaal als Bargoens. Dieventaaltermen treffen we niet aan; geen woorden voor inbrekerswerktuigen, inbraken, soorten dieven enz. De hele woordvoorraad geeft ons een inzicht in de gewone denksfeer van de zwervers: geld, brood, kleren, geslachtsleven en wat daarmee in verband staat vormen er een belangrijk bestanddeel van.

Een paar woorden, tot nog toe niet opgetekend, zijn van belang omdat ze ook in het ‘jargon’ van de Twentse paardenkopers voorkomen. Het zijn: martienfokker (Twents jargon: medine), sjonof(Twents jargon: zonof ‘staart’), siep ‘zeventig’ (Twents jargon: sjiebes) en de tofele ‘de vader’.

Het Bargoens van Nijmegen is wat z'n Joods element betreft, ten dele ontleend aan handelaars, slagers, veekopers e.a., die, Jood of christen, een vaktaal spreken, doorspekt met Joodse woorden.

D II. Bargoens van Haaksbergen (1922) [Bron 37]

In 1922 leverde een onderzoek te Haaksbergen zeer belangrijke stof voor de geheimtaalstudie. Ik ondervroeg er een zwerver die zich tijdelijk in Haaksbergen gevestigd had. Deze persoon, Van de W., is een woonwagenbewoner van geslacht op geslacht. Hij zwerft allang weer en ‘berolt’ voornamelijk het oostelijk deel van Overijssel tot Ootmarsum en Denekamp. In dit zwerfgebied liggen als voornaamste plaatsen Enschede (Joden: 416 mannen, 421 vrouwen); Borne (Joden: 68 mannen, 85 vrouwen); Haaksbergen (Joden: 38 mannen, 29 vrouwen); Oldenzaal (Joden: 91 mannen, 117 vrouwen); Denekamp (Joden: 26 mannen, 31 vrouwen); Ootmarsum (Joden: 23 mannen, 14 vrouwen); Almelo (Joden: 212 mannen, 212 vrouwen); Delden (Joden: 22 mannen, 18 vrouwen); Goor (Joden: 47 mannen, 49 vrouwen); Hengelo (Joden: 97 mannen, 112 vrouwen). De tussen haakjes geplaatste

[p. 212]

getallen doen ons zien dat in Twente een aanzienlijk getal Joden woont, ook in de kleinere gemeentes.

Bij deze zwerver constateerde ik telkens dat hij Baisroven ‘Joods’ onderscheidde van echt Bargoens. Dat neemt niet weg dat in zijn Bargoens een sterke Joodse inslag zit. De minachting voor woorden die hij als Joods kende, waarschijnlijk nieuwe, was opvallend. Het is wéér de geschiedenis van de brief van A. en Z. (c vi 1844). Ik zal naast de woorden van Joodse origine de niet-Joodse synoniemen noteren.

achelen, eten; ook bikken
achtertochus, ham (zie tochus)
Bais-Roven, het Joods ter onderscheiding van het Bargoens. Vorm uit het jargon.275 Contaminatie van beisko (beisecho) en bar jisro' eil?
bescholmen, betalen; ook bedissen
beseibelen, bedriegen
bewiegmen, verdienen. Vgl. marwichen in de C-groep, en ‘Louter Lekoris’: bewiechmen.
dobberen, spreken. Dobberen naast dibberen is een vorm uit ‘Louter Lekoris’.
gaaie, volk
gammel, ezel. De vorm gammel is door klank- en begripsassociatie met gammel ‘ziek, slecht’ ontstaan uit gammer.
gapper, dief
gazzer, varken; ook baloo
gazzeremoon, protestant; gazzeremoon gaaie, protestants volk; ook hansjes (vgl. ‘Louter Lekoris’: gazzeremone).
glonze, fles
glonzel, raam, glas
gokken, liegen
gondel, lichtekooi (zie temeie en tes mem)
gondelbajis of gondelkit, bordeel
goozer, vader; ook knul
goozer, jongen, broer
harbe, veel; harbe saai, rispel, lang haar. Bischoff: Hebr. harbèh ‘viel’. Vgl. harbe, harme in ‘Louter Lekoris’.
heitje, kwartje
janzorof, sterkedrank, jenever. Pol. en Voorz.: jaïn soroph ‘brandewijn’.
jat, hand, vinger
jatter, dief
kaffer, boer; ook hoetse
kajum, Jood
kassajim, geweer; goozer met kassajim, jager
keilef, hond (als Bais-Roven opgegeven); ook joekel
kepoeris, dood; ik knoks je kepoeris
kinjen, kopen. Deze vorm is uit het ‘Louter Lekoris’. De meest voorkomende is kienen.
kinnemtiejijs, kam (als Bais-Roven opgegeven)
lau, niet, weinig
lechem, brood. Ook maro en Witte Willem; de betekenissen zijn gedifferentieerd: maro betekent ‘roggebrood’.
majem, water; majemen, regenen
majemtrapper, eend; ook betsje
makajemen, geven, slaan; ook kleunen
medine, land, bouwland. Deze vorm is uit ‘Louter Lekoris’.
mesjokke, gek; ook maf en kalloone
mies, slecht; mies murf, slechte tanden
miete, bed
mietevattelink, beddengoed
mokum, stad; Grannig Mokum, Enschede
pattes, zwanger; ook baden meles, grannige meles
roojen, roojemen, kijken
sabbelen, werken; ook peezen
schore, waar; kinnem schore, lompen
[p. 213]
serachelen, stinken; ook bouten
serroof, dokter. Contaminatie van serrore ‘heer’ en roof ‘dokter die de paarden keurt’. (Zie roof in ‘Louter Lekoris’.) Pol. en Voorz.: rauphei ‘geneesheer, dokter’.
sikkebajis, sikkekit, herberg. Als Bais-Roven opgegeven.
sjasken, drinken; ook buizen
sjikse, meid; peezesjikse, dienstmeid
sjoele, kerk; ook dof
soacher, koopman
sossem, paard
sougern, handelen. Als Bais-Roven opgegeven.
talven, vragen; ook mangen
talvenaar, bedelaar; ook manger
tannegoor, kippen. Als Bais-Roven opgegeven; ook kachelientjes.
temeie, lichtekooi
tesmem, lichtekooi. De letters t, m van temeie.
tiffel, kerk; ook dof. Zie ‘Louter Lekoris’ i.v.
tochus, aars
tof, goed
treifel, vals, niet goed; treifel rat, rijksdaalder
vergokken, verspelen (zie gokken)
zoof, gulden

