terug  begin  verderprepost

Bron 56. De Gabbertaal (1937)

De Gabbertaal. Woordenlijst van het Bargoens, door E.G. van Bolhuis. - V.A. Kramers, Rijswijk Z.-H.; eerst uitgegeven bij G. Niessen. Ede, z.j. [1937].403*

Het boekje van Van Bolhuis is zo niet te gebruiken. De woorden die overgenomen zijn uit het Bronnenboek, zijn verwijderd. In het Bronnenboek zijn ze zoveel mogelijk bepaald naar tijd en plaats. In De Gabbertaal is daarvan geen sprake.

Er zijn woorden opgenomen uit het Liber Vagatorum en uit bv. Van Eikenhorst ii (bron 54), met fout en al. Zie bv. gif, gognum, jendemde, massone.

Een groep verkeerd genoteerde woorden heeft als eerste letter een h. De samensteller moet een lijst gehad hebben waarin de beginletter k onduidelijk was en als h gelezen kon worden. Zo ontstonden woorden als himmeren in plaats van kimmeren; hoeter voor koeter; hotel bajes voor kotel bajes. In diezelfde lijst moet de s onduidelijk geschreven zijn en op een r geleken hebben. Dat leverde karaaf op voor kassaaf ‘brief’; keravie voor kesavie.

Hieruit blijkt dat Van Bolhuis zonder kennis van zaken heeft overgenomen. Al deze woorden zijn door mij gecorrigeerd. Uit welke lijst ze stammen is niet na te gaan.

Een grote groep woorden in De Gabbertaal is geen Bargoens. Ze bevat woorden uit de platte of gemeenzame omgangstaal, die in Amsterdam en andere plaatsen in

[p. 604]

het westen gebruikt worden. Thans zijn die woorden algemeen. Deze groep van 250 woorden is gecontroleerd met behulp van Van Dale's woordenboek. Als ze daar als ‘Bargoens’ voorkwamen, heb ik ze laten staan. Werden ze als ‘gemeenzaam’ gekenmerkt, dan zijn ze weggelaten. Als ze bij Van Bolhuis een gespecialiseerde betekenis hebben, zijn ze wel opgenomen.

De bewerker van Van Dale heeft zeker woorden uit Van Bolhuis overgenomen en ze als Bargoens vermeld, terwijl ze tot de gemeenzame taal horen, zie bv. stelten. spinzen, stoten, stotteren. Deze woorden heb ik maar laten staan, maar m.i. behoren ze niet tot het Bargoens.

De lijst van Van Bolhuis is te lokaliseren in het westen van het land en samengesteld in het begin van deze eeuw. Er is veel belangwekkends op het gebied van de geheimtalen in te vinden en ze vormt een goede aanvulling van het woordenboekje van Köster Henke, De Boeventaal (bron 32), dat ook in het begin van deze eeuw (1906) samengesteld is.

Van Bolhuis schrijft in zijn inleiding: ‘Bijgaande lijst, die uit jarenlang bijgehouden aantekeningen is samengesteld ... is misschien dienstig voor politie en justitie terwijl een nieuwsgierige er wellicht ook zijn weetlust mee kan bevredigen.’ Ik geloof ook, dat de schrijver naarstig verzameld heeft; dat hij ook veel opgetekend heeft van Bargoenssprekers zelf. Jammer dat er niet enig systeem in zijn werk zit.

We moeten toch trachten het genoteerde naar plaats en tijd te bepalen.

aboe, elf
achenebbisch, och arme (zie genebbisch)
achterklapper, achterkamer
achterlader, iemand die geslachtsverkeer per anus toelaat
achterom, achterom gaan; de grens oversteken zonder langs de douane te gaan, dus door de velden
achteroverdrukken, stelen, roven
achteroverdrukker, berover; ook ‘valse-schep-aanval’
addesjim, allemachtig, gommenikkies
adoot, politieagent
affikken, afhandig maken
afgebrand, zonder geld
hij is afgebrand; afgebrand op de biets lopen ‘zonder een cent rondschooieren’; zijn huis is afgebrand ‘hij overvraagt verschrikkelijk’
afknapper: een - geven, bedanken mee te doen
afgeknoedeld, zwaar beschonken
afgeleund, bespionneerd
afgeluisd, van alles beroofd
de vrijer was afgeluisd tot zijn flok ‘hemd’
afgeluizigd, duchtig, hardhandig
afkienen, afsluiten met een kien ‘sleutel’
afkloppen, afbedelen
klop hem een soof ‘gulden’ af
afloenzen, afspieden, uitkijken
afluizen, beroven
afslaan, afgeven, toevertrouwen
hij heeft zijn poet afgeslagen ‘aan een ander toevertrouwd’
aftuigen, beroven; ook ‘een pak slaag geven’
altijd durende, de, de ziel
angst: kleurloze -, jenever
anneme hanneme (mee)same, iets samenonder vinden of meemaken
apehaar, fijngesneden tabak
arm: korte - en hebben, geen geld hebben
asjewijne: - maken, verdwijnen, laten verdwijnen (zie ook woordregister s.v. hasjewijne)
[p. 605]
atlas, heibel, drukte, ruzie (zie woordregister s.v. hallas)
attelemiese, halfdood
iemand attelemiese slaan
averij, syfilis
averij hebben opgelopen
 
