De Gabbertaal. Woordenlijst van het Bargoens, door E.G. van Bolhuis. - V.A. Kramers, Rijswijk Z.-H.; eerst uitgegeven bij G. Niessen. Ede, z.j. [1937].403*
Het boekje van Van Bolhuis is zo niet te gebruiken. De woorden die overgenomen zijn uit het Bronnenboek, zijn verwijderd. In het Bronnenboek zijn ze zoveel mogelijk bepaald naar tijd en plaats. In De Gabbertaal is daarvan geen sprake.
Er zijn woorden opgenomen uit het Liber Vagatorum en uit bv. Van Eikenhorst ii (bron 54), met fout en al. Zie bv. gif, gognum, jendemde, massone.
Een groep verkeerd genoteerde woorden heeft als eerste letter een h. De samensteller moet een lijst gehad hebben waarin de beginletter k onduidelijk was en als h gelezen kon worden. Zo ontstonden woorden als himmeren in plaats van kimmeren; hoeter voor koeter; hotel bajes voor kotel bajes. In diezelfde lijst moet de s onduidelijk geschreven zijn en op een r geleken hebben. Dat leverde karaaf op voor kassaaf ‘brief’; keravie voor kesavie.
Hieruit blijkt dat Van Bolhuis zonder kennis van zaken heeft overgenomen. Al deze woorden zijn door mij gecorrigeerd. Uit welke lijst ze stammen is niet na te gaan.
Een grote groep woorden in De Gabbertaal is geen Bargoens. Ze bevat woorden uit de platte of gemeenzame omgangstaal, die in Amsterdam en andere plaatsen in
het westen gebruikt worden. Thans zijn die woorden algemeen. Deze groep van 250 woorden is gecontroleerd met behulp van Van Dale's woordenboek. Als ze daar als ‘Bargoens’ voorkwamen, heb ik ze laten staan. Werden ze als ‘gemeenzaam’ gekenmerkt, dan zijn ze weggelaten. Als ze bij Van Bolhuis een gespecialiseerde betekenis hebben, zijn ze wel opgenomen.
De bewerker van Van Dale heeft zeker woorden uit Van Bolhuis overgenomen en ze als Bargoens vermeld, terwijl ze tot de gemeenzame taal horen, zie bv. stelten. spinzen, stoten, stotteren. Deze woorden heb ik maar laten staan, maar m.i. behoren ze niet tot het Bargoens.
De lijst van Van Bolhuis is te lokaliseren in het westen van het land en samengesteld in het begin van deze eeuw. Er is veel belangwekkends op het gebied van de geheimtalen in te vinden en ze vormt een goede aanvulling van het woordenboekje van Köster Henke, De Boeventaal (bron 32), dat ook in het begin van deze eeuw (1906) samengesteld is.
Van Bolhuis schrijft in zijn inleiding: ‘Bijgaande lijst, die uit jarenlang bijgehouden aantekeningen is samengesteld ... is misschien dienstig voor politie en justitie terwijl een nieuwsgierige er wellicht ook zijn weetlust mee kan bevredigen.’ Ik geloof ook, dat de schrijver naarstig verzameld heeft; dat hij ook veel opgetekend heeft van Bargoenssprekers zelf. Jammer dat er niet enig systeem in zijn werk zit.
We moeten toch trachten het genoteerde naar plaats en tijd te bepalen.
| aboe, elf |
| achenebbisch, och arme (zie genebbisch) |
| achterklapper, achterkamer |
| achterlader, iemand die geslachtsverkeer per anus toelaat |
| achterom, achterom gaan; de grens oversteken zonder langs de douane te gaan, dus door de velden |
| achteroverdrukken, stelen, roven |
| achteroverdrukker, berover; ook ‘valse-schep-aanval’ |
| addesjim, allemachtig, gommenikkies |
| adoot, politieagent |
| affikken, afhandig maken |
| afgebrand, zonder geld hij is afgebrand; afgebrand op de biets lopen ‘zonder een cent rondschooieren’; zijn huis is afgebrand ‘hij overvraagt verschrikkelijk’ |
| afknapper: een - geven, bedanken mee te doen |
| afgeknoedeld, zwaar beschonken |
| afgeleund, bespionneerd |
| afgeluisd, van alles beroofd de vrijer was afgeluisd tot zijn flok ‘hemd’ |
| afgeluizigd, duchtig, hardhandig |
| afkienen, afsluiten met een kien ‘sleutel’ |
| afkloppen, afbedelen klop hem een soof ‘gulden’ af |
| afloenzen, afspieden, uitkijken |
| afluizen, beroven |
| afslaan, afgeven, toevertrouwen hij heeft zijn poet afgeslagen ‘aan een ander toevertrouwd’ |
| aftuigen, beroven; ook ‘een pak slaag geven’ |
| altijd durende, de, de ziel |
| angst: kleurloze -, jenever |
| anneme hanneme (mee)same, iets samenonder vinden of meemaken |
| apehaar, fijngesneden tabak |
| arm: korte - en hebben, geen geld hebben |
| asjewijne: - maken, verdwijnen, laten verdwijnen (zie ook woordregister s.v. hasjewijne) |
| atlas, heibel, drukte, ruzie (zie woordregister s.v. hallas) |
| attelemiese, halfdood iemand attelemiese slaan |
| averij, syfilis averij hebben opgelopen |
| baai, reus van een kerel |
| baai, rooie baai, rode wijn een klanker ‘fles’ baai |
| baaien, stelen |
| baanderen, doelloos rondlopen |
| baanders, schoenen |
| baardmannetje, gulden (beeldenaar Willem iii) |
| babbel, drukte, herrie |
| bajesklant, iemand die vaak gevangenisstraf oploopt |
| bajeslef, brutale moed |
| bakoven, mond wat een lelijk bakoven heeft die meid |
| balcholem, iemand buiten de gabbers (kameraden), die de dieventaal verstaat |
| balkon, zware borsten van een vrouw |
| ballon, gevangenis; ook ‘hoofd’ hou je ballon wat weg, je staat in 't licht |
| balsassor, makelaar |
| banaan, mannelijk geslachtsdeel |
| banjer opgooien, iemand beschuldigen (zie woordregister s.v. bonjer) |
| bankwerken, op een bank slapen |
| bankwerker, iemand die (geregeld) op een bank slaapt was hij vannacht bankwerker? |
| barendweef, 85 cent |
| barreboksen, scheren |
| barrel, brok, prul aan barrelen slaan ‘kapot slaan, aan stukken slaan’ |