Deze geheimtaal geeft nog sterker dan d i een beeld van Joodse invloed op oorspronkelijk Bargoens. Het is vooral het jargon van de Twentse kooplieden dat z'n woordmateriaal afgestaan heeft. In de lijst is dit aangegeven. Hoewel deze zwerver zoveel mogelijk de Joodse woorden vermeed, treffen we er aan (janzorof is mekorof, tannegoor e.a.), die we tot nog toe niet noteerden. Deze woorden wijzen wel op direct contact met Joodse elementen.

Begrippen uit de dieventaal treffen we bijna niet aan.

Op een totaal van 231 woorden tellen we 66 aan het Joods ontleende woorden, of ± 29%.

D III. Bargoens van Lochem (1921) [Bron 38]

In Lochem heb ik de taal onderzocht van een gevogeltekoopman die ook twee jaar in Groesbeek gewoond heeft. Het Joodse element in deze Lochemse geheimtaal is van jonge datum. De vader, die ik ondervroeg, gaf vaak een Oudbargoens woord dat de zoon niet meer kende of als ‘verkeerd’ verwierp. De woorden van de zoon bleken dan ontleend te zijn aan het Twentse jargon, dat hij op de markten te Zutphen en Deventer en langs de weg hoorde.

We treffen in deze groep, evenals in d ii, vaak meerdere woorden voor één begrip aan, bijvoorbeeld ‘hond’: heuvel, joekel, keilef (Bargoens, Zigeuners, Joods); ‘dubbeltje’: kassemenneke, meutje, hoendje, beisje.

De vader gaf zich moeite de Joodse woorden te weren en zoveel mogelijk zuiver Bargoens te geven. Dit verschijnsel constateerden we ook in d ii (zie ook c vi 1844, A. en Z.)

De Joodse gemeente te Lochem telt 149 leden, 71 mannen en 78 vrouwen.

De volgende Joodse woorden komen in deze geheimtaal voor:

[p. 214]
achelen, eten; ook bikken
bajis, gevangenis; ook prinsemerij en lok
bolleboos, burgemeester
beisje, dubbeltje; ook hoendje, meutje, kassemenneke
etters, vader. Pol. en Voorz.: ette ‘vader’ (Duits).
galeies, mond- en klauwzeer. Pol. en Voorz.: gelaas, zie gauli; gauli ‘ziekte’.
gazzer, spek
gedallast, arm
gesjochten, arm
goie, vrouw (zie lekaive)
gokken, kaartspelen
halgen, lopen; ook tippelen
ise, man. Pol. en Voorz.: ish ‘man’.
jajem, jenever; ook nörrie
jatten, handen; ook veemen
kaffer, boer; ook hoetse
kajim, Jood; ook snikkel
keilef, hond; ook ookjoekel, heuvel
kelfsken, borrel. Vervorming van keil, zie d i.
ken, ja; bevestiging in het algemeen
kinnem, luis; ook grieksen
kluft, het voorkomen van iemand; kwante kluft, een goed voorkomen
lau, slecht
lekaive, vrouw (zie goie)
memme, moeder
mitwe, bed; ook luimes
nefke, lichtekooi; zie temeie
poen, geld
roojen, kijken; lau roojen, slecht zien
schim, naam; linke schim, valse naam
sien, commies; ook wout
sjanken, drinken. Vervorming van sjasken?
sjokkelmajem, koffie
soucher, koopman
sorrore, heer, patroon
talven, bedelen; ook strijken
temeie, lichtekooi (zie nefke)
temeie-bajis, bordeel; ook sjok
tiffel, kerk. Pol. en Voorz.: tiploh ‘afwijking, kerk’.
tiffele, kerk; ook sjank
tippelen, lopen (zie halgen)
zonof penis

De hele lijst telt 126 woorden. Daarvan zijn er 42 van Joodse oorsprong, of 33%.

