terug  begin  verderprepost

Conclusies

1Er is een kern van Zigeunerwoorden die in bijna alle plaatsen voorkomt: bink, gies, joekel, kachlientje, mangen, maro, mollen, sankse, trederikken. Deze woorden zijn dus al heel vroeg ontleend en dagtekenen uit de eerste periode van het Zigeunerverblijf hier te lande, dus uit ± 1500.
De meest gehoorde woorden moeten in de taal van de Nederlandse zwervers zijn
[p. 288]
overgegaan. Dat past voor deze woorden vrij wel: mangen en maro zijn wel de meest gebruikte woorden; joekel, de vreesaanjagende hond; mollen, het doodmaken; bink en gies, aanspreekvormen, zijn al even veelvuldig; opmerkelijk is sankse ‘kerk’. Maar we weten dat de eerste Zigeuners nogal vroom deden. Deze enkele woorden geven ons al een diepe kijk in het armelijke leven van de zwervers.
2Buiten die vaste woorden komen in de zuidelijke geheimtaalgroepen, en dan vooral de Belgische, weinig of geen Zigeunerwoorden voor. Eerst Schijndel en Weert geven nieuw materiaal.
3In de noordelijke groepen geven de geheimtalen van de Achterhoek en Overijssel het belangrijkste Zigeunermateriaal. Het aantal Zigeunerwoorden in een geheimtaal verschilt van groep tot groep.
4Het zijn Zigeuners die de nieuwe Zigeunertaalelementen in enkele van de onder 3 genoemde groepen brachten, bijvoorbeeld Haaksbergen. Van zo'n groep uit worden de woorden weer onder andere zwervers verspreid.
5In de grote steden treffen we, behalve de onder 1 genoemde woorden, bijna geen Zigeuners aan. We hebben hier te doen met speciale ‘dieventaal’.
6In het Zigeunertaalmateriaal weerspiegelt zich de gedachtesfeer, de zorg en de nood van de zwervers; hun hele sociale leven: eten, drinken, vee, gevogelte, politie, huishoudelijke zaken, levert de begrippen waarvoor woorden bestaan.
7Het belangrijkste historische materiaal vonden we in de lijst van 1769 (c iii). Ook dit is, evenals ons eigen woordmateriaal, uit de mond van niet-Zigeuners opgetekend.
8Het opsporen van vreemdetaalelementen in de geheimtalen levert eigenaardige moeilijkheden op. Door speciale procédés van betekenisverandering, door klank- en begripsassociatie, door verhoringen ontstaan zulke afwijkingen dat het grondwoord dikwijls onherkenbaar is. Het is met het oog hierop absoluut noodzakelijk veel te verzamelen, in veel verschillende streken en al het materiaal gescheiden te houden. Verzamellijsten als van Verwoert (c viii) leren ons niets omtrent de geheimtalen.

Overzicht van de Zigeunerwoorden in de geheimtalen

De transcriptie van de Zigeunerwoorden berust op Von Sowa, Ješina of Popp Serboianu.350