baai, reus van een kerel
baai, rooie baai, rode wijn
een klanker ‘fles’ baai
baaien, stelen
baanderen, doelloos rondlopen
baanders, schoenen
baardmannetje, gulden (beeldenaar Willem iii)
babbel, drukte, herrie
bajesklant, iemand die vaak gevangenisstraf oploopt
bajeslef, brutale moed
bakoven, mond
wat een lelijk bakoven heeft die meid
balcholem, iemand buiten de gabbers (kameraden), die de dieventaal verstaat
balkon, zware borsten van een vrouw
ballon, gevangenis; ook ‘hoofd’
hou je ballon wat weg, je staat in 't licht
balsassor, makelaar
banaan, mannelijk geslachtsdeel
banjer opgooien, iemand beschuldigen (zie woordregister s.v. bonjer)
bankwerken, op een bank slapen
bankwerker, iemand die (geregeld) op een bank slaapt
was hij vannacht bankwerker?
barendweef, 85 cent
barreboksen, scheren
barrel, brok, prul
aan barrelen slaan ‘kapot slaan, aan stukken slaan’
barrelaar, boemelaar
barrelarij, gescharrel, geknoei
bazarretje, een bazarretje klinken, een bekeuring geven; ook ‘zwanger worden’
een bazarretje krijgen ‘bekeurd worden’; is 't wonder dat zo'n niese een bazarretje krijgt? ‘zwanger wordt’
bed: het - verschudden, de boel bederven
bedelaarspatent of bedelpatent, bosje veters of andere kleine koopwaar om het bedelen te maskeren
bedeltelegram, een bericht dat van mond tot mond gaat en zo eindelijk de betrokkene bereikt
beestje, dubbeltje (zie woordregister s.v. beisje)
bef: de - voordoen, klaar staan voor de gevangenis; ook ‘rechter’
begaffelen, foppen, bedriegen
begezond, bij gezondheid, in welzijn
begijne maken, drukte maken
begijnerijst, rijst met suiker en saffraan
begijntje, blauw begijntje, hoer
behangsel, huid over de wangen
behouden, bewaren
behouden in de kit
beisgoser, iemand die zijn verdienste op straat zoekt; ook ‘leegloper’
beisjesprent, biljet van 10 gulden
bekaanslag, flinke buit
bekke fettoe, deel van het gestolene (zie woordregister s.v. kayle)
beknard, beboet
bekoug, met geweld
de smerissen sleurden hem bekoug mee
bekrebbeld: hij is -, weet veel, heeft veel beleefd
belam, bij God, in orde
belle joetje, gouden tientje
belletrekker, inbreker die eerst belt om zich te overtuigen dat er niemand thuis is
Bellevue: Hotel -, gevangenis
bels, scheef
de pet bels dragen
benagus, armelijk, sjofel
bensjen, zegenen
beris: krijg de -, ziektewensing
besjoechelen, bedriegen
[p. 606]
bestek krijgen, verliefd worden
bengelgaai, opgewassen meid (bron 45: beugelgaai)
bever, schrik, koorts
de bever hebben; de koude bever
bevroren, onder de invloed van (verslaafd aan) cocaïne
beweging: in de - zijn, een publieke vrouw zijn
bewieberen, machtig worden
bezet, zwanger
dat niese is bezet
bezoere, slechte tijding
bezoete, geld
biets: aan de - lopen, geen werk hebben of kunnen krijgen
bietser(t), zwerver, bedelaar; ook ‘weg’; soms ‘koopman’
de biet tippelen ‘weglopen’ (zie het woordregister)
big, kind
biggel: de - s nemen, ervandoor gaan
bil: vier - len ‘hammen’ aan één snoer, zwanger zijn
binnenraken, in de gevangenis komen
binnensnij, binnenzak
blaadjes, handen
blauwe, politieagent
blauwpijper, politieagent
blauwspekslager, looddief
bles maken, iemand zijn geld afnemen
blikhoed, agent van politie
blind lawaai, revolver die niet afgaat, of met losse patronen is geladen
blinkers, lakschoenen (zie bron 16, s.v.) zijn blinkers bedekken ‘zich vermommen’
bloedschrijver, griffier bij de rechtbank
blompot, iemand die oneerlijk doet
blompotten, oneerlijk doen
bobbie, politieagent
bochel, vijf
bochels, vijfentwintig
boerenknoop, rijksdaalder
boerenkoolslijpen, knoeien
boerenkoolslijper, knoeier; iemand die zijn werk niet verstaat
boerenmokem, dorp
boerenschok, dorp
boffen, slaan, stoten
bokke: kayle -, deel of helft van het gestolene (zie bekke fettoe)
bolkvanger, boemelaar
bolleschok, gierigaard
bonenhotel, gevangenis
boniseur, woordvoerder; spreker voor de tent die het publiek naar binnen moet lokken
bonnement, besomming; het voordeel dat met een zaakje wordt behaald; de opbrengst van een rondgang onder het publiek
boorzalfpot, ziekenoppasser die de gevangenisdokter volgt
bootlegger, dranksmokkelaar
bos, huis; ook ‘ketel’
boskero, politiecommissaris (bron 7: moskero, onder ‘schout’)
boutplukker, poelier
bouwen: vooruit -, zwanger zijn
bovenklapper, bovenhuis, bovenkamer
Brabantse kant, postpapier en enveloppen
venten met Brabantse kant
braken, bekennen (zie woordregister s.v. kotsen)
bramser, kroegloper (bron 32: bamser, bamboesjeur)
brander: - hebben op iemand, verliefd zijn die goser heeft de brander op dat niese
brandweer, beurs met geld
breem: een - hebben, prostituee zijn
brekie, breekijzer
brief, broek
brievenbus, mond
broeder: warme -, homoseksueel
broek omkeren, zakrollen
bruin, koffie (zie woordregister s.v. bruintje)
een mokkie bruin ‘een kop koffie’
[p. 607]
bubil, mond
bubs, menigte, hoop
een bubs foelie in de beis ‘een hoop volk op straat’
buik met beentjes, zwanger zijn
bulting, beddegoed
bultzak, beddezak; ook ‘bed’
buurt: warme -, straat of buurt waar veel lichte vrouwen wonen
bijgogem, suffer, onbenul
 
cafétje, een vierde deel
chashe, gok en bik, vrouwen, spel en eten
Chassermokum, Schweinfurt
clole, verwensing
coco, cocaïne
 