Evenals bij d i en d ii draagt deze lijst bij tot de opvatting dat het oostelijk ‘jargon’ hier een oorspronkelijk Bargoens beïnvloed heeft.

D II. Bargoens van Goor (1925) [Bron 39]

De woorden in de nu volgende lijst werden door mij opgetekend uit de mond van K., een ‘deftig’ kermisreiziger, die met verschillende ‘spullen’: draaimolen, luchtschommel, de kermissen bezoekt. Deze kermisklanten, al wonen ze op hun trektochten in woonwagens, rekenen zich tot een maatschappelijk veel hoger staande groep dan de zwervers, die van de talf moeten leven. Ze hebben een organisatie en een vakblad,276 en vaste woonplaatsen buiten de kermistijden.

M'n zegsman, K., wist niet heel veel woorden en uitdrukkingen, maar toch genoeg om me een inzicht in de geheimtaal van deze groep te geven.

De streek die K. met z'n spel bereist, omvat: Overijssel en een deel van Gelderland (Achterhoek, oostkant Veluwe). De Rijn is de zuidgrens.

Van Joodse oorsprong zijn de volgende woorden:

[p. 215]
achelen, eten; ook bikken
bekattering, bekeuring
dalven, bedelen; zie talven
gajes, volk; ook geschoor
ganneven, stelen
gazzer, spek
geschoor, volk. Ik vermoed dat dit woord door synoniemafleiding ontstaan is uit schore ‘waar’; aldus: waar synoniem met ‘tuig’; ‘tuig’ is minder soort volk. Misschien heeft de bijgedachte aan schorrie-morrie meegewerkt aan de betekenisovergang.
heitje, kwartje
janzorof, jenever (werd paarden-koperstaal genoemd)
jatten, handen, schoenen; bruine jatjes, bruine schoenen
joed, tien gulden
kaffer, boer; die kaffer stiekt lau, die boer geeft niets
keil, borrel
keilef, kellem, hond; ook joekel
kinnef, luizen; de vrijer scheft onder de kinnef, die kerel zit onder de luizen
kloft, kleding
lau, weinig, niets
lauman, paard dat niet trekken wil. Zie ‘Louter Lekoris’ i.v.
lechem, brood; achel lau lechem, eet weinig brood; ook maro
maiem, water
majemen, regenen, mirigere; in laatste bet. ook flossen
mans tippelen, geld ophalen; hij tippelt mans bij 't pierement
mansen, geld ophalen
melochemen, coïre
mokum, stad
niese, meisje, vrouw
peiger, dood
ponum, gezicht; ook porum
scheffen, zijn, vertoeven
schim, naam
serroorkit, herenhuis
sjikker, dronken
sjoof (zoof), gulden
skiks, meid. (De sk-Anlaut is Saksisch.)
sossem, paard
tepei houden: zich -, z'n mond houden, zich gedekt houden: hou je tepeie (is de pei)
tof, goed
verkinjen, verkopen
zonef, penis

De gehele lijst bevat 118 woorden. Aan het Joods ontleend zijn er 38, d.i. 32%.

We zagen dat het jargon van Goor 90% Joodse woorden bevat; uit deze getallen al blijkt het verschil tussen deze twee geheimtalen. De sprekers van het Goorse Bargoens en het jargon behoren tot absoluut verschillende sociale groepen en komen niet met elkaar in aanraking, behalve wanneer een kermisreiziger een paard wil kopen. Lauman is zeker aan het jargon ontleend - sossem zeker niet, hoewel ontlening voor de hand ligt. De jargonvorm is sos. Het karakter van de ontleende woorden is als die in d i, ii en iii.

D V. Bargoens van Oldenzaal (1928) [Bron 40]

Drie zwervers hebben me het materiaal dat nu volgt, verschaft. Eén van deze lui, die juist acht jaar ‘gescheft’ had, beweerde: ‘'t Wöt allemoale Jöts,’ en probeerde de Joodse woorden te vermijden, een geval dat we ook signaleerden bij d ii en d iii. Het zwerfgebied van deze lui, allen te Oldenzaal woonachtig, is Twente, de Achterhoek, Noordoost-Overijssel tot Coevorden.