| barrelaar, boemelaar |
| barrelarij, gescharrel, geknoei |
| bazarretje, een bazarretje klinken, een bekeuring
geven; ook ‘zwanger worden’ een bazarretje krijgen ‘bekeurd worden’; is 't wonder dat zo'n niese een bazarretje krijgt? ‘zwanger wordt’ |
| bed: het - verschudden, de boel bederven |
| bedelaarspatent of bedelpatent, bosje veters of andere kleine koopwaar om het bedelen te maskeren |
| bedeltelegram, een bericht dat van mond tot mond gaat en zo eindelijk de betrokkene bereikt |
| beestje, dubbeltje (zie woordregister s.v. beisje) |
| bef: de - voordoen, klaar staan voor de gevangenis; ook ‘rechter’ |
| begaffelen, foppen, bedriegen |
| begezond, bij gezondheid, in welzijn |
| begijne maken, drukte maken |
| begijnerijst, rijst met suiker en saffraan |
| begijntje, blauw begijntje, hoer |
| behangsel, huid over de wangen |
| behouden, bewaren behouden in de kit |
| beisgoser, iemand die zijn verdienste op straat zoekt; ook ‘leegloper’ |
| beisjesprent, biljet van 10 gulden |
| bekaanslag, flinke buit |
| bekke fettoe, deel van het gestolene (zie woordregister s.v. kayle) |
| beknard, beboet |
| bekoug, met geweld de smerissen sleurden hem bekoug mee |
| bekrebbeld: hij is -, weet veel, heeft veel beleefd |
| belam, bij God, in orde |
| belle joetje, gouden tientje |
| belletrekker, inbreker die eerst belt om zich te overtuigen dat er niemand thuis is |
| Bellevue: Hotel -, gevangenis |
| bels, scheef de pet bels dragen |
| benagus, armelijk, sjofel |
| bensjen, zegenen |
| beris: krijg de -, ziektewensing |
| besjoechelen, bedriegen |
| bestek krijgen, verliefd worden |
| bengelgaai, opgewassen meid (bron 45: beugelgaai) |
| bever, schrik, koorts de bever hebben; de koude bever |
| bevroren, onder de invloed van (verslaafd aan) cocaïne |
| beweging: in de - zijn, een publieke vrouw zijn |
| bewieberen, machtig worden |
| bezet, zwanger dat niese is bezet |
| bezoere, slechte tijding |
| bezoete, geld |
| biets: aan de - lopen, geen werk hebben of kunnen krijgen |
| bietser(t), zwerver, bedelaar; ook ‘weg’; soms ‘koopman’ de biet tippelen ‘weglopen’ (zie het woordregister) |
| big, kind |
| biggel: de - s nemen, ervandoor gaan |
| bil: vier - len ‘hammen’ aan één snoer, zwanger zijn |
| binnenraken, in de gevangenis komen |
| binnensnij, binnenzak |
| blaadjes, handen |
| blauwe, politieagent |
| blauwpijper, politieagent |
| blauwspekslager, looddief |
| bles maken, iemand zijn geld afnemen |
| blikhoed, agent van politie |
| blind lawaai, revolver die niet afgaat, of met losse patronen is geladen |
| blinkers, lakschoenen (zie bron 16, s.v.) zijn blinkers bedekken ‘zich vermommen’ |
| bloedschrijver, griffier bij de rechtbank |
| blompot, iemand die oneerlijk doet |
| blompotten, oneerlijk doen |
| bobbie, politieagent |
| bochel, vijf |
| bochels, vijfentwintig |
| boerenknoop, rijksdaalder |
| boerenkoolslijpen, knoeien |
| boerenkoolslijper, knoeier; iemand die zijn werk niet verstaat |
| boerenmokem, dorp |
| boerenschok, dorp |
| boffen, slaan, stoten |
| bokke: kayle -, deel of helft van het gestolene (zie bekke fettoe) |
| bolkvanger, boemelaar |
| bolleschok, gierigaard |
| bonenhotel, gevangenis |
| boniseur, woordvoerder; spreker voor de tent die het publiek naar binnen moet lokken |
| bonnement, besomming; het voordeel dat met een zaakje wordt behaald; de opbrengst van een rondgang onder het publiek |
| boorzalfpot, ziekenoppasser die de gevangenisdokter volgt |
| bootlegger, dranksmokkelaar |
| bos, huis; ook ‘ketel’ |
| boskero, politiecommissaris (bron 7: moskero, onder ‘schout’) |
| boutplukker, poelier |
| bouwen: vooruit -, zwanger zijn |
| bovenklapper, bovenhuis, bovenkamer |
| Brabantse kant, postpapier en enveloppen venten met Brabantse kant |
| braken, bekennen (zie woordregister s.v. kotsen) |
| bramser, kroegloper (bron 32: bamser, bamboesjeur) |
| brander: - hebben op iemand, verliefd zijn die goser heeft de brander op dat niese |
| brandweer, beurs met geld |
| breem: een - hebben, prostituee zijn |
| brekie, breekijzer |
| brief, broek |
| brievenbus, mond |
| broeder: warme -, homoseksueel |
| broek omkeren, zakrollen |
| bruin, koffie (zie woordregister s.v. bruintje) een mokkie bruin ‘een kop koffie’ |
| bubil, mond |
| bubs, menigte, hoop een bubs foelie in de beis ‘een hoop volk op straat’ |
| buik met beentjes, zwanger zijn |
| bulting, beddegoed |
| bultzak, beddezak; ook ‘bed’ |
| buurt: warme -, straat of buurt waar veel lichte vrouwen wonen |
| bijgogem, suffer, onbenul |
| cafétje, een vierde deel |
| chashe, gok en bik, vrouwen, spel en eten |
| Chassermokum, Schweinfurt |
| clole, verwensing |
| coco, cocaïne |
| dagga, tabak |
| dagscheer, vergeefse boodschap |
| dajan, rechter |
| dak zonder pannen, blote hemel |
| dakjes, handschoenen tegen het nalaten van vingerafdrukken |
| dallesgoser, arme vent |
| dallesjager, armoedzaaier |
| daske, jongen |
| dates, dood hij is dates |
| dei, moeder |
| deister, dobbelsteen (bron 22: deie en 32: daai) |
| demerik, nacht (bron 9: dieumerik) |
| denen, straatslijpen (bron 5: nachtdeenen) |
| dès: - hebben, plezier maken; - maken, drukte maken |
| desie: op haar -, op haar gemak |
| deuk: iemand een - geven, een gat in zijn hoofd slaan, een opstopper verkopen |