dagga, tabak
dagscheer, vergeefse boodschap
dajan, rechter
dak zonder pannen, blote hemel
dakjes, handschoenen tegen het nalaten van vingerafdrukken
dallesgoser, arme vent
dallesjager, armoedzaaier
daske, jongen
dates, dood
hij is dates
dei, moeder
deister, dobbelsteen (bron 22: deie en 32: daai)
demerik, nacht (bron 9: dieumerik)
denen, straatslijpen (bron 5: nachtdeenen)
dès: - hebben, plezier maken; - maken, drukte maken
desie: op haar -, op haar gemak
deuk: iemand een - geven, een gat in zijn hoofd slaan, een opstopper verkopen
dietrich, valse sleutel
dillen, praten, babbelen
dinge, jongen
divesant, doorbrenger
dodderig, kaas
dof, pruilt, haar
een witte dof hebben ‘grijze haren hebben’
doffie, meevallertje
dolmgozer, versufte kerel
domerik, nacht (zie demerik)
dominospel, tanden, gebit
als zij lacht, laat ze haar hele dominospel zien
dooie diender, lammeling, treuzelaar, suffer
dooievisjesvreter, treuzelaar, vent die niet van aanpakken weet
doortikken, bekennen
doortuinen, doorlopen
doos, gevangenis
dorp: het rooie -, de gevangenis
dosseflikker, kleermaker
dottekop, slaapkop, suffer
douw, dag
drentelldt, been
drinkgeld: iemand - geven, iemand neerslaan
zijn drinkgeld gekregen hebben ‘danig letsel oplopen; dood of neergeslagen zijn’
dromerik, nacht
de lange dromerik ‘de eeuwigheid’
drootmelas, geldzak (bron 46: droatmèles)
drose, redevoering; ook ‘preek’
drutten, bij het dobbelen twee drieën werpen (bron 32)
drijver, klap, stoot
drijvers op zijn pruik ‘slagen op zijn hoofd’
dubbelaas, elf
dubbele hoek, majoor
duikelaar: een slome -, sufferd
duiken, een kopstoot geven in de maagstreek
duimertje, kleintje
durk, klein ventje
Dijk, Zeedijk te Amsterdam; Schiedamsche dijk te Rotterdam
 
eelf, duizend
[p. 608]
eendewijn, water
eeuwentof, juweel, edelsteen
efser, misschien
eilië, vrouw die zich voor wat eetwaren laat onteren
eime maken, bang maken
Wou je mij eime maken? Doe dat je niese.
eitje, dophoed
eitsen, raad geven
elleboog: de - voeren, dobbelen
ellef, duizend (zie eelf)
ese, echtgenote, huisvrouw
ezeltjesrijder, ladelichter
 
femen, komen (bron 23: feenen ‘ergens naar toe gaan’)
fettoe, bekke fettoe, deel van de buit (bron 5 onder kayle)
fiebelefors, in een ommezien; ook ‘grapje, kunstje’
dat was fiebelefors klaar
fieselefasie, gezicht
fieselemie, gezicht
fikfakken, treuzelen, zeuren, talmen
filosofen, vetleren werkschoenen
flader, bad (zie bron 1, cliché 1: flader ‘een baedtstoue’)
flakkaart, kaars (bron 1, cliché 5: flaccaert ‘een tortse / oft keerse’)
flamoes, vrouwelijk geslachtsdeel
fliek, knecht, helper (bron 1, cliché 2: flick ‘knape’)
flik-flak: van de - zijn, homoseksueel zijn
flippen, geslachtsgemeenschap hebben (zie woordregister s.v. fleppen)
flippie, bekeuring, verbaal
flonken, branden; ook ‘eten’
flotse of flutse, lichte meid; ook ‘vrouwelijk geslachtsdeel’
foeken, geslachtsgemeenschap uitoefenen
foelie of foelielat, kerfstok
hij heeft heel wat op zijn foelie of foelielat
foeselen en faselen, behendigheid in het venten
fonkaart, hout, brandstof
frank, nachtwater (lees ‘nachtwaker’;
zie bron 5: captein van de franken)
Fransman, sleutel met twee of meer tandjes aan de pijp
Frans veertje, slot waarbij een Fransman hoort
frommes, vrouw
frommesdod, lieveling van de vrouwen; ook ‘laffe vent’
front, gezicht
frotterhouerik, onguur type
fulchaart, haan (zie bron 1, cliché 2: fluchaert)
 
gaan, hooggaan, naar de gevangenis gaan
gaar, geheel
gabbe, bestuurder
gabberen, hard lachen
gabroes, met, tezamen, in vereniging
gajim, leven
gallaas, ziekte
gammerkop, dwaas, idioot, domkop
garpe, schande
gatlikker, slimme vent; ook ‘homoseksueel’
gaulo, ziek, zwak
gebbe, tronie, gezicht
zet niet zo'n gebbe, d'r gebeurt niets
gebeuwen, roepen (bron 5 heeft geheeuw)
gebroeze, kameraden (zie gabroes)
geflep, gerinkel
geilink, aandeel in de buit (zie woordregister s.v. geilik)
geinponem, lachend gezicht, grappenmaker
geinslokker, grappenmaker
geiwe, verbeelding, trots
wat een geiwe!
geknijft, gegrepen, gevangen
[p. 609]
gelitaniseerd, gebruikt, genomen (gezegd van een vrouw) (bron 32: gelitanieerd)
als dat niese niet gelitaniseerd wordt, broeien d'r geen spieën
geloe, melk (bron 48, 49: golve)
gemoed, borsten van een vrouw
als ze sjikker ‘dronken’ is, loopt ze met haar gemoed te pronken
genebbisch, och arme
geneiwok, diefstal (lees geneiwoh)
gepatterd, weggewerkt (bron 43: pattern)
gepolitoerd, geschminkt
gepoot, begraven
gereipt, gestolen
gerote, berouw
Gerrit, Oome Gerrit, pastoor
gesankt, gehangen
gestoept ‘gegeseld’ en gesankt worden
geschal, fluitsein
geschal jongens, trek aan de latten ‘neem de benen’
gescheit, in de gevangenis gezeten (lees gescheft?)
geschiewes, engel404*
ges-joet, tachtig
gesnor, familie, aanhang
steunt ‘staat’ daar geen gesnor van je?
gesnoten, beetgenomen
gespant, gegrepen, gevangen
geweren, verstoppen (zie woordregister s.v. gewoere)
gewroesem, makkers, kameraden
gezegehoor, vrouwvolk (lees gezegeschoor; bron 19)
gezeire, ellende
gezicht: het twede -, achterste
op z'n twede gezicht krijgen
gezondheid: de -, de kerk
gibbelen, bekennen
als je gibbelt, ben je verloren
gibus, hoed
gier, vijl
gieren, slaan
gilletje, diefstal, inbraak
gladakker, slimmerik, geslepen vènt
glad en al, helemaal, geheel en al
gleufkoter, deukhoed
glied(e), slechte meid (bron 1, cliché 2: glyde, glide ‘hoer’)
glippen, insluipen
glipper, insluiper
Glockmokum, Basel
gloeiende, agent
glokken, spelen met de kaart
loens glokken ‘vals spelen’
gnap, behendig
godel(e) bajes, gevangenis
godvul, groot (lees godaul)
gof, plaats (bron 16)
gofert, hoed
goffie, vrijheid (zie keer)
gokspies, speelhuis
golem: te - komen, in de droom verschijnen
gondeltiijsie, bordeel
gordijnen: de schuine -, meidenhuis, bordeel
gotse, zowaar, desnoods
gotspe, brutaliteit
wat een gotspe heeft die vrijer
gotseponem, brutale vent (lees gotspeponem)
goudvos, vijfguldenstuk
gouses, stervend
gozen, vaker gozer
gozer zonder solletje, petjesgast
grant, wrok
hij had al lang grant op hem
gras: op groen - trekken, op onveilige bodem brengen, in gevaar brengen
grasaap, groentje
grasperkje, kaal hoofd
grassemonis, mombakkes, lelijk gezicht; ook ‘groentje’
Wat een grassemonis heeft dat mokkel (meid). Wat doet zo'n grassemonis ook aan kerelswerk.
glimmen, huilen, grienen
groen blaadje, bankbiljet van ƒ40,-
[p. 610]
groene tenter, iemand die buiten in het bos overnacht
Groenstraat, Limburg
hij is naar de Groenstraat; de Groenstraat op
grote huis, gevangenis, in tegenstelling met het huis van bewaring
guil, ezel
gymnasium, verbeterhuis
 