De volgende woorden van Joodse origine treffen we aan:

[p. 216]
achelen, eten; ook bikken
bajes, gevangenis
bas, stuiver
beis hoendjes, twintig cent
beisje, dubbeltje; ook hoendje
bekaan nemen, bestelen, te pakken nemen
bozer, vlees
brooger, kerel, man
gazzer, spek
goie, vrouw
heitje, kwartje
jajem zorem, jenever; zie keil en nörrie
jatten, handen, stelen
joed, tien gulden
jofel, goed, mooi
kaffer, boer
kalle, vrouw. Werd als ‘Joods’ bestempeld.
kasjemeine, weg; we tippelen kasjemeine, we gaan weg (zie pleite)
keil, jenever; zie jajem zorem en nörrie
keil, borrel
keilekit, herberg; ook keilewinkel
kimmel, drie; kimmel bas, vijftien cent
klof, kleren; jofel in de klof, goed gekleed
lammetje, daalder (ƒ1,50); ook duimpje
lau, niet
malochemen, coïre; ook kasperen
martienfokker, rondtrekkende leurder, ‘reiziger’, woonwagenbewoner
meier, honderd gulden; kwart meier, ƒ25,-
mokum (groot-), stad; mokum, dorp
niese, vrouw
pattes, zwanger. Werd ‘Joods’ genoemd.
pleite, weg (bijw.); zie kasjemeine
poen, geld
pooser, cent; ook scheur en schrabber
ros, hoofd. Als ‘Joods’ opgegeven.
scheffen, vertoeven
schim, papieren; de wout mangt naar de schim, de agent vraagt naar de papieren. Metonymische betekenisovergang.
schofel, slecht; schofele schore
schore, waar
sjoem, vet (bnw.). Zie ‘Louter Lekoris’ i.v. sjoem.
smoes lau, zeg niets. Als ‘Joods’ opgegeven; ook prevelt lau.
sorrorekit, villa
sossem, paard
temeie, lichtekooi, ook temeiesjikse
tinnef slechte waar
tippelen, lopen
tippelsjikse, meisje uit een woonwagen
tochus, aars. Werd ‘Joods’ genoemd.
zonof penis. Werd ‘Joods’ genoemd; ook siegfriet.
zoof, gulden
zwartjesmajem, kokend water

De hele lijst bevat 134 woorden. Van Joodse oorsprong zijn er 52, dat is ± 39%. Dit percentage is rijkelijk hoog als we in het oog houden dat ten minste één van de ondervraagden zoveel mogelijk de Joodse woorden vermeed. Dat was de man die acht jaar ‘gezeten’ had. Deze gaf ook meerdere woorden als ‘Joods’ aan. Het doordringen van de Joodse woorden blijkt hier dus in de laatste jaren toe te nemen.

Verschillende woorden: zoof (met z-Anlaut), tinnef, sjoem, schore zijn aan het jargon ontleend. De soort van de overgenomen woorden is dezelfde als in de voorafgaande lijsten.

D VI. Bargoens van Wijhe (1931) [Bron 41]

De nu volgende lijst bevat maar 81 woorden, die me verschaft zijn door A.V., die met een woonwagen uit Wijhe in Goor vertoefde. De man trok door heel Overijs-

[p. 217]

sel; hij is echter geen martienfokker van huis uit en heeft z'n geheirntaalkennis dus niet als kind reeds in z'n familiekring opgedaan, maar heeft die later al zwervende verworven. Het karakter van de hele lijst is nu wel heel anders dan bijvoorbeeld die van d ii (Haaksbergen).

De volgende Joodse woorden treffen we aan:

beis, twee
beisje, dubbeltje; ook joekeltje
gaster, spek
goamelen, coïre. Avé-Lallemant iv 531: chomeln, chaumeln (Hebr. chomal) ‘sich erbarmen’, d.h. ‘misbrauchen, entehren, coïre’. (Zie ‘Louter Lekoris’ i.v. gamelen en gameler.)
heitje, kwartje
jatten, handen; ook veemes
kimmel, drie; kimmeltje, stuiver (!)
lechem, brood; ook maro
macholle, bedorven, kapot; 't is macholle, de zaak is kapot
mokum, dorp
porum, gezicht; wat een porum!
poter gaan, weggaan; poteren, aflopen, afwerken; poter die streif, loop die straat af; pooter!, gooi dood, maak van kant; pooter dat waterreitsje, gooi die eend dood
scheffen, zijn, hebben, vertoeven; met grom scheffen, zwanger zijn
schofel, slecht
schokkie, kermis
sjonof, penis; ook leuter en kesieberik
sossem, paard
tochus, achterste, aars
zwijntje, fiets

We tellen 19 Joodse woorden op 81, of ruim 23%. Het percentage is aanzienlijk lager dan we tot nog toe in de D-groep constateerden en benadert het dichtst d ii (Haaksbergen).

Een van de factoren die een lager percentage Joods veroorzaakte, is zeker wel het aantal Joden dat in Salland woont, en dat veel geringer is dan in Twente.