| dietrich, valse sleutel |
| dillen, praten, babbelen |
| dinge, jongen |
| divesant, doorbrenger |
| dodderig, kaas |
| dof, pruilt, haar een witte dof hebben ‘grijze haren hebben’ |
| doffie, meevallertje |
| dolmgozer, versufte kerel |
| domerik, nacht (zie demerik) |
| dominospel, tanden, gebit als zij lacht, laat ze haar hele dominospel zien |
| dooie diender, lammeling, treuzelaar, suffer |
| dooievisjesvreter, treuzelaar, vent die niet van aanpakken weet |
| doortikken, bekennen |
| doortuinen, doorlopen |
| doos, gevangenis |
| dorp: het rooie -, de gevangenis |
| dosseflikker, kleermaker |
| dottekop, slaapkop, suffer |
| douw, dag |
| drentelldt, been |
| drinkgeld: iemand - geven, iemand neerslaan zijn drinkgeld gekregen hebben ‘danig letsel oplopen; dood of neergeslagen zijn’ |
| dromerik, nacht de lange dromerik ‘de eeuwigheid’ |
| drootmelas, geldzak (bron 46: droatmèles) |
| drose, redevoering; ook ‘preek’ |
| drutten, bij het dobbelen twee drieën werpen (bron 32) |
| drijver, klap, stoot drijvers op zijn pruik ‘slagen op zijn hoofd’ |
| dubbelaas, elf |
| dubbele hoek, majoor |
| duikelaar: een slome -, sufferd |
| duiken, een kopstoot geven in de maagstreek |
| duimertje, kleintje |
| durk, klein ventje |
| Dijk, Zeedijk te Amsterdam; Schiedamsche dijk te Rotterdam |
| eelf, duizend |
| eendewijn, water |
| eeuwentof, juweel, edelsteen |
| efser, misschien |
| eilië, vrouw die zich voor wat eetwaren laat onteren |
| eime maken, bang maken Wou je mij eime maken? Doe dat je niese. |
| eitje, dophoed |
| eitsen, raad geven |
| elleboog: de - voeren, dobbelen |
| ellef, duizend (zie eelf) |
| ese, echtgenote, huisvrouw |
| ezeltjesrijder, ladelichter |
| femen, komen (bron 23: feenen ‘ergens naar toe gaan’) |
| fettoe, bekke fettoe, deel van de buit (bron 5 onder kayle) |
| fiebelefors, in een ommezien; ook ‘grapje, kunstje’ dat was fiebelefors klaar |
| fieselefasie, gezicht |
| fieselemie, gezicht |
| fikfakken, treuzelen, zeuren, talmen |
| filosofen, vetleren werkschoenen |
| flader, bad (zie bron 1, cliché 1: flader ‘een baedtstoue’) |
| flakkaart, kaars (bron 1, cliché 5: flaccaert ‘een tortse / oft keerse’) |
| flamoes, vrouwelijk geslachtsdeel |
| fliek, knecht, helper (bron 1, cliché 2: flick ‘knape’) |
| flik-flak: van de - zijn, homoseksueel zijn |
| flippen, geslachtsgemeenschap hebben (zie woordregister s.v. fleppen) |
| flippie, bekeuring, verbaal |
| flonken, branden; ook ‘eten’ |
| flotse of flutse, lichte meid; ook ‘vrouwelijk geslachtsdeel’ |
| foeken, geslachtsgemeenschap uitoefenen |
| foelie of foelielat, kerfstok hij heeft heel wat op zijn foelie of foelielat |
| foeselen en faselen, behendigheid in het venten |
| fonkaart, hout, brandstof |
| frank, nachtwater (lees ‘nachtwaker’; zie bron 5: captein van de franken) |
| Fransman, sleutel met twee of meer tandjes aan de pijp |
| Frans veertje, slot waarbij een Fransman hoort |
| frommes, vrouw |
| frommesdod, lieveling van de vrouwen; ook ‘laffe vent’ |
| front, gezicht |
| frotterhouerik, onguur type |
| fulchaart, haan (zie bron 1, cliché 2: fluchaert) |
| gaan, hooggaan, naar de gevangenis gaan |
| gaar, geheel |
| gabbe, bestuurder |
| gabberen, hard lachen |
| gabroes, met, tezamen, in vereniging |
| gajim, leven |
| gallaas, ziekte |
| gammerkop, dwaas, idioot, domkop |
| garpe, schande |
| gatlikker, slimme vent; ook ‘homoseksueel’ |
| gaulo, ziek, zwak |
| gebbe, tronie, gezicht zet niet zo'n gebbe, d'r gebeurt niets |
| gebeuwen, roepen (bron 5 heeft geheeuw) |
| gebroeze, kameraden (zie gabroes) |
| geflep, gerinkel |
| geilink, aandeel in de buit (zie woordregister s.v. geilik) |
| geinponem, lachend gezicht, grappenmaker |
| geinslokker, grappenmaker |
| geiwe, verbeelding, trots wat een geiwe! |
| geknijft, gegrepen, gevangen |
| gelitaniseerd, gebruikt, genomen (gezegd van een vrouw) (bron 32: gelitanieerd) als dat niese niet gelitaniseerd wordt, broeien d'r geen spieën |
| geloe, melk (bron 48, 49: golve) |
| gemoed, borsten van een vrouw als ze sjikker ‘dronken’ is, loopt ze met haar gemoed te pronken |
| genebbisch, och arme |
| geneiwok, diefstal (lees geneiwoh) |
| gepatterd, weggewerkt (bron 43: pattern) |
| gepolitoerd, geschminkt |
| gepoot, begraven |
| gereipt, gestolen |
| gerote, berouw |
| Gerrit, Oome Gerrit, pastoor |
| gesankt, gehangen gestoept ‘gegeseld’ en gesankt worden |
| geschal, fluitsein geschal jongens, trek aan de latten ‘neem de benen’ |
| gescheit, in de gevangenis gezeten (lees gescheft?) |
| geschiewes, engel404* |
| ges-joet, tachtig |
| gesnor, familie, aanhang steunt ‘staat’ daar geen gesnor van je? |
| gesnoten, beetgenomen |
| gespant, gegrepen, gevangen |
| geweren, verstoppen (zie woordregister s.v. gewoere) |
| gewroesem, makkers, kameraden |
| gezegehoor, vrouwvolk (lees gezegeschoor; bron 19) |
| gezeire, ellende |
| gezicht: het twede -, achterste op z'n twede gezicht krijgen |
| gezondheid: de -, de kerk |
| gibbelen, bekennen als je gibbelt, ben je verloren |
| gibus, hoed |
| gier, vijl |
| gieren, slaan |
| gilletje, diefstal, inbraak |
| gladakker, slimmerik, geslepen vènt |
| glad en al, helemaal, geheel en al |
| gleufkoter, deukhoed |
| glied(e), slechte meid (bron 1, cliché 2: glyde, glide ‘hoer’) |
| glippen, insluipen |