haaien, meenemen om te beroven
haak: van de - tikken, overvallen
haaks houden, goed houden
haakstuk: dat wordt -, dat loopt mis
haaltaal, dieventaal (bron 16: haltael)
haar: iemand een plakje rood - opleggen, iemand het hoofd aan bloed slaan
habbes: dat is -, om te hebben, te pakken; ook ‘gepakt, binnen’
hij zag 't niet, of 't was habbes
hadie, let op, hier (zie De Geheimtalen i, hoofdstuk i, ‘Lettertalen’).
hakkel over makkel, veel, gedurig
hakkepoffen, omdruilen; niet recht weten wat aan te vangen
hakkepoffer, treuzelaar; iemand die doelloos omdrentelt
halelujazusje, heilsoldate
halfrond, vijftig
halje-trewalje, halsoverkop
halve broer, vertrouwde vriend
handolie, geld
handsjang, klap; ook ‘terugslag’
handsmeer, geld
hangen, 99
hansen, borsten van een vrouw
hap of happie, borrel
hapsnuf, kleinigheid
Haringkade, Herengracht te Amsterdam
Häringmokum, Hildesheim
haurik, brutaal schepsel
heften, openschuiven (bron 16: hiften)
heil: het -, de kerk
heim, huis (zie bron 32: ham)
heitjesprent, biljet van 25 gulden
heitjestippelarij, kwartjesvinderij
herberg, kerk
in de herberg zie je hem nooit
herenlogement, huis van correctie
Herman: Ome -, 11 cent
heupzwaai: op de - nemen, bedriegen, erin laten lopen
hiepensmid, schoenmaker
hiero-daro, hierzo-daarzo
hij tippelde naar hiero -daro en knijsde op een val ‘loerde op een gelegenheid’
hillig, slecht, ellendig
himmeren, hopen (m.i. h = k)
hintemalochem, Jood
Hoek, Joden Houttuinen, Uilenburg, Rapenburg in Amsterdam; meer bepaald: Oude Schans
hoepla, werptent
hoeter, mes (lees koeter)
Hoge School, gevangenis te Leeuwarden
hokie-pokie, ijskarretje
hokkebaas, brandstoffenhandelaar
hommelen, lopen, op roof uitgaan
hompelaar, stumper
hooggaan, gevangen genomen worden
hoogopstapelaar, chantageman; schrijver van hartontroerende brieven; ook spottend van iemand die weinig verdient (bron 32: hoogstapelaar)
hoogschuifster, trotse meid
hoornlezer, huis en erf
horenkrens, rundvlees (bron 1, cliché 1: creu)
hort: de - op, de baan op
de nieses willen de hort op
hortbonk, paardevlees
hotel bajes, gevangenis (lees kotel bajes)
hourik(te), slecht wijf
houten, benen
de houten nemen ‘ervandoor gaan’
houten mantel, doodkist
houtert, bos; ook ‘tak’
huften, pochen, opscheppen, branie maken
[p. 611]
hufter, braniemaker; ook ‘homoseksueel’
huplameko, klap, opstopper
huppelolie, sterkedrank
hijbe en lijge, hebben en houden
hijsen, drinken; ook ‘klaarkrijgen’ dat hijs je niet
 
ibbel, onpasselijk, verdrietig maak me niet ibbel
iepekriet, klein, driftig, kwaadaardig vrouwtje
ingesneden zijn op iemand, dol op iemand zijn
ippes, fijn, lekker, goed, lief (bron 16, 32, 49: immes)
of 't ippes was; dat bikkesement ‘eten’ was ippes
iskedidder, nietsnut, sta-in-de-weg wat moet je met zo'n iskedidder aanvangen?
 