Wijhe: 18 Joden, 12 mannen en 6 vrouwen; Olst: 22 Joden, 14 mannen, 8 vrouwen; Diepenveen: één jood; Bathmen: 14 Joden, 7 mannen, 7 vrouwen.

Nieuwe woorden levert de lijst niet op, behalve goamelen, aan het jargon ontleend.

D VIII, B. Bargoens van Groningen-Winschoten (1921-1925) [Bron 42, 43]

Uit deze streek bezit ik gegevens die me verschaft zijn door twee maatschappelijk geheel verschillende personen.

D VIIA

Het hoofdmateriaal is me verschaft door S., los-werkman, chauffeur enz. Hij behoort dus niet tot de groepen die we tot nog toe voor de noordoostelijke geheimtalen onderzochten. Hij staat in het gewone leven, iets aan de zelfkant. Tot de dievengroep behoort hij niet, al komt hij wel in aanraking met ‘jongens van de vlakte’. Hij woont sedert geruime tijd in Nijmegen.

We zullen de woorden van Joodse oorsprong in zijn geheimtaal nagaan.

[p. 218]
attenŏje, och (interjectie)
aukel, bult. Pol. en Voorz.: auker ‘bultenaar’ (Duits).
bedeis (1ste pers.), ik doe, ik verricht. Pol. en Voorz.: beda'as ‘met kennis, met voorbedachten rade, met opzet’.
begesjewerk, samen doen (zie getsjewerk)
beis, twee; beis eit, een kwartje. Dit laatste woord is, als het niet verkeerd is opgegeven, opvallend.
beisje, dubbeltje; ook hondje
bekaan nemen, gevangennemen; de prinserij nam hem bekaan
betoegd, rijk
binke pei, uitroep: jongens, hou je mond
boser, vlees
dalleven, dalven, vragen, bedelen
gallef, mes
gannefbrudder, een dief
gannefschore, te stelen waar
gazzer, spek
gazzerboosjer, varkensvlees
gekloft, gekleed
gesweit, getrouwd. Jiddisch: geschweit ‘getrouwd’. Pol. en Voorz.: Geschwei ‘schoonzuster; schoonbroeder, zwager’.
getsjewerk, werk datje samen doet (zie begesjewerk)
goj, christenen
golef, melk
gonje, meisje. Contaminatie van gondel en goïe.
goochem, slim; goocheme jongen, dief
goozer, vrijer
heitje, kwartje
iesje, meisje
jajem, jenever;jajemen, drinken
jansjorof, jenever
jatslag, diefstal [zie gannefschore)
jatten, handen; ook klaffier
joed, gouden tientje; joed, tien
jofe, mooi
kafferientjes, boeren
kajim, Jood
kasjemeine, weg (bijw.); ik tippelde voor kasiemeine; ook ‘slag’: ik bediste daar een kasiemeine!
keil, keiltje, borrel
kèn, ja
kesjeres, gezicht, voorkomen; minachtend: wat een kesjeres, wat een lelijk gezicht. Pol. en Voorz.: ǵezeiraus ‘rampen, kwalen’. (Een lelijk gezicht is een ǵezeiroh.)
kienen, kopen
kimmel, drie; ook ‘een week’!; ik pees hier kimmel, ik werk hier een week
kinnef, luizen; ook join
klof, kleren
koten, kind; ook koter ‘jongen’, tegenover meisje
lau, niets; van lau weten, van niets afweten
lau lône, niet
lau sjoege, sjeige, geen verstand; daar heb jij lau sjoege (sjeige) van, daar heb jij geen verstand van
lekeive, meid, lichtekooi. Pol. en Voorz.: neqeiwoh ‘vrouwelijk persoon, meisje’.
leviege met krèn, niets; ik bedis leviege met krèn, ik krijg helemaal niets
loene (schore), slechte waar
macholle, slecht, venerisch; ook ‘dood’
majemen, mingere
makke, in de uitdrukking lau cent de makke, niets
makke, slag
makke: voor - liggen, ziek zijn
makkement, slag; voor makkement liggen, voor mirakel liggen, bewusteloos geslagen zijn
makkement, lichaam; hij scheft 'n mies aukel op z'n makkement, hij heeft een lelijke bult
[p. 219]
makkement: 't zal me 'n - wezen, het zal me een zorg wezen; ik trek er me niets van aan
malochem-kit, bordeel
marode, ongeluk; hij scheft in de marode
massel, geluk
melogemen, coïre
mem, moeder; ook poerie
mezommes, geld
mokum, stad
olf, een
parch-porum, lelijke kop
patsof, hoofd
piegem, kind, slimmerd
pinooze sjalf, een goede, lepe jongen
pleite, weg (bijw.)
porum, hoofd, lichaam
posje, cent; ook schrabber
raajemen, zien
scheffen, geven: schef me een sjakkel, geef me een borrel
scheften, zitten, vertoeven, bezitten; gaan: ik schefte de wereld in
schokkelmajemen, drinken
schoren, koopwaar
sjachelaar, koopman
sjalf, vent, kerel. Pol. en Voorz.: shalph ‘een niet-Israëlitisch jongmens’, door sommigen in verband gebracht met shiph gérèw ‘het zwaard trekken’.
sjasken, drinken
sjauve, waard; lau sjauve, niets waard277
sjeichet, man, kerel; sjeicheltje, kind (ook grom, koten)
sjeroogemen, stinken
sjikker, dronken; sjikkeren, drinken
sjikse, meid, meisje
sjoege in hebben, erg in hebben; daar heeft er geen een sjoege in
sjoele, school
sjonef, penis
sjorof, jenever
sjouf, gulden; hei sjoef, vijf gulden
skorumen, liegen; je skorumt, je liegt
slamassel, ongeluk
smeris, agent
smoezen, spreken
sos, paard
tes mem, lichtekooi
tochus, achterste
vejieberig, weg (bijw.); ik tippel vejieberig, ik loop weg
verkasjemeine, gebiedende wijs: ‘ga weg’
verkienen, verkopen