Ago, boer. Zig. Gagio. Nijmegen. Zie galo en kokalloos.
Agorin, boerin. Nijmegen.
Akowelo pesco. Hilversum. Zig. ano kova pehtscha ‘ich lege Pech in dieses’ (twijfelachtig).
Baffen, openen, in baffen de val. Lijst 1769. Ješina pchrav duvar ‘openen deur’; vgl. val.
Bakkeroo, schaap. Haaksbergen. Zig. bachró, mv. bachré ‘ram, schaap’.
Bakkeroo, bakker. Wijhe, is bakker + Zig. -ero tot vorming van nomina agentis.
Baloo, varken. Haaksbergen, Wijhe. Zig. baló ‘varken’.
Bare, grote. Haaksbergen ook baden. Zig. baró ‘groot’.
Baskroo, onderschout; zie moscherem.
Berremientje, bed. Winschoten b. Zig. pernica, bernizza ‘bed’.
[p. 289]
Betsje, eend. Haaksbergen. Vgl. waterreits in Wijhe. Zig. réce, recka.
Bink, man, persoon, enz. Zele, Roeselare (being), Antwerpen, West-België (bijn); St.-Truiden, Maastricht, Breyell; Nijmegen, Haaksbergen (aanspreekvorm), Lochem, Goor; Cartouche (1731), lijst 1769, Verwoert, De Boeventaal. Is algemeen verspreid. Zig. béng, mv. bengá ‘duivel’.
Blij, spion. Lijst 1769. Zig. beléa ‘gevaar, slechte zaak’.
Boezjiek, bos. Haaksbergen; vgl. bosschik.
Bok, honger. Haaksbergen. Zig. boch ‘honger’.
Bosschik, bos. Lijst 1769. Zig. búcimo ‘donker, nevelachtig’, of Zig. vesj, wesch ‘woud’.
Calopani, koffie. Lijst 1769. Zig. chaló ‘zwart’; pani ‘water’.
Catelerke, kasteel. Lijst 1769. Zig. chatúna ‘tent, tabernakel’?
Chaf, melk. Roeselare. Zig. pisjav ‘melken’; vgl. saf en taf.
Chanke, kerk. Zele, Roeselare, Schijndel (sjank), Maastricht, Nijmegen, Haaksbergen (sjanken), Lochem, Goor, Wijhe, lijst 1769 (sakken). Zig. kangheri ‘kerk’.
Charo, degen. Lijst 1769. Zig. châro, chadum, goro ‘degen’.
Coddele, molen. Lijst 1769. Zig. chatli ‘molenwiek, haspel’.
Daet, een, vader. Lijst 1769. Weert: tata. Zig. dád, mv. dadá ‘vader’.
Dey, moeder. Lijst 1769. Zig. dái, mv. daiá ‘moeder’.
Docken, geven. Niet in de lijsten opgenomen. Zig. dau ‘geven’? Komt voor in lijst 1769, Maastricht en de noordelijke groepen.
Don, rug. Lijst 1769. Zig. dumó ‘schouder, rug’. Zie douw.
Douw, rug. Lijst 1769. Zie don.
Drom, weg. Haaksbergen. Lijst 1769: triem (zie daar). Zig. ó drom ‘de weg’.
Gaff, de wacht. Lijst 1769. Zig. (Ješina): xan gévav ‘waken’.
Gajie, boerin. Lijst 1769. Zig. gagi, en gaji ‘boerin’. Zie ago en gees, gies.
Galo, boer. Weert. Zie ago en kokalloos.
Garkepin, koper. Zig. jarskom ‘koper’. Ješina: charkom ‘koper’; charkúno ‘koperen’. Zie kakkerlak. (Cartouche 1731.)
Gatje bangelo, turf. Winschoten. Zie gatjesveesken. Zig. iág ‘vuur’ + bangelo (bnw. van beng ‘duivel’), dus ‘vuur des duivels’ of chacermaskəro ‘bestemd tot branden’?
Gatjesveesken, fornuis. Haaksbergen. Zig. chacermaskəro ‘zum Brennen bestimmt’. Zie jaakveesken en gatje bangelo.
Gees, gies, vrouwspersoon. Zig. gaji ‘boerin’. Zele (geeze, gieze), Roeselare (geeze), Antwerpen (gieseke), Schijndel (giese), St.-Truiden (gieze), Maastricht (gieseke), Weert (geeze). Lijst 1769, De Boeventaal (gies).
Gemol, spek. Zie molle.
Gennef, winkel. Haaksbergen. Von Sowa: bikǐnâva ‘handel’. Ješina: kinav ‘kopen’. (Ginniske bij Verwoert is wel anders te verklaren.)
Germanen, Zigeuners. Winschoten. Zie Manesen.
Gers: om het-gebracht, doodsteken. Lijst 1769. Zig. ghes, mv. ghesá ‘dag, daglicht’.
Gief, rogge, haver; ‘zaad’ in het algemeen. Haaksbergen. Zig. diu ‘zaad, vrucht’ (ook ghíu), mv. ghivá ‘zaad, bewerkte akkers’.
Gies, zie gees.
Glonzel, fles, glas. Haaksbergen. Von Sowa: glendêri, glendalo ‘Spiegel’; Ješina: caklo ‘glazen’; caklúno ‘glas, vaatwerk’.
[p. 290]
Gokken, liegen. Haaksbergen. Von Sowa: chochəno e.a. ‘gelogen, bedriegen’.
Goone, zak. Zig. gonó, mv. goné ‘zak’.
Gorgel, hals. Haaksbergen, Schijndel. Zig: chór ‘keel’. Von Sowa: gerrlo, kurlo ‘keel, hals’.
Jaakveesken, lucifer. Haaksbergen. Zie gatjesveesken en gatje bangelo. Zig. iág ‘vuur’ + vésch ‘hout’, of chačermaskəro. (Zig. iagaló ‘lucifer’.)