Jan: ome -, bank van lening; kouwe -, jenever; rooie -, rode wijn; witte -, witte wijn
Jan Evert, jenever
Jan Evert was er ook bij ‘ze waren onder invloed van sterkedrank’
janker, harmonica
janus, in orde
't is janus
jatschoren, gestolen goed
jedemde, ogen (zie bron 11: jedemme)
jeiling, herrie, geschreeuw, lawaai (bron 16, 32: jeile)
jeled, kind, kleuter
jepper, jenever
jerik aan de palmpjes, steelzucht
hij lijdt aan jerik aan de palmpjes
jobbe, argeloze
jobbe groen, onnozele hals
jobber, dagloon
jodenchocola, koffie met kaneel
jod me soof, duizend gulden
jokep, verf, teer
jold zijn, in aanmerking komen om bestolen te worden
jompen, in het water gooien of laten vallen
eerst werd de vrijer gevoerd ‘meegetroond’, dan beroofd en afgelooid ‘afgeranseld’ en eindelijk in 't water gejompt
jood, vijf (zie woordregister s.v. joed)
Joodje: een - hebben, mal, niet wijs zijn
joosjer hebben, gelijk hebben
jopper, jongen van de vlakte
jore: bij mijn -, bij mijn leven; ook ‘buit’ een immese ‘prachtige’ jore
Judas, helper van een valse speler die seinen stiekt ‘tekens geeft’
Juffrouw Wijdmond: naar - gaan, zich verdrinken
juter, halve gulden
juto, agent van politie
jutter, instrument voor het forceren van deursloten
Jijzele, Jezus
Jijzele, de russen! ‘stillen’
 
kaai, een pruim tabak
kaasjager, agent van politie; ook ‘groot mes’
kabielesement, smoesje (bron 9: kabeelen)
kadaverbak, lijkwagen van de gemeente
kadet, achterste
kakie, gulden
kaleboes, gevangenis
kalkhoofd, kletskop
kallesansie, proces-verbaal, bekeuring
kamertjesklant, iemand die door het hokken op een kamer (in een andere dan zijn woonbuurt) aan het zoeken van de politie hoopt te ontkomen
kams, dronken
kan, hals
kap-ém, maak dat je wegkomt
kap nou, hou op, maak dat je wegkomt
kapsmaken, losmaken
nog een klein partijtje, wie maakt mij kaps?
[p. 612]
karaaf, brief (lees kasaaf; bron 16, 32: cassaaf, kassavie.)
karpertje, lichtekooi
kasie, politieagent
katje geven, een, beschuldigen
katoenstamper, onbehouwen, onbeholpen mens; lomperd
kattemepper, iemand die katten vangt en doodslaat om de huid
katten, gekocht goed terugbrengen
kaufert, hoed (bron 16: kovet)
kauwen, roken
keer me goffie, ik kom in vrijheid (bron 16: goffey)
keischopper, zakkenroller (bron 20: kieschopper)
keitijf, niets waard
keiwer, grap
in de keiwer trappen ‘in de mal gooien’
kekelbek, babbelaarster, ruziezoekster
keravie, papiergeld
Steunde er veel keravie in de platvink? - ‘Zat er veel papiergeld in de portefeuille?’
keren, wisselen
is dat kassavie ‘bankbiljet’ al gekeerd?
kering, eigen geld
keris, wijn
keruak, dorpeling; ook ‘lastpost’
kesie, pruim tabak; ook ‘dunne bros’ (!)
kesjeris, voorkomen, aanzien, gezicht
keskedie, billen, achterwerk
ket, paard, hit
keveren, slapen, dutten
keware bergen (maken), begraven (bron 16: kewoere)
kezen, geslachtsgemeenschap hebben
kiedewiet, dwaas, mal, gek
kiekeboe, huis van bewaring
kieken, leeghalen
een kattebak ‘winkella’ kieken
kienvijler, iemand die sleutels maakt of bijwerkt
kiepelen, zich ontlasten
kiepelton, privaat
kiksmorig, onbevreesd
hij ging er kiksmorig op af
Kille Kobus, de dood
kilt, herrie, drukte
kissebis, borrel
kitselen, smokkelen
klak, agent van politie
stille klak ‘rechercheur’
klakkebos, revolver
klammer, hand
klassineren, redeneren, zeuren, tegenspreken
klawieterik, vogel
kledder, niets, mis; ook uitroep wanneer iemand iets laat vallen
kledder hoor ‘niets hoor’
kleefs, zilveren (zie woordregister s.v. kleis)
kleis, melk
kleppie, pet
klerenp(r)ik, kleermaker
klets-klets: van de - zijn, homoseksuele geneigdheden hebben
kletsmetiek, hoofdzeer
kleuter, leugen
bedompte kleuter ‘valse leugen’
klieme, correctioneel
klieme gesjeft
klimmende ridders, dieven die geluk hebben
klissebissen, harrewarren, zeuren
die wijven moeten altijd wat hebben te klissebissen
klomones, gereedschap (zie woordregister s.v. klamones)
klompenmarkt: op de - zijn, over de 30 jaar zijn
kluitje, borrel
kluiveduiker, schooier, kruimeldief
kluiver, hand
hij had de paternosters ‘boeien’ om de kluivers
Knachmokum, Brunswijk
knappen, stelen
knas, boete (bron 16: knars ‘vonnis’)
[p. 613]
hij kreeg een flinke knas
kneu, kneutje, wijfje, vrouw, snolletje een aardig kneu; zijn kneu sappelt voor hem; een kooitje voor een kneu; een oude kneu
knie: blote -, kaal hoofd
knik,405* nek, hals
knipperdolletje, beschuitje
knodder, varken
knoers, eind
een knoersie hout ‘een stok’
knoerst: ergens een - om lachen, zich een bult lachen
knoesper, knoop
knoestmaaier, grasmaaier (bron 5: knoet maajer)
knoezen, vechten
knokbaas, iemand die gestolen geld en goed, tegen percenten, voorlopig in bewaring neemt; heler
knoop: grote -, rijksdaalder; kleine -, gulden
knopsmeris, brigadier van politie
knijkem, kijk eens uit
knijpen, afkijken; ook ‘bang zijn’
knijp zitten, gevangen zitten; in het nauw zitten; geen geld hebben
kochel, hoerenwaard
koek, brigadier
koeken, kijken, zien
kofert, hoed (zie woordregister s.v. kovet, kowert)
kogeltje bruis, flesje spuitwater of gazeuse limonade
kokkement, praatje
koler, trein (bron 32: kooler)
pleite gaan met de koler ‘er met de trein vandoor gaan’; de zwarte koler ‘de dood’
kontje: een - geven, iemand helpen bij het inklimmen door zijn achterwerk te steunen; ook fig.: ‘iemand bijstaan, helpen’
kooljannen, goedkope vis
koortsvrij, hij loopt niet in de gaten; niet -, dronken
kootsen, rijke man
kop en kont, of kop en staart, 66 (bedoeld 69?)
koper pesten, het, de politie plagen
koperlap, politieagent; ook ‘cent’
koperrood, kopergeld
koperstuk, agent van politie
koppenteller, officier van justitie
kopstuk, gulden
kornet, pet
kotone, levenslang
kotser, verklikker, veelprater
koud, gevaarlijk
't is er me te koud
koud zitten, op water en brood zitten
koue koffie, jenever
koug, kracht (bron 32: khoug)
kouteren, weigeren te bekennen
koutsjou, slangenmens
Kouwe Jan, jenever
kover, overdrijven, opschepperij
krabbedooien, handelen, twisten (bron 16, 20: krabbedaaien)
krakenzetter, inbreker
kranensmid, dokter voor venerische ziekten
krankiel, kalm
hij ging krankiel met de adjes ‘agenten’ mee
kras, baas
de kras van de kit
krauteren, ontsnappen
kreng, pasgeboren kind (bron 32, 42: kren)
krengen, baren, bevallen; ook kreunen
krent, klein persoon
krienflikker, zilversmid
krikkemik, oud huis met veel kleine vertrekken, trappen en gangetjes
kroon, twee gulden
kroosjes: om - gaan, verdrinken; ook ‘sterven’ in het algemeen
kroten: in de - zijn, dronken zijn
[p. 614]
krotjeritserik, krotjesrommel
krottig, kaal, arm
kruik, hoofd
krupsie, ruzie
krupsie maken ‘ruzie, herrie maken’
krijtschijter, bangbroek
kuitentikker, lange jas, overjas
kukel, kip
kwieskwas, losbol
kwijlebabbel, naarling
kwijlpot, oude vent
kijk hebben, kans hebben
hij dacht kijk te hebben op dat niese
 