Op een totaal van 226 woorden tellen we er 97 van Joodse oorsprong, d.i. ± 43%.

Dit percentage is alweer hoger dan dat van één van de andere groepen. De soort van de ontleende woorden verschilt niet zoveel van die welke we tot nog toe in de oostelijke groep constateerden. Er zijn echter veel nieuwe bij die we alleen in De Boeventaal, waarvan Amsterdam het centrum is, vonden.

Een centrum van Joden, zoals Zuidoost-Groningen ongetwijfeld is,278 verhoogt sterk het aantal Joodse woorden in de geheimtaal. De hier onderzochte persoon heeft z'n materiaal opgevangen in cafés, op markten, in Joods gezelschap; zeker door direct contact met Joden. Zijn woordmateriaal nadert het meest tot het jargon van Twente; de vaktermen voor de handel ontbreken echter. Het is voornamelijk van groep d viia uit, dat het Bargoens van de zwervers beïnvloed wordt.

D VIIB

De tweede persoon uit Winschoten die me woordmateriaal verschafte, was een dame van zeer goede stand, die in de winkel van haar ouders hielp. Daar kwamen veel zwervers uit Muntendam, kleine handelaren die er hun inkopen deden.

[p. 220]

Zij zelf, van Joodse familie, gebruikte nog veel Joodse woorden, zoals dat heel vaak gewoonte is bij Israëlieten van wie de ouders nog Jiddisch spraken.

We krijgen nu een lijst die geen beeld geeft van de invloed van het Joods op het Bargoens; eerder heeft hier het omgekeerde plaatsgehad: het Bargoens dat in de winkel opgevangen werd, drong in de oorspronkelijk Joodse winkeltaal, die nu het karakter kreeg van Bargoens met heel veel Joodse woorden.

Het woordmateriaal is wel interessant om eens een beeld te krijgen van de taal van de personen waarmee de onderzochte van d viia in aanraking kwam.

Ik laat het genoteerde in z'n geheel volgen. De woorden die niet van Joodse oorsprong zijn, worden met* getekend; de Groningse met †.