Jekke, jas. Haaksbergen. Ješina: bajengri ‘jas’.
Joekel, joekert, tjoekel, hond. Roeselare (jokker of tjoeker), Antwerpen, West-België (joe-chert), St.-Truiden (sjoeker), Weert, Nijmegen, Haaksbergen, Goor, Wijhe, Oldenzaal, Winschoten b, De Boeventaal (tjoekel), Hilversum. Zig. giuchél ‘hond’.
Joekeltje, dubbeltje. Wijhe. Homoniemvorming: ‘dubbeltje’ is ‘hondje’ is joekeltje.
Jöin, luizen. Winschoten, Haaksbergen. Zig. giú, mv. giuá ‘vlo’ (bij Grelman ook ‘luis’). Zie joun.
Jokker, hond. Zie joekel.
Joun, luizen. Haaksbergen, Winschoten. Zie jöïn.
Kachelientje, kakelientje, kakelinnen, kip, kippen. Schijndel (kakelinnen), Weert (kakeling), Nijmegen, Haaksbergen, Goor (kachelijntjes), Oldenzaal, Wijhe, Winschoten, lijst 1769 (kakkerlak), Hilversum. Zig. chaini, mv. chaineá ‘kip’.
Kakelinnen, kippen. Schijndel. Zie kachelientje.
Kakkerlak, hoen. Lijst 1769. Zie kachelientje.
Kakkerlak, koper. Cartouche 1731. Zie garkepin.
Kalloone, gek. Haaksbergen. Zig. chalicíticho ‘gek’.
Karrejuks, karnemelk. Haaksbergen, Schijndel (karriot). Zig. kerdo thud, karnemelk.351
Karriot, karnemelk. Schijndel. Zie karrejuks.
Katsjemme, luimkeet, penne, slaapstee. Zig. gertschemiha; De Boeventaal.
Kheer, huis. Lijst 1769. Zig. chér ‘huis’.
Kiel, boter. Lijst 1769. Zig. chil, khil ‘boter’.
Kiral, kaas. Lijst 1769. Zig. chirál ‘kaas’. Zie kievel.
Kievel, kaas. Lijst 1769. Zie kiral.
Kisler, beurzensnijder. Lijst 1769. Zig. chisi ‘beurs, zak’. Mogelijk is hier afl. van Rabbijns: kîzs ‘geldbuidel’.
Klimbosch, bedelvoogd of dienaar. Lijst 1769. Zig. kliderpaskəro, gliterpaskəro ‘iemand die je opsluit’; klidərpen ‘boei’.
Knakkert, knakert, hout. Haaksbergen. Zig. chreácha ‘tak, twijg’.
Knaspels, stokken. Lijst 1769. Zig. kasjt ‘stok’ (?).
Koetel, kookpot. Schijndel. Ješina: kući ‘pot’.
Kokalloos, boer. Lijst 1769. Zig. ó galo ‘boer’. Zie galo, ago.
Kolospeezer, kleermaker. Haaksbergen. Zig. koro, kôlo e.a. ‘jas, kleed’.
Koro, bierkan. Lijst 1769. Zig. chór, mv. chóra ‘hals van een fles’. Ješina: koro ‘kan’.
Kotter, boterham. Schijndel, West-België (kotterik), Weert (kottering), Nijmegen, Oldenzaal, Wijhe, Winschoten b. Zig. chotór ‘stuk’; chotór manro ‘stuk brood’.
Lap, drost. Lijst 1769. Von Sowa: laveskəro, lawiskro ‘Sprecher, Vorsteher’.
Lovie, geld. Weert, Nijmegen. Zig. loó, mv. lové ‘geld’.
Malliu, lood. Lijst 1769. Zig. molĕvo, mollîwo, molîwo ‘lood’. Ješina: molivo ‘idem’.
[p. 291]
Manesen, Zigeuners. Weert (bnw. manesch). Winschoten (Germanen). Zig. ó manúsh ‘de man’.
Mangen, vragen. Roeselare (manken), West-België, Haaksbergen, Goor, Oldenzaal, Wijhe, Groningen, De Boeventaal. Zig. mangáu, imperatief máng ‘vragen’.
Maro, brood, boterham. Weert, Nijmegen, Haaksbergen, Goor, Oldenzaal, lijst 1769, Hilversum. Zig. manrô ‘brood’.
Marospeezer, bakker. Haaksbergen. Vgl. kolospeezer.
Mas, vlees. Haaksbergen. Zig. más ‘vlees’.
Mats, vis. Haaksbergen. Zig. mació ‘vis’.
Matzen, mingere. Haaksbergen. In verband met Zig. mató ‘drinker’, of mats ‘vis’.
Moels gekeerd, hij is vermoord. Lijst 1769. Zie mollen.
Moeteren, mingere. Winschoten. Zig. mutərvâva ‘wateren’. Grelman: muterawa ‘pissen, wateren’.
Mollen, doodmaken. Zele, Roeselare, West-België, Kempen, St.-Truiden, Maastricht, Groenstraat, Breyell, Nijmegen, Haaksbergen, lijst 1769, Hilversum. Zig. muló (bnw.) ‘dood’.
Molle, spek. Haaksbergen, Oldenzaal (gemol), Wijhe (gemol). Zig. bahlewas, balevas ‘spek’ (zie gemol).
Mool, wijn. Lijst 1769. Zig. mól ‘wijn’.
Moscherem, verklikker. Haaksbergen, Cartouche 1731 (baskroo ‘onderschout’), lijst 1769 (moskero ‘schout’). Zig. moskəro ‘grootspreker, schout’.
Moskero, schout. Zie moscherem en baskroo.
Murf, mond. In alle plaatsen. Niet in de lijsten verwerkt, omdat de afl. me te onwaarschijnlijk voorkomt. Zig. mui ‘mond’ (?).