ladder oplopen, de, zich hevig kwaad maken
lam, cliënt van een advocaat
lampte, geleerde (bron 8 als ‘onraad’)
lancet, scherpe dolk
lange vijf, hand
latjesbrug: over de - gaan, naar het gekkenhuis gebracht worden
lazarushoofd, zeer hoofd
lazerbol, lazerhond, lazerstraal, lammeling, beroerde vent
lebabber, opstopper
leegpooien, leegdrinken
lelijke trekken, de, doodgaan
Lepel: Hotel de Houten -, gevangenis; de lange -, bank van lening
Lerwisch Mokum, Mainz; ook Miaumokum
leukie, lachje, glimlach
levensnaam, valse naam
lezer, boek
een kriemse lezer ‘boek met zilverbeslag’
lieremannetje, delirium tremens
linken en lensen, kijken en loeren
lint: gemot -, kant
lintje: een rood -, een snee over 't gelaat
lobben: in zijn - zijn, in zijn schik zijn
loensen, speuren
loerie, chocola
loevertangetje, halve cent (bron 32: loebertangetje, loefie)
logeren: uit - zijn, gevangenzitten
lommerd spiese, bank van lening
loochemen, werken (zie woordregister s.v. malochemen)
looie, geld (zie woordregister s.v. lovie)
loopjatten, benen
lorumaar, zwendelaar, bedrieger
losbranden, loskrijgen
je moet van hem een meier zien los te branden
lowie (Louis), souteneur
lubbert, sul
luie knaap, een, een kwaadwillige
luiken, kijken (zie woordregister s.v. loek(s)en)
luikje: 't stille -, woeker
luis, agent van politie
deis je een luis!
lurving nemen, de, van de gelegenheid gebruik maken
lijge, houden
hijge en lijge ‘hebben en houden’
lijkstatie, oude versleten vrouw
lijmelaar, geestelijke
 
maaien, hard lopen
maandagmorgen, 44
mafknar, slaapkop
magere, 21
majembak, waterplaats
makero, pooier (ook makro)
makkie: 't is geen -, 't gaat niet gemakkelijk
makreel, pooier
mamzerhoofd, treiterkop
mamzerte, venijnig wijf, kreng
mannekuil, bed
mansemaker, geldophaler bij straatmuzikanten
manser, meeloper die het geld ophaalt, bv. bij een draaiorgel
marane, horloge
marie, geld
[p. 615]
marie bij zich hebben; is marie bij je?; hij is groot met marie; hij staat goed met marie ‘hij heeft veel geld’
marretjesspiese, moedershuis
massone (lees massome), geld, loon
mat: iemand op de - trekken, iemand doodslaan
van de mat vallen ‘sterven’; op de mat ‘op de keien’
matser, knoeier, bedrieger
meefokker, genoot, gezel (zie woordregister s.v. fokken)
mei: de eerste mei, God; ook ‘honderd’
mehamme, blij
mékef, goed
mékof, cachot (bron 15, 16: nekof ‘gevangenis’)
meleikete, oud kreng
meleg, zout
meligerd, stakker
olmse meligerd ‘aftandse stakker’
memmele, ook mimmele, moeder; ook ‘lefbek’
menoega, rust
menotten, handboeien
mergpijpje, rol katoen
merk bijten, een, iets goed opnemen om te herkennen
merrie, vrouw
hij heeft een trap van een merrie gehad ‘is venerisch’
mesk, klein kind
Miaumokum, Mainz
middenkruis, sleutel met kruis aan de overlangse insnede in de baard
mienerik, gluiper
mierenslikker, iemand die niet over kleinigheden heen komt
mieres, gek, dwaas
miers, 44
miese, kleingeld; ook ‘de dood’
miesgasserig, vuil, gemeen, inhalig
mieskwal, flauwerd, lafaard, stuk ongeluk
miezemietes pezen, de, zich een ongeluk werken
mitswe, eerbewijs
Moeder Jans, opkoopster
moelemaken, praten
moelemaker, prater, zwetser
moem, geld (bron 32: molm)
moffelen: iemand -, doodmaken
Moffenkoffie, koffie met kaneel
Moffenspel, 66
mokkemond, iemand met ingevallen lippen
mokumgeiher, reizende venter; ook mokumloper
mokumzak, zak voor de waren van een reizende koopman
mol, vrouw (dienstmeisje) die de nodige inlichtingen geeft voor diefstal of inbraak
molmboer, rijke vent (zie woordregister s.v. molm)
Moord- en brandbuurt, Spaarndammerstraat en omgeving te Amsterdam
moppen, geld
morgenster, iemand die 's morgens vroeg langs de straat in het afval iets van zijn gading zoekt
morojem: in de - hebben, in de gaten hebben
mortepaaien, optuigen
mortje zijn, dood zijn
mosselen, rollen, stelen
mosterdjongen, herenknecht, huisknecht
mouwverdraaier, weerspannige, opposant
mozeren, zeggen, vertellen
smakkies mozeren ‘ongestoord praten, veilig overleggen’
muizen: 't werd -, 't werd mis
murw maken, tot bekennen brengen
muziek, jenever; ook ‘geld’
muzikanten: daar zijn de -, daar is het geld
[p. 616]
naai, gewiekst, bijdehand
naaischool, huis met meisjes; bordeel
nachas, genot, plezier
nachtbidder, bedelaar die 's avonds langs de huizen gaat
nachtmutsje, fles drank die mee naar de slaapplaats genomen wordt
nachtuil, nachtwaker
nafkebajes, verdacht huis
nagelaar, valsaard
nakkedikker, armoedzaaier
napschoren, waardeloos goed, rommel (zie woordregister s.v. nepschoren) napschoren slaan ‘waardeloos goed stelen’
narris(ch)kat, gekheid, onzin
nastoot: pezen op -, chantage plegen of vuile zaakjes opknappen
nebbis(ch), niets, mis
nebob, baasspeler
neep: hou -, hou vast
neer, licht (zie woordregister s.v. neris)
neerblikkeren, neerslaan
neet: een rare -, een raar kind, vent of meid
nefis(ch), lichaam (bron 48, 49: nefe(r)s)
negerzweet, koffie
een bak negerzweet
nepvaart, afzetterij
hij leeft van de nepvaart
nestschijter, iemand die zijn eigen familie te schande maakt
neten: hij heeft rare - in zijn knar (op zijn kop), hij heeft vreemde streken
neuriën: eten
ne were, jammer
ngajin, zeventig
nieris, nar, grappenmaker
nieuwsgierige, de, rechter van instructie
nikkellap, stuiver
nobel gajes, dievenvolk, berovers, souteneurs, oplichters; ook ‘gesnapt’:
hij is nobel
noordsingel: op de - zitten, in de gevangenis zitten
De gevangenis staat in Rotterdam op de Noordsingel.
nootsum, onwetende, snotneus, groentje
nop, moed
hij heeft nop
nosselaar, valsspeler
Nijegas, Zwaneburgerstraat (in Amsterdam)
 