aukeltje, bochel
bajis, gevangenis, huis
begesje: in -, samen handelen
bewaunes, verschrikkelijk, vreselijk. Pol. en Voorz.: ba'awaunaus ‘door (onze) zonden; helaas’. (In geen andere lijst genoteerd.)
bezolletje, koopje
bobeltje, oude voorraad uit de winkel: geef hem merk bobel. (In geen andere lijst.)
bocher, man, een flinke kerel. Pol. en Voorz.: bogur ‘jongeling, ongehuwde man, student, kwekeling van een seminarium tot opleiding van godsdienstonderwijzers en rabbijnen’. (Alleen hier.)
boser, vlees
*bout, feces
brooche, winst, geluk
eiǵel, kalf (ǵ stemhebbende gutturale explosief als bij Pol. en Voorz.) Pol. en Voorz.: 'eiǵèl ‘kalf’. (In geen Bargoenslijst genoteerd.)
fenêtre, ogen
fiege, een, niets. Pol. en Voorz.: nephigo. d viia leviege.
flammen, stinken
*flenske, melk
gajes: om - brengen, doodmaken
ganneke maken, brandstichten. Pol. en Voorz.: ganukoh, ‘inwijding, inwijdingsdagen, “het Feest der lichtjes”, beginnende 25 Kislew:279 ter herinnering aan de overwinning door de Makabeeën bevochten, en de Tempelreiniging, die daarvan het gevolg was.’
Gedurende de dagen van het ganukohfeest worden in Joodse families lichtjes ontstoken die geplaatst zijn in de ganukoh-wijzer: de eerste avond van het feest één (het rechter); de tweede avond twee (de beide rechtse); de derde avond drie (de drie aan de rechterkant, terwijl van links begonnen wordt met aansteken), enz.; de achtste avond worden alle pitten ontstoken. ‘Een negende los bovenaan aangebracht bakje doet als aansteker dienst’ (zie Pol. en Voorz. onder ganukoh).
De betekenisovergang ‘brandstichten’ is goed te begrijpen. Het woord ganneke maken is in geen lijst genoteerd.
gatje bangelo, turf. (Zie hoofdstuk v, de woordenlijst.)
gèrie, doof. Pol. en Voorz.: geireish ‘doof, dove, doofstom, doofstomme’. (Nergens genoteerd.)
*goerrie, stuiver; alleen hier gevonden
goj, christen
heitje, kwartje
*hondje, dubbeltje
jatmoos, handgeld
Jid, Jood
[p. 221]
jidders, uiers. Dit woord is Gronings; K. ter Laan:280Jidder (Stad, Old[ambt] en soms op Ww. [Wester-wolde]) = 1e uier en vooral 't gekookte vleesch van de uier. 't Gewone woord op Ww. is gidder.’ Dit dialectwoord werd me door twee van elkaar onafhankelijke personen als Bargoens opgegeven.
keilef, hond
kinjen, kopen
kloef, dikte; er zit kloef aan die mokkel, die meid is dik. K. ter Laan:281Der zit n̥ bult kloef aan = lett.: daar is heel wat aan te kluiven, daar zit veel vlees aan.’
kloft, nare vent; verrotte kloft (zie klove)
klove, beroerling, lamme vent. Pol. en Voorz.: kloowem (kelowim), mv. van kélèw ‘gemene lui, lastige concurrenten’. (Nergens genoteerd.)
kokkert, neus. K. ter Laan (t.a.p.): ‘kokkerd = een dikke, een grote. Uit het Hollands. Hai het n̥ kokkerd van n neus.’
kotentje, kind
kratser, gierigaard. Wsch. gevormd van krats ‘cent, kleinigheid’ (Hebr. kerets ‘een stukje’). Vgl. ‘Louter Lekoris’ s.v. krats. (Het artikel van K. ter Laan - t.a.p. - onderscheidt niet krats ‘schurft’, en krats ‘kleinigheid, cent’). (Het woord kratser is nergens genoteerd.)
krets: je kunt de - krijgen, verwensing
lau, niets
*lousie, ei
macholle, ziek
*mafspies, slaapstee
makke, gebrek; die koe heeft een makke
mamser, beroerling. Pol. en Voorz.: mamzeir ‘bastaard, kind uit een verboden verbintenis’. (Nergens genoteerd.) Vgl. du mamser, in b i (Duisburger Vocabular).
*mangen, bedelen
mitte, bed
moeheren, mingere. (Zie hoofdstuk v, woordenlijst. Dit Zigeunerwoord alleen hier.)
*mokkel, meisje
mom, gebrek (zie makke). Pol. en Voorz.: mum ‘lichaamsgebrek’. (Alleen hier.)
*murf, mond
nekeive, vrouw, zonder ongunstige bijbetekenis
pattern is geld weerd, verkoop maar; weg is weg; de patroon zegt het in de winkel tegen een bediende als hij vindt dat die een oud stuk maar moet verkopen, al is het dan ook tegen mindere prijs dan de gevraagde. Jiddische uitdrukking. Pol. en Voorz.: patteren ‘vrij laten, zich iemand van de hals schuiven; men vergelijke potor; - is geld werth.’ (Hier alleen.)
pattersche schore, slechte waar (zie pattern)
pei, mond
peiger, dood
peizeltje, mooi meisje. Niet bij K. ter Laan l.c.; nergens genoteerd.
petètertjes, aardappels. K. ter Laan, l.c.: ‘petatter = 1e schertsend: een aardappel.’
*pierementje, orgel
*pieren, dansen
plaanke, deur. K. ter Laan l.c.: plaanke ‘plank’.
pleite gaan, weglopen
*poerie, vrouw. K. ter Laan l.c.: ‘poerie (Winschoter Bargoens) is 1e een oude vrouw; 2e minachtende naam voor moeder.’ (In geen andere lijst genoteerd.)
poojen, eten. (De gewone bet. van poojen is drinken.)
poshet, cent
[p. 222]
*puut, grote borrel. K. ter Laan, l.c.: puut (Bargoens) ‘een borrel’. (Nergens genoteerd.)
rat, rijksdaalder
*reks, in de uitdrukking ik heb geen poshet meer in 't-, ik heb niets meer
*rolmantje, woonwagen
scheffen in bajis, gevangenzitten
scheveel, een vrouwspersoon; een oud scheveel (minachtend). K. ter Laan l.c.: ‘Schevel (H[ogeland] en W[ester-kwartier] = 1e een groot, sterk, fors vrouwspersoon; 2e een vrouw, die er durft te zijn; 3e een die al heel wat op haar kerfstok heeft.’ (Dit woord werd me door d vii ook als Bargoens opgegeven: scheweel ‘gezicht’.)
*schoftie, houd je stil
schore, waar, koopwaar
seichel, verstand. (Alleen in De Boeventaal.)
sereife maken, brandstichten
serrore, heer
sjauve, waard; dat is me geen poshet sjauve, dat is me niets waard. Ik vermoed dat dit woord het tweede lid is van arresjouwe, magsjouwe uit ‘Losche Nekôdesch’ en ‘Louter Lekoris’. Avé-Lallemant iv 373: Choschaw ‘er hat gedacht, ersonnen, hochgeachtet’. Pol. en Voorz.: goschuw ‘geacht, aanzienlijk’.
sjeichers, man
sjikker, dronken
*smeichelen, lachen
sos, paard
sod, geheim; in 't sod vertellen. Pol. en Voorz.: saud ‘geheim, diepzinnige bet’. (Nergens genoteerd.)
*spannen, kijken, zien
tes mem, lichtekooi
tinnef, slechte waar
tippelen, lopen. K. ter Laan, l.c.: tippeln̥ ‘tippelen’. (Hij beschouwt tippelen als algemeen beschaafd.)
*tjoeren, stelen. (Zie hoofdstuk v, ‘Overzicht van de Zigeunerwoorden’.)
*treders, schoenen
verdabberen, vertellen
*Witte Willem, boterham
*zwartje, koffie