| glipper, insluiper |
| Glockmokum, Basel |
| gloeiende, agent |
| glokken, spelen met de kaart loens glokken ‘vals spelen’ |
| gnap, behendig |
| godel(e) bajes, gevangenis |
| godvul, groot (lees godaul) |
| gof, plaats (bron 16) |
| gofert, hoed |
| goffie, vrijheid (zie keer) |
| gokspies, speelhuis |
| golem: te - komen, in de droom verschijnen |
| gondeltiijsie, bordeel |
| gordijnen: de schuine -, meidenhuis, bordeel |
| gotse, zowaar, desnoods |
| gotspe, brutaliteit wat een gotspe heeft die vrijer |
| gotseponem, brutale vent (lees gotspeponem) |
| goudvos, vijfguldenstuk |
| gouses, stervend |
| gozen, vaker gozer |
| gozer zonder solletje, petjesgast |
| grant, wrok hij had al lang grant op hem |
| gras: op groen - trekken, op onveilige bodem brengen, in gevaar brengen |
| grasaap, groentje |
| grasperkje, kaal hoofd |
| grassemonis, mombakkes, lelijk gezicht; ook ‘groentje’ Wat een grassemonis heeft dat mokkel (meid). Wat doet zo'n grassemonis ook aan kerelswerk. |
| glimmen, huilen, grienen |
| groen blaadje, bankbiljet van ƒ40,- |
| groene tenter, iemand die buiten in het bos overnacht |
| Groenstraat, Limburg hij is naar de Groenstraat; de Groenstraat op |
| grote huis, gevangenis, in tegenstelling met het huis van bewaring |
| guil, ezel |
| gymnasium, verbeterhuis |
| haaien, meenemen om te beroven |
| haak: van de - tikken, overvallen |
| haaks houden, goed houden |
| haakstuk: dat wordt -, dat loopt mis |
| haaltaal, dieventaal (bron 16: haltael) |
| haar: iemand een plakje rood - opleggen, iemand het hoofd aan bloed slaan |
| habbes: dat is -, om te hebben, te pakken; ook ‘gepakt, binnen’ hij zag 't niet, of 't was habbes |
| hadie, let op, hier (zie De Geheimtalen i, hoofdstuk i, ‘Lettertalen’). |
| hakkel over makkel, veel, gedurig |
| hakkepoffen, omdruilen; niet recht weten wat aan te vangen |
| hakkepoffer, treuzelaar; iemand die doelloos omdrentelt |
| halelujazusje, heilsoldate |
| halfrond, vijftig |
| halje-trewalje, halsoverkop |
| halve broer, vertrouwde vriend |
| handolie, geld |
| handsjang, klap; ook ‘terugslag’ |
| handsmeer, geld |
| hangen, 99 |
| hansen, borsten van een vrouw |
| hap of happie, borrel |
| hapsnuf, kleinigheid |
| Haringkade, Herengracht te Amsterdam |
| Häringmokum, Hildesheim |
| haurik, brutaal schepsel |
| heften, openschuiven (bron 16: hiften) |
| heil: het -, de kerk |
| heim, huis (zie bron 32: ham) |
| heitjesprent, biljet van 25 gulden |
| heitjestippelarij, kwartjesvinderij |
| herberg, kerk in de herberg zie je hem nooit |
| herenlogement, huis van correctie |
| Herman: Ome -, 11 cent |
| heupzwaai: op de - nemen, bedriegen, erin laten lopen |
| hiepensmid, schoenmaker |
| hiero-daro, hierzo-daarzo hij tippelde naar hiero -daro en knijsde op een val ‘loerde op een gelegenheid’ |
| hillig, slecht, ellendig |
| himmeren, hopen (m.i. h = k) |
| hintemalochem, Jood |
| Hoek, Joden Houttuinen, Uilenburg, Rapenburg in Amsterdam; meer bepaald: Oude Schans |
| hoepla, werptent |
| hoeter, mes (lees koeter) |
| Hoge School, gevangenis te Leeuwarden |
| hokie-pokie, ijskarretje |
| hokkebaas, brandstoffenhandelaar |
| hommelen, lopen, op roof uitgaan |
| hompelaar, stumper |
| hooggaan, gevangen genomen worden |
| hoogopstapelaar, chantageman; schrijver van hartontroerende brieven; ook spottend van iemand die weinig verdient (bron 32: hoogstapelaar) |
| hoogschuifster, trotse meid |
| hoornlezer, huis en erf |
| horenkrens, rundvlees (bron 1, cliché 1: creu) |
| hort: de - op, de baan op de nieses willen de hort op |
| hortbonk, paardevlees |
| hotel bajes, gevangenis (lees kotel bajes) |
| hourik(te), slecht wijf |
| houten, benen de houten nemen ‘ervandoor gaan’ |
| houten mantel, doodkist |
| houtert, bos; ook ‘tak’ |
| huften, pochen, opscheppen, branie maken |
| hufter, braniemaker; ook ‘homoseksueel’ |
| huplameko, klap, opstopper |
| huppelolie, sterkedrank |
| hijbe en lijge, hebben en houden |
| hijsen, drinken; ook ‘klaarkrijgen’ dat hijs je niet |
| ibbel, onpasselijk, verdrietig maak me niet ibbel |
| iepekriet, klein, driftig, kwaadaardig vrouwtje |
| ingesneden zijn op iemand, dol op iemand zijn |
| ippes, fijn, lekker, goed, lief (bron 16, 32, 49: immes) of 't ippes was; dat bikkesement ‘eten’ was ippes |
| iskedidder, nietsnut, sta-in-de-weg wat moet je met zo'n iskedidder aanvangen? |
| Jan: ome -, bank van lening; kouwe -, jenever; rooie -, rode wijn; witte -, witte wijn |
| Jan Evert, jenever Jan Evert was er ook bij ‘ze waren onder invloed van sterkedrank’ |
| janker, harmonica |
| janus, in orde 't is janus |
| jatschoren, gestolen goed |
| jedemde, ogen (zie bron 11: jedemme) |
| jeiling, herrie, geschreeuw, lawaai (bron 16, 32: jeile) |
| jeled, kind, kleuter |
| jepper, jenever |
| jerik aan de palmpjes, steelzucht hij lijdt aan jerik aan de palmpjes |
| jobbe, argeloze |
| jobbe groen, onnozele hals |
| jobber, dagloon |
| jodenchocola, koffie met kaneel |
| jod me soof, duizend gulden |
| jokep, verf, teer |
| jold zijn, in aanmerking komen om bestolen te worden |
| jompen, in het water gooien of laten vallen eerst werd de vrijer gevoerd ‘meegetroond’, dan beroofd en afgelooid ‘afgeranseld’ en eindelijk in 't water gejompt |
| jood, vijf (zie woordregister s.v. joed) |