Obij, duivel. Lijst 1769. Zig. ó beinck ‘de duivel’?
Pal, haar. Schijndel. Zig. bal ‘haar’.
Pavel, appel. Nijmegen, Hilversum. Zig. (Kluge xxv): paba ‘appels’; Grelman: pahuj ‘appel’.
Peupelen, koken. Haaksbergen. Zig. phabáu, passief ‘phabilém ‘branden, in brand steken, warmte hebben’.
Pheen, zuster. Lijst 1769. Zig. phén ‘zuster’.
Phraal, broer. Lijst 1769. Zig. phrái, mv. phrál ‘broer’.
Pieckes, voeten. Lijst 1769. Zig. pîrgənes ‘barrevoets’; phiro ‘voeten’.
Piotes, luizen. Cartouche 1731: pieoot ‘luis’. Wijhe. Zig. pisom, pusjum ‘vlo’.
Poesch, stro. Haaksbergen. Zig. phus ‘stro, halm’, vgl. roesch.
Pooi, rivier. Henese Fleck, Groenstraat (‘dorst’), Maastricht (pooien ‘drinken’). Zig. ó phái ‘de rivier’.
Prengero, marechaussee. Weert. Von Sowa: pireskəro, ook pirengĕro (met?), ‘Gerichtsdiener’.
Rani, juffrouw. Lijst 1769. Zig. Rani ‘prinses, aristocrate’.
Ratjes, marechaussee. Sittard, Nijmegen, Wijhe, Hilversum. Zig. rái ‘edele, waardigheidsbekleder’.
Rejago, beul. Lijst 1769. Samenstelling van rey ‘heer’ + iago ‘vuur’, dus ‘man die het brandmerk geeft’? Of hetzelfde woord als reynjaken? Zie reynjaken.
Reya, heer. Lijst 1769. Zig. rái ‘edele’.
[p. 292]
Reynjaken, bedelvoogd of dienaar. Lijst 1769. Zig. raïchano (bnw.) ‘heerachtig, aristocratisch’. Zie rejago.
Roep, zilver. Lijst 1769. Zig. rúp ‘zilver’.
Roes, stro. Weert, Wijhe. Contaminatie van roeschert en poesch. Zie poesch.
Saf, melk. Zie chaf en taf.
Sasser, ijzer. Lijst 1769. Zig. saster, zaster ‘ijzer’.
Schacht, kool, zuurkool. Haaksbergen. Zig. sháh, sjach ‘kool, groente’.
Schel, moordpriem. Lijst 1769. ‘Waldheimer Lexicon’ (Kluge, p. 188): zschei ‘dolk’.
Schiebin, bed. Lijst 1769. Zig. cîben ‘bed’.
Schoeren, stelen. Zie tioren.
Schoerie, mes. Cartouche 1731 (schuyer ‘mes’; schuyeren ‘snijden’). Lijst 1769. Zig. schuri ‘mes’.
Schuyer, mes. Zie schoerie.
Sjank, kerk. Zie chanke.
Sjanken, trouwen; van sjank ‘kerk’. Zie sjank.
Sjoeker, hond. Zie joekel.
Slagen inten, pijnigen. Lijst 1769. Von Sowa: silâwa ‘notzüchtigen, zwingen, besiegen’.
Sonnekey, goud. Lijst 1769. Ješina: somnakaj; Von Sowa: sonəkai ‘goud’.
Spielepin, steek. Lijst 1769. Zig. sjpilava ‘steek’.
Staaje, lopen; instayen, inspringen. Lijst 1769. Von Sowa: sjtava e.a., stejom, stan ‘springen, huppelen, ontwijken, staan’.
Stammerie, stoel. Haaksbergen. Zig. schamin, sjtamin ‘tafel, stoel, bank’.
Steernikkel, kat. Haaksbergen, Wijhe. Zig. stirna, sterna ‘kater, kat’ (?). Zie sterling.
Steggering, een degen. Lijst 1769. Van Duits Zig. sjtachəlengero ‘egel’. Zie bakkeroo.
Sterling, kat. Lijst 1769. Zie steernikkel.
Stibbelens, stal. Lijst 1769. Zig. sjtilĕpen, sjtilibin ‘kerker, gevangenis, gevangenschap’.
Stielie bajes, gevangenis. Haaksbergen. Zig. sjtilepen (zie stibbelens).
Straay om vooij, loop weg. Zie staaje.
Taf, melk. Zie chaf.
Tata, vader. Weert. Zig. dad, mv. dada ‘vader’.
Tiaro, bord. Lijst 1769. Zig. cearó, ciaró ‘bord’.
Tjoeker, hond. Zie joekel.
Tioren, stelen. Lijst 1769. Weert (schoeren), Winschoten (tjoeren). Zig. cioráu ‘stelen’.
Tjoeren, stelen. Zie tioren.
Treders, treiers, triejers, schoenen. Schijndel, Kempen (treden), Nijmegen (trederikken), Haaksbergen, Goor (trippen), Wijhe (trederiks), Winschoten (a, b), Lijst 1769 (trieyers), De Boeventaal. Zig. cirach en tirach (‘Waldheimer Lexicon’ in Kluge l.c.), schoenen.
Trieijers, schoenen. Zie treders.
Triem, een weg. Lijst 1769. Zie drom.
, neen. Lijst 1769. Zig. ‘neen’.
Val, de, de deur. Lijst 1769. Schijndel (veel), Nijmegen. Zig. duvar ‘deur’. Zie baffen de val.
[p. 293]
Vattelink, goed. Haaksbergen: mietevattelink ‘beddengoed’. Zig. plachta ‘doek, beddengoed’. Zie vlok.
Vlok, in bultvlok, beddenlaken. Zie plachta.
Verblassen, wurgen. Lijst 1769. Zig. bladâva ‘ophangen’.
Waterreitsje, eend. Wijhe. Zie betske.