De hele lijst bevat 87 woorden. Hiervan zijn er 21 Bargoens, terwijl er zeven tot het dialect van Groningen behoren.

De Joodse woorden zijn voor een groot deel dezelfde als die we in het Bargoens optekenden. Dit was wel te verwachten. Toch zijn er enkele bij: ganneke maken, patteren, klove (meervoudsvorm), mamzer, die zeker tot een familietaal horen. Ik heb ze nog nergens elders gehoord.

Het percentage van de Joodse woorden is 68.

In de lijst aan het slot van dit hoofdstuk zijn deze Joodse woorden niet opgenomen, omdat ze alle bewijskracht missen voor de invloed van Joods op Bargoens.

Voor de Joodse invloed in de noordoostelijke groep komen we tot de volgende conclusies:

1Historisch is over de invloed van het Joods op de geheimtalen van de noordoostelijke groep (D) niets te zeggen, omdat ons slechts contemporain materiaal (genoteerd van 1920-1931) ten dienste staat.
De uitlatingen van enkele onderzochte personen wijzen wel op een toename van Joodse woorden.
[p. 223]
2De volgende percentages Joodse woorden komen voor:
d i Nijmegen: aantal genoteerde woorden 242; Joods 34%.
d ii Haaksbergen: aantal genoteerde woorden 231; Joods 29%.
d iii Lochem: aantal genoteerde woorden 126; Joods 33%.
d iv Goor: aantal genoteerde woorden 118; Joods 32%.
d v Oldenzaal: aantal genoteerde woorden 134; Joods 39%.
d vi Wijhe: aantal genoteerde woorden 81; Joods 23%.
d vii Groningen-Winschoten: aantal genoteerde woorden 226; Joods 43%.
3De lijsten geven alle Bargoens; dieventaal komt er niet in voor.
4De zwervers hebben hun Joodse woorden niet alleen door directe aanraking met Joden. Heel wat Joods is ontleend aan het jargon van de christenkooplui. In het oosten van ons land wordt door een bepaalde categorie mensen, helemaal niet tot de minste stand horend, heel sterk ‘gemauschelt’. In de inleiding van m'n studie ‘Louter Lekoris’ merkte ik dit al op:
In Zutfen, een gesprek van, m.i. handelsreizigers, beluisterend, teekende ik op: jatten, schlemiel, gein, verjieberig, malochenen, mesjogge, sjikker. In Goor, in één gewoon gesprek (van Christenen) noteerde ik: lau-lone, schauter, sjalf, schlemiel, peiger, sjikker, sjasken, sjaskebreur, sjaskepeter, achielen, toffe achiel, jofel, mies, mieze hond, miesponem, mesjogge, besjolmen, heitje, joed, zoof, vejieberig, zabbelen, temeie, goamelsjikse, toffe sjikse, zeibel, bezeibelen.
5Dat er echter verband bestaat tussen het aantal in een streek wonende Joden en de in de geheimtalen voorkomende woorden, bewijst dit onderzoek weer opnieuw.

275Zie Moormann, Louter Lekoris i.v. Baisrolf [jargon van de paardenhandelaars, bron 48].

276De Komeet: Opgericht door Bestuurderen der Nederlandsche Vereeniging van Kermisvakgenooten. Winschoten. (In 1924 de 24ste jaarg.)

277Zie volgende lijst.
278Groningen (stad): 2700 Joden, 1354 mannen, 1346 vrouwen; Winschoten: 644 Joden, 324 mannen, 310 vrouwen.

27925 december.
280K. ter Laan, Gron. Wdb.
281K. ter Laan, Gron. Wdb.
prepostterug  begin  verder