| Joodje: een - hebben, mal, niet wijs zijn |
| joosjer hebben, gelijk hebben |
| jopper, jongen van de vlakte |
| jore: bij mijn -, bij mijn leven; ook ‘buit’ een immese ‘prachtige’ jore |
| Judas, helper van een valse speler die seinen stiekt ‘tekens geeft’ |
| Juffrouw Wijdmond: naar - gaan, zich verdrinken |
| juter, halve gulden |
| juto, agent van politie |
| jutter, instrument voor het forceren van deursloten |
| Jijzele, Jezus Jijzele, de russen! ‘stillen’ |
| kaai, een pruim tabak |
| kaasjager, agent van politie; ook ‘groot mes’ |
| kabielesement, smoesje (bron 9: kabeelen) |
| kadaverbak, lijkwagen van de gemeente |
| kadet, achterste |
| kakie, gulden |
| kaleboes, gevangenis |
| kalkhoofd, kletskop |
| kallesansie, proces-verbaal, bekeuring |
| kamertjesklant, iemand die door het hokken op een kamer (in een andere dan zijn woonbuurt) aan het zoeken van de politie hoopt te ontkomen |
| kams, dronken |
| kan, hals |
| kap-ém, maak dat je wegkomt |
| kap nou, hou op, maak dat je wegkomt |
| kapsmaken, losmaken nog een klein partijtje, wie maakt mij kaps? |
| karaaf, brief (lees kasaaf; bron 16, 32: cassaaf, kassavie.) |
| karpertje, lichtekooi |
| kasie, politieagent |
| katje geven, een, beschuldigen |
| katoenstamper, onbehouwen, onbeholpen mens; lomperd |
| kattemepper, iemand die katten vangt en doodslaat om de huid |
| katten, gekocht goed terugbrengen |
| kaufert, hoed (bron 16: kovet) |
| kauwen, roken |
| keer me goffie, ik kom in vrijheid (bron 16: goffey) |
| keischopper, zakkenroller (bron 20: kieschopper) |
| keitijf, niets waard |
| keiwer, grap in de keiwer trappen ‘in de mal gooien’ |
| kekelbek, babbelaarster, ruziezoekster |
| keravie, papiergeld Steunde er veel keravie in de platvink? - ‘Zat er veel papiergeld in de portefeuille?’ |
| keren, wisselen is dat kassavie ‘bankbiljet’ al gekeerd? |
| kering, eigen geld |
| keris, wijn |
| keruak, dorpeling; ook ‘lastpost’ |
| kesie, pruim tabak; ook ‘dunne bros’ (!) |
| kesjeris, voorkomen, aanzien, gezicht |
| keskedie, billen, achterwerk |
| ket, paard, hit |
| keveren, slapen, dutten |
| keware bergen (maken), begraven (bron 16: kewoere) |
| kezen, geslachtsgemeenschap hebben |
| kiedewiet, dwaas, mal, gek |
| kiekeboe, huis van bewaring |
| kieken, leeghalen een kattebak ‘winkella’ kieken |
| kienvijler, iemand die sleutels maakt of bijwerkt |
| kiepelen, zich ontlasten |
| kiepelton, privaat |
| kiksmorig, onbevreesd hij ging er kiksmorig op af |
| Kille Kobus, de dood |
| kilt, herrie, drukte |
| kissebis, borrel |
| kitselen, smokkelen |
| klak, agent van politie stille klak ‘rechercheur’ |
| klakkebos, revolver |
| klammer, hand |
| klassineren, redeneren, zeuren, tegenspreken |
| klawieterik, vogel |
| kledder, niets, mis; ook uitroep wanneer iemand iets laat vallen kledder hoor ‘niets hoor’ |
| kleefs, zilveren (zie woordregister s.v. kleis) |
| kleis, melk |
| kleppie, pet |
| klerenp(r)ik, kleermaker |
| klets-klets: van de - zijn, homoseksuele geneigdheden hebben |
| kletsmetiek, hoofdzeer |
| kleuter, leugen bedompte kleuter ‘valse leugen’ |
| klieme, correctioneel klieme gesjeft |
| klimmende ridders, dieven die geluk hebben |
| klissebissen, harrewarren, zeuren die wijven moeten altijd wat hebben te klissebissen |
| klomones, gereedschap (zie woordregister s.v. klamones) |
| klompenmarkt: op de - zijn, over de 30 jaar zijn |
| kluitje, borrel |
| kluiveduiker, schooier, kruimeldief |
| kluiver, hand hij had de paternosters ‘boeien’ om de kluivers |
| Knachmokum, Brunswijk |
| knappen, stelen |
| knas, boete (bron 16: knars ‘vonnis’) |
| hij kreeg een flinke knas |
| kneu, kneutje, wijfje, vrouw, snolletje een aardig kneu; zijn kneu sappelt voor hem; een kooitje voor een kneu; een oude kneu |
| knie: blote -, kaal hoofd |
| knik,405* nek, hals |
| knipperdolletje, beschuitje |
| knodder, varken |
| knoers, eind een knoersie hout ‘een stok’ |
| knoerst: ergens een - om lachen, zich een bult lachen |
| knoesper, knoop |
| knoestmaaier, grasmaaier (bron 5: knoet maajer) |
| knoezen, vechten |
| knokbaas, iemand die gestolen geld en goed, tegen percenten, voorlopig in bewaring neemt; heler |
| knoop: grote -, rijksdaalder; kleine -, gulden |
| knopsmeris, brigadier van politie |
| knijkem, kijk eens uit |
| knijpen, afkijken; ook ‘bang zijn’ |
| knijp zitten, gevangen zitten; in het nauw zitten; geen geld hebben |
| kochel, hoerenwaard |
| koek, brigadier |
| koeken, kijken, zien |
| kofert, hoed (zie woordregister s.v. kovet, kowert) |
| kogeltje bruis, flesje spuitwater of gazeuse limonade |
| kokkement, praatje |
| koler, trein (bron 32: kooler) pleite gaan met de koler ‘er met de trein vandoor gaan’; de zwarte koler ‘de dood’ |
| kontje: een - geven, iemand helpen bij het inklimmen door zijn achterwerk te steunen; ook fig.: ‘iemand bijstaan, helpen’ |
| kooljannen, goedkope vis |
| koortsvrij, hij loopt niet in de gaten; niet -, dronken |
| kootsen, rijke man |
| kop en kont, of kop en staart, 66 (bedoeld 69?) |
| koper pesten, het, de politie plagen |
| koperlap, politieagent; ook ‘cent’ |
| koperrood, kopergeld |
| koperstuk, agent van politie |
| koppenteller, officier van justitie |
| kopstuk, gulden |
| kornet, pet |
| kotone, levenslang |
| kotser, verklikker, veelprater |