De volgende lijst geeft de Zigeunerwoorden met de daarvan afgeleide geheimtaal-woorden. Ik rangschik de woorden volgens het letterteken alfabetisch; ch staat dus vóór ci. De c en č zijn onder de c gezet en hun plaats wordt bepaald door de volgende letter; c = k staat bij de c. Deze methode is me bij het nazoeken het gemakkelijkste gebleken. Als men de bovenstaande lijst nagaat, vindt men wáár de Zigeuner-woorden genoteerd zijn en welke de betekenis is.

Zigeuners Geheimtaal Zigeuners Geheimtaal
chisí kisse
bachró bakkeroo chochəno gokken
bahlewas molle, gemol chor koro
bajengri jekke chotor kotter
bal pal chreácha knakkert
baló baloo ciaro tiaro
baró bare, baden čiben schiebin
beléa blij cioráu tjoeren, schoeren,
béng bink, obij, gatje   tioren
  bangelo ciuri schoerie, schuyer
bikinâva gennef    
bikĭnĕpaskəro bietsert dadá tata, daet
bladâwa verblassen dau docken
boch bok déi dey
búcimo boezjiek, bosschik drom drom, triem
    dumó don, douw
chačermaskəro gatjesveesken, gatje bangelo duvar de val
chaini kachelientje, kakelinnen e.a. -ero (uitgang), bakkeroo
chalicíticho kalloone gagio ago, galo, kokalloos
chaló calopani gaji gees, gies, gajie
changhereá chanke, sjank, sjanken gerrlo gorgel
charkúno garkepin, kakkerlak ghes gers
charo charo ghíu, ghiva gief
chatli coddele giú joun, jöin
chatuna catelerke giuchél joekel e.a.
chér kheer glendêri, glendalo glonzel
chil kiel gonó goone
chiral kiral, kievel    

