terug  begin  verderprepost

Bron 36. Bargoens van Nijmegen (1924) [D I]

De Geheimtalen i: hoofdstuk iv, d i; hoofdstuk v, d i.

 

In Nijmegen ondervroeg ik in 1924 enkele personen die tot dezelfde groep horen. Het woordmateriaal is wel gelokaliseerd in Nijmegen, voornamelijk in de buurt van Hees (Koninginnelaan). Wanneer G., een der ondervraagden, een woord kende dat de anderen niet wisten, geef ik dat aan.

achelen, eten (G. alleen)
ago, boer
agorin, boerin
attenoje, uitroep (G. alleen)
bajes, gevangenis
bajes van de borgemak, stadhuis (vgl. grandige kit)
bas, stuiver (G.: kimmel bas, drie stuiver)
bedissen, krijgen (G. alleen)
bij de kaffers bedis je bonzen of legem of een kotter
begietig, bang (G. alleen)
bei, twee (G.: beis)
bei zoof
beis bas, 10 cent (G.: beisje)
beisje, dubbeltje (G. alleen) (vgl. beis bas)
bekaan nemen, terugnemen (G. alleen)
ik heb die twee knaken bekaan genomen
bekattering, bekeuring (G. alleen)
benosselen, betalen (G. alleen) (vgl. bescholmen)
ik moet die bink nog benosselen
bescholmen, betalen
lovie of schriebes bescholmen
bezol, goedkoop (G. alleen)
bikken, eten
bikkennement, eten (G: bik; linke bik, slecht eten)
bink, vent, man (vgl. goozer)
bispraak, een bi-taal, soort lettertaal (vgl. tebie)
blauwe flep, ƒ10,-
boje, ruzie (G. alleen)
bonzen, aardappels
borgemak, burgemeester (ook de grannige)
boser, vlees (G. zei, dit is geen Bargoens)
botlak, honger (G. alleen) (vgl. doei)
botrel, vier (G. alleen; speciaal nagevraagd)
bout, agent (G. vond dit geen Bargoens) (vgl. smeris)
bouten, cacare
boutkit, wc
bozer, vlees
jofel bozer ‘goed vlees’; seragel bozer ‘slecht vlees’ (vgl. seragel)
buizen, drinken
bult, bed, beddengoed (vgl. bulten)
bulten, bevallen
[p. 519]
die gooi moet bulten ‘die vrouw moet bevallen’
canteren, zingen (G. alleen)
daaje, dobbelstenen
danskit, danshuis
deis je, houd je mond (G.), hou je kalm; ook ‘hou je gedekt’:
deis je goozer, daar heb je een linkmichel ‘hou je gedekt, daar is een beroerde vent’
doei, honger
ik heb doei; ik peiger van de doei
dof, kerk
we gaan naar de dof
dof hebben, slaap hebben
we hebben dof of luim, we gaan naar 't bult (zie luim hebben)
duimpje (duimpie), ƒ1,50 (G. alleen)
emmes, mooi
flens, melk
flep, papieren geld
flokkie, hemd (G. alleen)
foks, bril
foks, goud (G. alleen)
gabbertjes, jongens (G. alleen)
gammel, venerisch (G. alleen)
gasjene-mone, gebruikt als bnw. bij priemierik (zie aldaar); dan bet. het ‘dominee’ - of het in de algemene bet.
‘protestants’ gebruikt wordt, is me niet opgevallen (vgl. tofele-mone)
gasterik, spek (G. alleen) (vgl. gazzer en gemol)
gazzer, spek (vgl. gemol)
geklof, geldeed (G. alleen)
gele flep, ƒ25,- (ook gele rug)
gemol, spek (vgl. gazzer)
gesjankt, getrouwd (G. alleen)
gis, handig (G. alleen)
gisse goozer ‘handige vent’
gisof pruimtabak (G. alleen) (vgl. smerrie)
glibberd, kale kop (G. alleen)
glibbes, kale kop (zie glibberd)
glimmes, ruiten
de goozer spant deur de glimmes ‘de vent kijkt door de ruiten’
gokken (ww.), kaarten
gooi, vrouw
goozer, vent, kerel
grannige, burgemeester (G.: grandiger) (vgl. borgemak, grannige kit)
grannige kit, stadhuis (G. alleen)
grieksefokker, zwerver (vgl. martienfokker)
grieksen, luizen (vgl. kinneme)
grieksekam
groene flep, ƒ40,-
grom, kind (vgl. kotem)
hanske, cent (G. alleen) (vgl. schrabber)
hei, vijf (G. alleen) (vgl. heit)
heit, kwartje (ook heitje)
heitjespooier, souteneur (G. alleen) (vgl. piratenpooier)
herrekit, herberg; ook ‘herbergier’ (G. alleen) (vgl. herriespies)
herriespies, café
hippe, schoen (G. alleen)