| koud, gevaarlijk 't is er me te koud |
| koud zitten, op water en brood zitten |
| koue koffie, jenever |
| koug, kracht (bron 32: khoug) |
| kouteren, weigeren te bekennen |
| koutsjou, slangenmens |
| Kouwe Jan, jenever |
| kover, overdrijven, opschepperij |
| krabbedooien, handelen, twisten (bron 16, 20: krabbedaaien) |
| krakenzetter, inbreker |
| kranensmid, dokter voor venerische ziekten |
| krankiel, kalm hij ging krankiel met de adjes ‘agenten’ mee |
| kras, baas de kras van de kit |
| krauteren, ontsnappen |
| kreng, pasgeboren kind (bron 32, 42: kren) |
| krengen, baren, bevallen; ook kreunen |
| krent, klein persoon |
| krienflikker, zilversmid |
| krikkemik, oud huis met veel kleine vertrekken, trappen en gangetjes |
| kroon, twee gulden |
| kroosjes: om - gaan, verdrinken; ook ‘sterven’ in het algemeen |
| kroten: in de - zijn, dronken zijn |
| krotjeritserik, krotjesrommel |
| krottig, kaal, arm |
| kruik, hoofd |
| krupsie, ruzie krupsie maken ‘ruzie, herrie maken’ |
| krijtschijter, bangbroek |
| kuitentikker, lange jas, overjas |
| kukel, kip |
| kwieskwas, losbol |
| kwijlebabbel, naarling |
| kwijlpot, oude vent |
| kijk hebben, kans hebben hij dacht kijk te hebben op dat niese |
| ladder oplopen, de, zich hevig kwaad maken |
| lam, cliënt van een advocaat |
| lampte, geleerde (bron 8 als ‘onraad’) |
| lancet, scherpe dolk |
| lange vijf, hand |
| latjesbrug: over de - gaan, naar het gekkenhuis gebracht worden |
| lazarushoofd, zeer hoofd |
| lazerbol, lazerhond, lazerstraal, lammeling, beroerde vent |
| lebabber, opstopper |
| leegpooien, leegdrinken |
| lelijke trekken, de, doodgaan |
| Lepel: Hotel de Houten -, gevangenis; de lange -, bank van lening |
| Lerwisch Mokum, Mainz; ook Miaumokum |
| leukie, lachje, glimlach |
| levensnaam, valse naam |
| lezer, boek een kriemse lezer ‘boek met zilverbeslag’ |
| lieremannetje, delirium tremens |
| linken en lensen, kijken en loeren |
| lint: gemot -, kant |
| lintje: een rood -, een snee over 't gelaat |
| lobben: in zijn - zijn, in zijn schik zijn |
| loensen, speuren |
| loerie, chocola |
| loevertangetje, halve cent (bron 32: loebertangetje, loefie) |
| logeren: uit - zijn, gevangenzitten |
| lommerd spiese, bank van lening |
| loochemen, werken (zie woordregister s.v. malochemen) |
| looie, geld (zie woordregister s.v. lovie) |
| loopjatten, benen |
| lorumaar, zwendelaar, bedrieger |
| losbranden, loskrijgen je moet van hem een meier zien los te branden |
| lowie (Louis), souteneur |
| lubbert, sul |
| luie knaap, een, een kwaadwillige |
| luiken, kijken (zie woordregister s.v. loek(s)en) |
| luikje: 't stille -, woeker |
| luis, agent van politie deis je een luis! |
| lurving nemen, de, van de gelegenheid gebruik maken |
| lijge, houden hijge en lijge ‘hebben en houden’ |
| lijkstatie, oude versleten vrouw |
| lijmelaar, geestelijke |
| maaien, hard lopen |
| maandagmorgen, 44 |
| mafknar, slaapkop |
| magere, 21 |
| majembak, waterplaats |
| makero, pooier (ook makro) |
| makkie: 't is geen -, 't gaat niet gemakkelijk |
| makreel, pooier |
| mamzerhoofd, treiterkop |
| mamzerte, venijnig wijf, kreng |
| mannekuil, bed |
| mansemaker, geldophaler bij straatmuzikanten |
| manser, meeloper die het geld ophaalt, bv. bij een draaiorgel |
| marane, horloge |
| marie, geld |
| marie bij zich hebben; is marie bij je?; hij is groot met marie; hij staat goed met marie ‘hij heeft veel geld’ |
| marretjesspiese, moedershuis |
| massone (lees massome), geld, loon |
| mat: iemand op de - trekken, iemand doodslaan van de mat vallen ‘sterven’; op de mat ‘op de keien’ |
| matser, knoeier, bedrieger |
| meefokker, genoot, gezel (zie woordregister s.v. fokken) |
| mei: de eerste mei, God; ook ‘honderd’ |
| mehamme, blij |
| mékef, goed |
| mékof, cachot (bron 15, 16: nekof ‘gevangenis’) |
| meleikete, oud kreng |
| meleg, zout |
| meligerd, stakker olmse meligerd ‘aftandse stakker’ |
| memmele, ook mimmele, moeder; ook ‘lefbek’ |
| menoega, rust |
| menotten, handboeien |
| mergpijpje, rol katoen |
| merk bijten, een, iets goed opnemen om te herkennen |
| merrie, vrouw hij heeft een trap van een merrie gehad ‘is venerisch’ |
| mesk, klein kind |
| Miaumokum, Mainz |
| middenkruis, sleutel met kruis aan de overlangse insnede in de baard |
| mienerik, gluiper |
| mierenslikker, iemand die niet over kleinigheden heen komt |
| mieres, gek, dwaas |
| miers, 44 |
| miese, kleingeld; ook ‘de dood’ |
| miesgasserig, vuil, gemeen, inhalig |
| mieskwal, flauwerd, lafaard, stuk ongeluk |
| miezemietes pezen, de, zich een ongeluk werken |
| mitswe, eerbewijs |
| Moeder Jans, opkoopster |
| moelemaken, praten |
| moelemaker, prater, zwetser |
| moem, geld (bron 32: molm) |
| moffelen: iemand -, doodmaken |
| Moffenkoffie, koffie met kaneel |
| Moffenspel, 66 |
| mokkemond, iemand met ingevallen lippen |
| mokumgeiher, reizende venter; ook mokumloper |
| mokumzak, zak voor de waren van een reizende koopman |
| mol, vrouw (dienstmeisje) die de nodige inlichtingen geeft voor diefstal of inbraak |
| molmboer, rijke vent (zie woordregister s.v. molm) |
| Moord- en brandbuurt, Spaarndammerstraat en omgeving te Amsterdam |
| moppen, geld |
| morgenster, iemand die 's morgens vroeg langs de straat in het afval iets van zijn gading zoekt |