[p. 294]

Zigeuners Geheimtaal Zigeuners Geheimtaal
iág jaakveesken phiro, pîro pieckes
    phrái, mv. phrál phraal
kartsjŏmă katsjemme pīrengĕro prengero
kašt knaspels pišav chaf, saf, taf
kerdo thud karrejuks, karriot pišom piotes
kliderpaskəro klimbosch plachta vattelink, vlok
koro, kôlo kolospeezer pos, phus poesch
kuči koetel    
    raïchano reynjaken
laveskəro, lap rái ratjes
loó, lové lovie rái reya (reynjaken)
    rani rani
mació mats recka, réce betsje, waterreits
mangáu mangen rúp roep
manrô moro, maro    
manúsh(ó) Manesen (Germanen) saster, sástri sasser
más mas silâva slayen
mató matzen sjach, scháh schacht
mól mool sjpilava spielepin
molĕvo, molliwo malliu sjtachəlengero steggerig
moskəro moskero, moscherem sjtamin, schamin stammerie
mui murf sjtava e.a. staaje, straaij
muló molle, mollen, moels sjtilepən, stilibin stibbelens, stielie bajes
mutərvâva moeteren sjtirna steernickel, sterling
    sonəkai sonnekey
paba, pahuj pavel    
pani calopani tirach trieijers, treders e.a.
pchrav baffen (deval)    
pernica, bernizza berremientje veš jaakveesken, bosschik
phabáu, passief peupelen    
phabilem   xan gévav gaff
phái (ó) pooi, pooien    
phén pheen zschei schel

In totaal dus 104 Zigeunerwoorden, beantwoordend aan ± 125 woorden in de geheimtalen. Deze getallen geven dus wel een heel andere kijk op de Zigeunerinvloed in onze geheimtalen dan de 13 woorden die prof. De Goeje in het Album Kern bijeenbracht.

In de woordenlijst heb ik tweemaal, bij katsjemme en karrejuks, de Nederlandse Zigeunertaal genoemd. Ik bezit hierover rijk materiaal, dat ik noteerde nadat dit hoofdstuk geschreven was. Ik hoop t.z.t. hierover een aparte studie te schrijven, aangezien dit Zigeuners geen geheimtaal is en dus buiten het bestek van dit boek valt.

350Om technische redenen is een enkele letter bij Von Sowa vervangen door zijn fonetisch equivalent. C iii is aangegeven als lijst 1769 [bron 7].
351In het Nederlands-Zigeuners is ‘karnemelk’ sjudle thud; ‘gekookte melk’ is kherdo thud (eigen aantekeningen).
prepostterug  begin  verder