hoendje, dubbeltje
jajim, jenever (G. alleen)
jan, jaar (G. alleen)
jat, hand
jatten, voeten (vgl. jat)
jatter, dief (vgl. schoepper)
jenkelen, smokkelen
jidde, Jood (vgl. kajim)
joed, tientje (G.: joed, tien)
joekel, hond
jofel, mooi
jofel gekluft ‘mooi gekleed’
joker, duur (G. alleen)
kachelienen, kippen
[p. 520]
kacheliensauger, kippenkoopman (vgl. kachelien en sauger)
kaffer, boer (G. alleen) (vgl. ago)
kajim, Jood
kalf, twintig (G. alleen)
kalletje, getrouwde vrouw (G. alleen) (vgl. niese en schikse)
kas, hout (vgl. rispel)
kasjemeine gaan, weggaan (G. alleen)
ik verschier hier lau; ik moet gaan kasjemeine
katsie, slager
keil, borrel (G. alleen)
keilen, drinken (G. alleen)
keilof, hond (G. alleen) (vgl. joekel)
kienen, kopen (G. alleen)
kimmel bas, 15 cent
kinnefkam, haarkam
kinneme, luizen (G.: kinnef) (vgl. grieksen)
kladderen, schrijven (G. alleen)
kladderik, papieren (G. alleen)
die goozer vraagt naar m'n kladderik
kleun, klap
stiek hem een kleun ‘geef hem een klap’ (vgl. stieken)
kleunen, steken, slaan
ik heb die bink mol gekleund
klof, kleren (G. alleen)
die bink tippelt jofel in de klof ‘die vent is goed gekleed’
kluf, kleding
jofel gekluft ‘fijn gekleed’; link gekluft ‘slecht gekleed’ (vgl. jofel en link)
knaak, rijksdaalder
kneisen, kennen (G. alleen)
knoksen, slaan, steken
knoks hem mol ‘sla hem dood’
koffer, bed (G. alleen)
ik luim in dat koffer
kortjan, hooi
kotem, kind, in de uitdrukking 't mokkel scheft met kotem ‘'t meisje is zwanger’ (G. alleen) (vgl. grom)
kotter, boterham (vgl. vim)
kout, mes (G.: koutje) (vgl. nijf)
krantje, halve mark
lammetje, ƒ1.50
lauzen, eieren
lechem, brood (vgl. maro)
lechembakker ‘bakker’; ik ga lechem bikken ‘ik ga brood eten’
lengering, worst
lik, gevangenis (G. alleen)
link, lelijk, slecht
link gekluft ‘slecht gekleed’; link porum ‘lelijke vent’
linkmichel, beroerde vent, verrader (vgl. link)
loenig, lelijk (G. alleen) (vgl. porum)
loenig porum ‘lelijke vent’
lousjes, eieren (G. alleen) (zie lauzen)
lovie, geld (vgl. schriebes)
luim hebben, slaap hebben (vgl. dof hebben)
luimkit, logement (G. alleen)
majem, water (vgl. plomp)
majemen, mingere; ook ‘regenen’
majembak ‘urinoir’
mangen, vragen
kotter mangen ‘boterham vragen’ (vgl. kotter)
mans tippeln, geld ophalen bij een orgel (G. alleen)
de mokkel tippelt mans bij 't pierement
maro, brood; wordt niet zo veel gebruikt (vgl. lechem)
martienfokker, zwerver (vgl. grieksefokker)
meier, ƒ100,-
melochemen, coïre (G. alleen)
memsis, borst van een vrouw
mesjokke, dom, gek (G. alleen)
meutje, stuiver (G. alleen)
mezomme, geld (G. alleen)
mies, lelijk
spant die gooie een mies ponum hebben ‘zie eens, wat een lelijk wijf’
[p. 521]
mies trederiks, sokken (vgl. mies en trederiks)
mofker, hoed of pet (G. alleen)
mokem, stad (G. alleen)
mokkel, meid (G. vond dit geen Bargoens meer)
mol, dood
knoks hem mol (vgl. kleunen)
mos, vrouw (G. alleen)
een gesjankte mos ‘een getrouwde vrouw’
muf, mond; ook het gehele aangezicht wordt zo genoemd; G. alleen: ‘gezicht’ in link murf of loene porum (vgl. porum)
neppen, bedriegen
niese, meisje (G. alleen) (vgl. sjikse en kalletje)
nikkeltje, halve groschen
nippel, neus
nörrie, jenever
nijf, mes (G. alleen)
okkeloen, bochel (vgl. winkelhaak)
oksie, horloge (vgl. tik en osniek)
olmse, de, de vader (G. alleen) (vgl. de tofele)
osniek, horloge (zie oksie)
paferik, pistool (G. alleen)
paferik, appel (G. alleen) (vgl.pavel)
pavel, appel
peezement, werk (G. alleen)
peezen, werken (G. alleen)
de kaffer pees jofel
peiger, dood (G. alleen)