| morojem: in de - hebben, in de gaten hebben |
| mortepaaien, optuigen |
| mortje zijn, dood zijn |
| mosselen, rollen, stelen |
| mosterdjongen, herenknecht, huisknecht |
| mouwverdraaier, weerspannige, opposant |
| mozeren, zeggen, vertellen smakkies mozeren ‘ongestoord praten, veilig overleggen’ |
| muizen: 't werd -, 't werd mis |
| murw maken, tot bekennen brengen |
| muziek, jenever; ook ‘geld’ |
| muzikanten: daar zijn de -, daar is het geld |
| naai, gewiekst, bijdehand |
| naaischool, huis met meisjes; bordeel |
| nachas, genot, plezier |
| nachtbidder, bedelaar die 's avonds langs de huizen gaat |
| nachtmutsje, fles drank die mee naar de slaapplaats genomen wordt |
| nachtuil, nachtwaker |
| nafkebajes, verdacht huis |
| nagelaar, valsaard |
| nakkedikker, armoedzaaier |
| napschoren, waardeloos goed, rommel (zie woordregister s.v. nepschoren) napschoren slaan ‘waardeloos goed stelen’ |
| narris(ch)kat, gekheid, onzin |
| nastoot: pezen op -, chantage plegen of vuile zaakjes opknappen |
| nebbis(ch), niets, mis |
| nebob, baasspeler |
| neep: hou -, hou vast |
| neer, licht (zie woordregister s.v. neris) |
| neerblikkeren, neerslaan |
| neet: een rare -, een raar kind, vent of meid |
| nefis(ch), lichaam (bron 48, 49: nefe(r)s) |
| negerzweet, koffie een bak negerzweet |
| nepvaart, afzetterij hij leeft van de nepvaart |
| nestschijter, iemand die zijn eigen familie te schande maakt |
| neten: hij heeft rare - in zijn knar (op zijn kop), hij heeft vreemde streken |
| neuriën: eten |
| ne were, jammer |
| ngajin, zeventig |
| nieris, nar, grappenmaker |
| nieuwsgierige, de, rechter van instructie |
| nikkellap, stuiver |
| nobel gajes, dievenvolk, berovers, souteneurs, oplichters; ook ‘gesnapt’: hij is nobel |
| noordsingel: op de - zitten, in de gevangenis zitten De gevangenis staat in Rotterdam op de Noordsingel. |
| nootsum, onwetende, snotneus, groentje |
| nop, moed hij heeft nop |
| nosselaar, valsspeler |
| Nijegas, Zwaneburgerstraat (in Amsterdam) |
| ochgenebbis(ch), genebbis(ch), nebbis(ch), och arme |
| okkies, gebrande duivebonen |
| oksine, borrel |
| olemesjolem, gaan sterven |
| Ome Gerrit, pastoor |
| Ome Herman, 11 cent |
| omkleunen, bekennen |
| omsof, dood omsof steken |
| omsteken: laten -, abortus provocatus laten plegen |
| onderslaan, onderzoeken |
| onke, alleen met z'n onke ‘in zijn eentje’; onke daai ‘de overgeblevene’ |
| onmasselig, ongelukkig |
| oorblazer, ophitser, aanstoker |
| oortjes, taptemelk |
| opgever, iemand die inbrekers inlicht |
| opknijzen, opkijken |
| opredderen, oplichten, bedriegen |
| opsluiten, klaplopen |
| opsteken, verdienen |
| opsteker, mes |
| opstoot, dadelijk |
| oser, neen |
| otelemotel, van zinnen iemand otelemotel smoezen ‘iemand met zijn smoesjes bepraten’ |
| oude snik, oude klare |
| ouwe jongen, volleerde dief |
| ouwe sjefter, iemand die lang in de gevangenis zit (zat) |
| overgewinterd, slim, geslepen, leep |
| overschep, een tweede portie eten (in de gevangenis) |
| paaltje, stuk roggebrood (in de gevangenis) |
| pafferia, revolvers, schiettuig |
| pagud, bang |
| pakeet, oplichterstruc met goederen |
| pandje, 70 cent |
| pandjesbaas, de baas uit de lommerd |
| pante, een geschikt iemand om beroofd te worden |
| Pantin, Parijs |
| pap: iemand - laten eten, iemand zo slaan dat hij naar het ziekenhuis moet, waar hij pap krijgt |
| pappen, zuipen, drinken |
| parsapant, ellendeling, ophitser |
| parser, opkoper (lees passer, vgl. bron 16) |
| passagierder, uitgaander, zwierbol |
| passavie, vel papier (lees kassavie) |
| patjore, druiloor, zeurkous |
| patteren, praten |
| peesklapper, roofhol |
| peieren, doodgaan, sterven; ook peigeren |
| pekaanslag, diefstal |
| pensenaris, iemand die afval van geslacht verkoopt |
| perelaar, paraplu |
| peren, drinken, zuipen |
| pestponem, onaangenaam gezicht |
| pet, sleutel |
| petatter, stoot, opstopper |
| petteg, gek, krankzinnig |
| petroleum, jenever |
| peunen, werken, sloven |
| peuten, klappen uitdelen er op peuten |
| peuzeltje, borrel van een peuzeltje ga ik niet omliggen |
| piano: op de - gezet worden, in verhoor genomen worden |
| pianospelen, het zetten van de vingers voor het maken van afdrukken |
| piekgis, bijdehand |
| piel: te -, gesnapt, gevangen hij is te piel |
| piep kas hodi, zwanger (bron 40: piep kas trodi machen) |
| piepel, mannelijk geslachtsdeel |
| pierekwakkus: naar de - gaan, sterven |
| pierelemortes, dood hij is pierelemortes |
| pieremert, straatmuzikant |
| pies, winst |
| pietermannetje, klein mes |
| pietje, 32½ cent; ook ‘luis’ en ‘één’ |
| pietje-peetje, soort kaartspel pietje -peetje spelen op de daaien |
| pikanier, iemand die bij de tussenhandel grote hoeveelheden fruit (vis) koopt om deze weer met goede winst aan de venters te verkopen |
| pikkeneren, benijden |
| pikketanus, borrel |
| pikvaren, op roof uitgaan |
| ping-pong, geld waar blijf je met de ping -pong? |
| pis zijn, verloren, kwijt zijn; ook ‘weg zijn’ hij is pis |
| pisang, mannelijk geslachtsdeel hij is de pisang ‘hij is erbij; hij legt het loodje’ |
| pisankoor, drinken |
| pisekor, dronken |
| pistole, de grote wereld op pistole zitten ‘uit eigen kas in de gevangenis geheel of gedeeltelijk in zijn voedsel voorzien’ |