ochgenebbis(ch), genebbis(ch), nebbis(ch), och arme
okkies, gebrande duivebonen
oksine, borrel
olemesjolem, gaan sterven
Ome Gerrit, pastoor
Ome Herman, 11 cent
omkleunen, bekennen
omsof, dood
omsof steken
omsteken: laten -, abortus provocatus laten plegen
onderslaan, onderzoeken
onke, alleen
met z'n onke ‘in zijn eentje’; onke daai ‘de overgeblevene’
onmasselig, ongelukkig
oorblazer, ophitser, aanstoker
oortjes, taptemelk
opgever, iemand die inbrekers inlicht
opknijzen, opkijken
opredderen, oplichten, bedriegen
opsluiten, klaplopen
opsteken, verdienen
opsteker, mes
opstoot, dadelijk
oser, neen
otelemotel, van zinnen
iemand otelemotel smoezen ‘iemand met zijn smoesjes bepraten’
oude snik, oude klare
ouwe jongen, volleerde dief
ouwe sjefter, iemand die lang in de gevangenis zit (zat)
overgewinterd, slim, geslepen, leep
[p. 617]
overschep, een tweede portie eten (in de gevangenis)
 
paaltje, stuk roggebrood (in de gevangenis)
pafferia, revolvers, schiettuig
pagud, bang
pakeet, oplichterstruc met goederen
pandje, 70 cent
pandjesbaas, de baas uit de lommerd
pante, een geschikt iemand om beroofd te worden
Pantin, Parijs
pap: iemand - laten eten, iemand zo slaan dat hij naar het ziekenhuis moet, waar hij pap krijgt
pappen, zuipen, drinken
parsapant, ellendeling, ophitser
parser, opkoper (lees passer, vgl. bron 16)
passagierder, uitgaander, zwierbol
passavie, vel papier (lees kassavie)
patjore, druiloor, zeurkous
patteren, praten
peesklapper, roofhol
peieren, doodgaan, sterven; ook peigeren
pekaanslag, diefstal
pensenaris, iemand die afval van geslacht verkoopt
perelaar, paraplu
peren, drinken, zuipen
pestponem, onaangenaam gezicht
pet, sleutel
petatter, stoot, opstopper
petteg, gek, krankzinnig
petroleum, jenever
peunen, werken, sloven
peuten, klappen uitdelen
er op peuten
peuzeltje, borrel
van een peuzeltje ga ik niet omliggen
piano: op de - gezet worden, in verhoor genomen worden
pianospelen, het zetten van de vingers voor het maken van afdrukken
piekgis, bijdehand
piel: te -, gesnapt, gevangen
hij is te piel
piep kas hodi, zwanger (bron 40: piep kas trodi machen)
piepel, mannelijk geslachtsdeel
pierekwakkus: naar de - gaan, sterven
pierelemortes, dood
hij is pierelemortes
pieremert, straatmuzikant
pies, winst
pietermannetje, klein mes
pietje, 32½ cent; ook ‘luis’ en ‘één’
pietje-peetje, soort kaartspel
pietje -peetje spelen op de daaien
pikanier, iemand die bij de tussenhandel grote hoeveelheden fruit (vis) koopt om deze weer met goede winst aan de venters te verkopen
pikkeneren, benijden
pikketanus, borrel
pikvaren, op roof uitgaan
ping-pong, geld
waar blijf je met de ping -pong?
pis zijn, verloren, kwijt zijn; ook ‘weg zijn’
hij is pis
pisang, mannelijk geslachtsdeel
hij is de pisang ‘hij is erbij; hij legt het loodje’
pisankoor, drinken
pisekor, dronken
pistole, de grote wereld
op pistole zitten ‘uit eigen kas in de gevangenis geheel of gedeeltelijk in zijn voedsel voorzien’
pitten, ervandoor gaan; ook ‘geld’ hij heeft hem gepit; waar zijn de pitten?
plakzegel, zoen
platte pen, slapen onder de blote hemel
platvis, minderjarig meisje
platzanger, straatzanger die zich door bleek kind of sjofele vrouw laat begeleiden, om zo het medelijden op te wekken
plegiskop, pestkop, treiteraar
[p. 618]
plompbuizer, (water)emmer
poelt, mep, opstopper
poepie, aantal, menigte, hoeveelheid
Polder, vroegere Zandstraatomgeving te Rotterdam
poorterboekje, gevangenisreglement
poser, vlees (algemeen boser)
positie, stand waarin de toetsers het slachtoffer weten te plaatsen die het gunstigst is voor de marwieger
postzegel, gezicht
poten, begraven; ook ‘zich opstellen, meestal verdekt, om iemand of iets te bespieden’
uit poten ‘begraven’ gaan
potje, slachtoffer
potkacheltje, donker uitziend vrouwtje
povier, staalboor (zie woordregister s.v. pooier)
praatflemoes, veelprater
prauwel, oublie, nieuwjaarskoek
prestiemaker, woordvoerder bij straatacrobaten
principaal, principale hechtenis: die moet uitgezeten worden en men niet met boete kan afkopen
prinsemarijlot, politieagent
proesdag, slechte, mislukte dag
proluik, poen, opschepper, gemenerd (lees prolurk)
puis, grap
 