die bink hebben ze peiger gestoken
piek, gulden (G. alleen)
pierement, orgel
pieremert, straatmuzikant
pieren, spelen op 't orgel (vgl.pierement)
piratenpooier, souteneur (G. alleen)
platvink, portemonnee
plomp, water (vgl. majem)
poekelen, spreken (G. alleen)
poen, geld (G. alleen)
ik bedis nog poen van je ‘ik krijg nog geld van je’
poets, politie (G. alleen)
pond, ƒ6,-; wordt alleen gebruikt bij vijftallen:
vijf pond ‘ƒ30,-’; tien pond ‘ƒ60,-’
porum, hoofd of gezicht (vgl. murf)
jofel porum, emmes porum ‘knap gezicht’; link of loenig porum ‘lelijk, onnozel gezicht’
priemerik, pastoor of dominee; ‘de pastoor’ is tofele-mone priemerik; ‘de dominee’ is gasjene-mone (zie tofele-mone en gasjene-mone); G.: priemerik alleen in de bet. ‘pastoor’ of ‘dominee’
prinserij, politie (G.: prinserije) (vgl. poets)
ratjes, marechaussee
rispde, gras (speciaal nagevraagd)
rispel, hout (heb dit woord speciaal nagevraagd) (zie kas)
rolleman, woonwagen
rolleman, kar (in 't algemeen)
rooie rug, ƒ1000,-
rotkleun, een harde slag (G. alleen) (vgl. kleunen)
russen, rechercheurs
saret, station (G. alleen)
sauger, koopman
schikse, meid (vgl. kalletje en niese)
een jofele schikse
schoepen, stelen (vgl. schoeper)
schoeper, dief
schof je, houd je mond (G. alleen) (vgl. deis je)
schok, stad; boerenschok, dorp (G. alleen)
schokken, kosten
schrabber, cent (vgl. hanske)
schriebes, geld (vgl. lovie)
seragel, slecht, stinkend
seragel bozer ‘stinkend vlees’
[p. 522]
serooren, coïre (G. alleen)
sjang, kerk (G. alleen)
tippel naar de sjang
sjanken, trouwen
sjoegen, slimmeriken (G. alleen)
sjonof, penis (G. alleen)
sjoof, gulden (G.: zoof)
slange, ketting (G. alleen); de Saksische uitg. e valt op
smeichelen, lachen
hij smeichelt je uit ‘hij lacht je uit’
smeris, agent
smerrie, tabak (G.: smerrie, sigaar)
smiks, boter
smoes lau, hou je mond (G. alleen) (vgl. deis je)
soele, kerk (vgl. dof)
sos, paard (G.: sossem)
spannen, zien
ik tippel naar die kit om een kotter: span effen naar de prinsemerij
spiese, café (G. alleen)
stieken, geven
stiek hem een kleun ‘geef hem een klap’
talver, bedelaar
tebie-tebie, betekent schoep die platvink er uit ‘haal die portemonnee er uit’ (vgl. bispraak)
temeie, lichtekooi (G.: temeies)
temeiekit, [bordeel] (G.: temeieskit)
tiejijs, zaak, ding in 't algemeen (G. alleen)
geef me dat tiejijs eens aan; kale tiejijs ‘kale kop’ (vgl. glibbes)
tik, horloge (G.: tikkertje) (vgl. oksie)
tochus, aars (vgl. tokus)
toddensauger; lompenkoopman (vgl. sauger)
tofele, de, de vader (G. alleen) (vgl. olmse)
tofele-mone, gebruikt als bnw.: rooms (vgl. gasjene-mone)
tokus, aars; ook ‘vagina’ (G. alleen)
't mokkel heit een emmes tokusje
trederikken, schoenen
val, de deur
flik de val dicht ‘gooi de deur dicht’
veemerik, kat (speciaal nagevraagd) (G.: vemerik of femerik)
veenen (!), lopen (G. alleen)
'k heb een kotter gemangd, veen er naar toe
verschieren, verdienen
we hebben lovie verschierd ‘we hebben geld verdiend’
verschutting, ze verstaan je (G. alleen)
vim, boterham (vgl. kotter)
vlok, hemd (G.: flokkie)
waggelkontjes, eenden
winkelhaak, bochel
zoof, gulden; ook sjoof (vgl. piek)
zwartje, koffie

Tellen

beis ‘twee’ alleen in beis bas; kimmel ‘drie’; dollef ‘vier’. Daar kende m'n zegsman niet al te veel van; bv.: beis meis noen soen ‘225’; siep ‘70’. Hij telt beis joed ‘20’; kimmel joed ‘30’; dollef joed ‘40’; verder kende hij niet - 70 is siep; 80 is siep + dolf + 2 × joed (!). In 't algemeen telde hij met geld gewoon: wat voor hem maar beter was.

prepostterug  begin  verder