| pitten, ervandoor gaan; ook ‘geld’ hij heeft hem gepit; waar zijn de pitten? |
| plakzegel, zoen |
| platte pen, slapen onder de blote hemel |
| platvis, minderjarig meisje |
| platzanger, straatzanger die zich door bleek kind of sjofele vrouw laat begeleiden, om zo het medelijden op te wekken |
| plegiskop, pestkop, treiteraar |
| plompbuizer, (water)emmer |
| poelt, mep, opstopper |
| poepie, aantal, menigte, hoeveelheid |
| Polder, vroegere Zandstraatomgeving te Rotterdam |
| poorterboekje, gevangenisreglement |
| poser, vlees (algemeen boser) |
| positie, stand waarin de toetsers het slachtoffer weten te plaatsen die het gunstigst is voor de marwieger |
| postzegel, gezicht |
| poten, begraven; ook ‘zich opstellen, meestal verdekt, om iemand of
iets te bespieden’ uit poten ‘begraven’ gaan |
| potje, slachtoffer |
| potkacheltje, donker uitziend vrouwtje |
| povier, staalboor (zie woordregister s.v. pooier) |
| praatflemoes, veelprater |
| prauwel, oublie, nieuwjaarskoek |
| prestiemaker, woordvoerder bij straatacrobaten |
| principaal, principale hechtenis: die moet uitgezeten worden en men niet met boete kan afkopen |
| prinsemarijlot, politieagent |
| proesdag, slechte, mislukte dag |
| proluik, poen, opschepper, gemenerd (lees prolurk) |
| puis, grap |
| rabat, oud huis |
| raket, tralies van een gevangenis |
| rambam, verwensing krijg de rambam |
| raspel, vijl |
| rastekweir, rijke vreemdeling |
| rausjen, roven, stelen |
| reep, mond |
| reetsemen, stelen (bron 32: mareedsemen) |
| reipen, stelen |
| reiziger, woonwagenbewoner |
| rem: vijf -, vijf cent |
| renons houden, schuilhouden hou jij je maar een poosje renons |
| renpaard, vrouw die werkt voor een souteneur |
| rettet, privaat |
| reutel: op de - halen, op de lat halen; borgen |
| rikketik gaan, telegraferen 't gaat rikketik en je bent geknipt |
| ringpen, ringvinger |
| risches maken, aanstoot geven |
| rit(aan)nemen, de, ervandoor gaan |
| ritserik, rommel wat een ritserik is 't me daar |
| robbeklopper, goeierd |
| robbekollig, grillig dat niese is zo robbekollig, dat je d'r geen snars op an kunt |
| rode, cent |
| rode lamp, meidenhuis, bordeel bij de rode lamp zitten ‘prostitutie uitoefenen’ |
| roeien, stelen |
| roeivereniging: van de - zijn, tot het dievengilde behoren |
| rokmannetje, gulden |
| rokzak, vrouw, meisje |
| rommelpot, motorfiets |
| rond, honderd |
| ronde jongen, een flinke vent |
| rood licht, onraad |
| roofkit, roofhol |
| rooie baai, rode wijn |
| rooie dorp, gevangenis |
| rooie huzaren, wandluizen |
| rot, horloge rot met staart ‘horloge met ketting’ (bron 20: rat met een staart) |
| rotser, iemand die nergens voor deugt; kwajongen |
| rotterum, stille agent |
| rugknoest, ruggengraat |
| ruigpoot, homoseksueel |
| russios, politieagent; ook ‘rechercheur’ |
| rijkshotel, gevangenis |
| sabber, lichte inbraak (bron 16: sabberen ‘inbreken’) |
| sadé, negentig |
| sahaggeles, opzettelijk |
| sardineren, het openscheuren van een brandkast |
| saskerlap, dronkaard |
| sas-sis, cocaïne |
| sauger, pijp; ook ‘koopman’ (bron 16: sanger; vgl. souger) |
| sawie hebben, ergens verstand van hebben |
| schaailoos lopen, niets te doen hebben, zonder geld, niets té verzuimen hebben |
| schaar, zekere handgreep bij het zakkenrollen |
| schaduw, gevangenis in de schaduw zitten ‘gevangen zitten’ |
| scharn, mest |
| scheefhalzen, de nek omdraaien |
| schervenspeler, iemand die gestolen goed koopt (bron 14, 16: sjarfenspieler) |
| Schevoëes,406* Pinksteren (zie woordregister s.v. smoeës) |
| schiddis(ch), huwelijk |
| schilletjes, bovenkleren |
| schmeigelen, vleien, mooipraten |
| schnobel, snater, mond |
| schobbelevink, verschoppeling |
| schobbetje maken, een, spijbelen, een dagje er van tussendoor gaan, een slippertje maken |
| schokkel, drank |
| schoolmeester, slecht soort aardappel, gebruikt voor visaas |
| schoor, eten geef me wat schoor, ik verhip van honger |
| schoremzager,407* leugenaar |
| schots, hoogmoedig |
| schrentelings, marechaussee, politie (bron 23: sjenteling ‘commies’) |
| schrobbelink, verschoppeling |
| schroei, trek, eetlust, honger |
| schroor op, de, de boer op |
| schuine gordijnen, meidenhuis, bordeel |
| schurfie, eendracht |
| schutter, half glas bier |
| schijtertje, dikkerdje op zijn schijtertje zitten ‘op zijn gemak zitten’; ook ‘op de hurken zitten’ |
| schijtvink, bangerd, sul; ook ‘beurs of portefeuille met weinig of geen geld’ hij dacht machtig wat te snappen, maar ving een schijtvink |
| seibelaar, knoeier, bijloper, helper |
| seiges, bokkingmand |
| seis: halve -, halve cent; klein koperen muntstuk (bron 5: seys ‘aalmoes’) |
| sela, dronken |
| selehacheles, expres, met opzet |
| Semei, scheldnaam voor Jood; ook Smei |
| semeien, horen, luisteren |
| seroeang, arm hij nam dat niese bij de seroeang, dat ze piepte (bron 32: zerouang) |
| seroren, geslachtsgemeenschap plegen |
| seweren, stelen; ook ‘benauwd krijgen’ (ook zeferen;
bron 32: zeeferen) hij heeft beis knaken gesewerd; zij begint te seweren ‘wordt bang, krijgt het benauwd’ |
| sipperen, proeven; met kleine teugjes drinken (van een neutje) |
| sjaansen, op avontuur gaan iets sjaansen ‘iets avonturen, wagen’ |
| sjabberaar, inbreker (bron 32: sabberaar) |
| sjabbeslamp, zeven |
| sjalepot, ellendeling, mispunt |
| sjalet, taart |