rabat, oud huis
raket, tralies van een gevangenis
rambam, verwensing
krijg de rambam
raspel, vijl
rastekweir, rijke vreemdeling
rausjen, roven, stelen
reep, mond
reetsemen, stelen (bron 32: mareedsemen)
reipen, stelen
reiziger, woonwagenbewoner
rem: vijf -, vijf cent
renons houden, schuilhouden
hou jij je maar een poosje renons
renpaard, vrouw die werkt voor een souteneur
rettet, privaat
reutel: op de - halen, op de lat halen; borgen
rikketik gaan, telegraferen
't gaat rikketik en je bent geknipt
ringpen, ringvinger
risches maken, aanstoot geven
rit(aan)nemen, de, ervandoor gaan
ritserik, rommel
wat een ritserik is 't me daar
robbeklopper, goeierd
robbekollig, grillig
dat niese is zo robbekollig, dat je d'r geen snars op an kunt
rode, cent
rode lamp, meidenhuis, bordeel bij de rode lamp zitten ‘prostitutie uitoefenen’
roeien, stelen
roeivereniging: van de - zijn, tot het dievengilde behoren
rokmannetje, gulden
rokzak, vrouw, meisje
rommelpot, motorfiets
rond, honderd
ronde jongen, een flinke vent
rood licht, onraad
roofkit, roofhol
rooie baai, rode wijn
rooie dorp, gevangenis
rooie huzaren, wandluizen
rot, horloge
rot met staart ‘horloge met ketting’ (bron 20: rat met een staart)
rotser, iemand die nergens voor deugt; kwajongen
rotterum, stille agent
rugknoest, ruggengraat
ruigpoot, homoseksueel
russios, politieagent; ook ‘rechercheur’
rijkshotel, gevangenis
[p. 619]
sabber, lichte inbraak (bron 16: sabberen ‘inbreken’)
sadé, negentig
sahaggeles, opzettelijk
sardineren, het openscheuren van een brandkast
saskerlap, dronkaard
sas-sis, cocaïne
sauger, pijp; ook ‘koopman’ (bron 16: sanger; vgl. souger)
sawie hebben, ergens verstand van hebben
schaailoos lopen, niets te doen hebben, zonder geld, niets té verzuimen hebben
schaar, zekere handgreep bij het zakkenrollen
schaduw, gevangenis
in de schaduw zitten ‘gevangen zitten’
scharn, mest
scheefhalzen, de nek omdraaien
schervenspeler, iemand die gestolen goed koopt (bron 14, 16: sjarfenspieler)
Schevoëes,406* Pinksteren (zie woordregister s.v. smoeës)
schiddis(ch), huwelijk
schilletjes, bovenkleren
schmeigelen, vleien, mooipraten
schnobel, snater, mond
schobbelevink, verschoppeling
schobbetje maken, een, spijbelen, een dagje er van tussendoor gaan, een slippertje maken
schokkel, drank
schoolmeester, slecht soort aardappel, gebruikt voor visaas
schoor, eten
geef me wat schoor, ik verhip van honger
schoremzager,407* leugenaar
schots, hoogmoedig
schrentelings, marechaussee, politie (bron 23: sjenteling ‘commies’)
schrobbelink, verschoppeling
schroei, trek, eetlust, honger
schroor op, de, de boer op
schuine gordijnen, meidenhuis, bordeel
schurfie, eendracht
schutter, half glas bier
schijtertje, dikkerdje
op zijn schijtertje zitten ‘op zijn gemak zitten’; ook ‘op de hurken zitten’
schijtvink, bangerd, sul; ook ‘beurs of portefeuille met weinig of geen geld’ hij dacht machtig wat te snappen, maar ving een schijtvink
seibelaar, knoeier, bijloper, helper
seiges, bokkingmand
seis: halve -, halve cent; klein koperen muntstuk (bron 5: seys ‘aalmoes’)
sela, dronken
selehacheles, expres, met opzet
Semei, scheldnaam voor Jood; ook Smei
semeien, horen, luisteren
seroeang, arm
hij nam dat niese bij de seroeang, dat ze piepte (bron 32: zerouang)
seroren, geslachtsgemeenschap plegen
seweren, stelen; ook ‘benauwd krijgen’ (ook zeferen; bron 32: zeeferen)
hij heeft beis knaken gesewerd; zij begint te seweren ‘wordt bang, krijgt het benauwd’
sipperen, proeven; met kleine teugjes drinken (van een neutje)
sjaansen, op avontuur gaan
iets sjaansen ‘iets avonturen, wagen’
sjabberaar, inbreker (bron 32: sabberaar)
sjabbeslamp, zeven
sjalepot, ellendeling, mispunt
sjalet, taart