|
|
|
| |
| | | |
Cryptogram
| | | |
1
Lezing van A.v.S. over Kafka in een bovenzaaltje van het P. hotel. De eerste keer dat ik hem na zijn repatriatie uit Praag ontmoet. Hij is nog nerveuzer geworden. Tijdens de lezing, die hij improviseert, heeft hij zijn gezicht niet in bedwang. Hij brengt het hoofd naar voren, waardoor de nek stijf wordt, spert de ogen open, trekt de wenkbrauwen op, verandert de stand van zijn mond. Eén keer brengt hij zijn mondhoeken uit een omhooggetrokken stand snel in een zo laag mogelijke, waardoor hij zijn toehoorders met een onmiskenbare virtuositeit twee volkomen verschillende gezichten laat zien. Een andere keer wrijft hij met de linkerhand over het rechteroog dat, als het zichtbaar wordt, gesloten is, naar beneden uitgerekt. Gedurende deze vertoning blijft het linkeroog open, gewoon.
Ik vroeg mij af hoeveel er in deze tics aan onbewuste Kafka-imitatie meespeelt. Volgens Janouch sprak Kafka ook zeer sterk met zijn gezicht, zijn wenkbrauwen, ogen en lippen. Bij A. is het verder een drang tot zelfverminking, een onvermogen om het eigen gezicht als een geheel te aanvaarden en te bespelen, een te grote en pijnlijke bewustheid waardoor de werktuiglijkheid is verstoord. Telkens ontglipt hem een onderdeel dat zich op een krampachtige wijze zelfstandig maakt. Diezelfde ongecoördineerdheid is er in zijn spreeken schrijfstijl. Een opstel van hem valt uiteen, opent onmiddellijk talloze wegen, brengt de lezer voetstoots in een doolhof. Vooral vóór de pauze onderbrak A. zijn lezing onophoudelijk met lange tussenpozen van wel tien tot twintig sekonden, waarin hij zijn toehoorders zijn tics voorspeelde. Dikwijls keek hij ons, op de eerste rij, doordringend, vragend, steunzoekend, of flauw en ironisch glimlachend aan. Ik vond die stilten plezierig, omdat zij tegemoet kwamen aan de dromerige gemakzucht waarmee ik lezingen onderga. Opwindend waren zij ook. Iedere pauze kon het einde van de improvisatie en het falen van de spreker betekenen.
Dertig tot veertig mensen in het zaaltje, voor het merendeel meisjes en vrouwen. Een groot dik erg mooi zwart meisje, met geweldige ronde borsten. Bij een dergelijk meisje heeft het overdadige vlees
| | | |
niets afstotends. Integendeel, het verhoogt de aantrekkelijkheid, verdubbelt de begeerte. Het toont aan hoever de idee, die wij ons van vrouwelijke schoonheid maken, gaan kan. Een grensgeval. Wanneer men deze schoonheid eenmaal heeft aanvaard, springen de begeleidende attracties, waarover een slank lichaam in mindere mate beschikt, in het oog: loomheid, verhoogde warmte-uitstraling, dromerigheid van de bewegingen, onloochenbare zichtbaarheid. Zelfs haar blikken lijken weldoorvoed. Forse langzame landelijke blikken, geknipt voor de avond en de nacht. Het uittrekken van haar mantel maakte op mij de indruk van een beginnende ontkleding, die uit respekt voor de goede zeden niet werd voltooid.
Ik dacht voortdurend aan Kafka, zag er iets absurds in dat er lezingen over hem worden gehouden, terwijl hij zijn werk wou laten vernietigen. Bij een passage, die over Kafka's angst voor de muziek handelde, begon op een andere verdieping prompt een piano te jengelen. In het eerst, toen ik met A. alleen was, moest ik erg aan zijn tics wennen. Ik vatte het bektrekken op als een antwoord op wat ik vroeg of zei, een mimische aansporing tot misverstand, omdat ik niet altijd het verband begreep tussen mijn woorden en het optrekken van de wenkbrauwen, de starende blik, het muisachtige spitsen van de lippen. Later werd het mij duidelijk dat het allemaal niets met mij te maken had. De tics waren er zoals het weer er is, en zoals de arme mensen er zijn, zoals Jezus zei.
Ik vroeg R.N. of hij de dichter W.B. kende. Hij had hem, vertelde hij, eens een avond op bezoek gehad en hem daarna met de auto naar zijn hotel gebracht. De volgende ochtend, nadat R. was opgestaan en zich in de badkamer waste, werd hij door B. opgebeld, die hem vroeg of hij soms het lintje van zijn ridderorde had gevonden. R. ging in de huiskamer kijken en vond het lintje onder een stoel. In de loop van de ochtend kwam B. het halen.
S.V. vertelde mij dat de uitgever S. zich in Parijs bij de Unesco aan iemand moest presenteren. Met S. liep hij de stenen trappen van het gebouw aan de avenue Kléber op, toen hij zich herinnerde dat hij iets vergeten had. Hij liep terug naar zijn auto, trok het portier open en bukte zich naar binnen. Even later kwam hij overeind en voegde zich bij S., in zijn knoopsgat de bouton waarin hij zijn drie ridderorden had laten aanbrengen.
Ik zelf bracht eens een bezoek aan G., ten huize van zijn schoon- | | | | zuster. G. zat aan tafel, erg opgewekt, tussen zijn vrouw en schoonzuster in. Ook hij droeg, en familie, op zijn revers de handige knoop met zijn drie ridderorden.
De tweede man van mijn grootmoeder, een beroepssoldaat, kreeg na een aantal jaren ‘trouwe dienst’ een zilveren medaille, die na zijn dood en na de dood van mijn grootmoeder in het bezit van mijn ouders overging. De medaille lag jarenlang in de la van de linnenkast tussen ongedragen sieraden, familiefoto's, kapotte horloges en dokumenten als het trouwboekje van mijn ouders, het huurcontract en de verzekeringspolissen. Als kind nam ik die medaille wel eens in de hand. Ze leek op een groot geldstuk dat niet meer in omloop is, zodat je er niets voor kon kopen.
Uit Parijs E.R. op bezoek, een man van in de veertig, zwart, gebrild en met iets van Engels flegma in een gezet lichaam. Jood, met de Amerikaanse nationaliteit, van gedeeltelijk Turkse afkomst. Spreekt en schrijft op zijn minst vijf, zes talen. Ik bood hem een sigaret aan, maar hij zei dat hij niet rookte. - Ik ben een Platonische opiumschuiver, beweerde hij. Eens in de twee jaar rook ik een pijp opium, een middel om van het roken van tabak af te komen. Een pijp opium is dertig maal zo duur als een pijp tabak.
In Parijs wordt door schrijvers veel hashisch gerookt. De romans van Françoise Sagan waardeerde hij niet erg. Wanneer men tegenwoordig in Parijs een oude man achter een minderjarig meisje ziet aanlopen, dan is het niet een bejaarde kinderverkrachter, maar een uitgever die een nieuwe Françoise Sagan zoekt. De Franse literatuur is bezig uit te drogen, heeft geen jeugdige reserves. R. kent iedereen, sprak over Spender als over ‘Stephen’. Had ook Maurice Sachs gekend en reeds voor de oorlog geprobeerd hem bij Jean Paulhan te introduceren. Paulhan was niet warm gelopen, had trouwens zelf reeds een genie ontdekt: Petitjean. Na de oorlog ontdekte Paulhan weer een genie: Grosjean. Ik hoef mijn anecdotes niet te verzinnen, concludeerde R., de werkelijkheid bezorgt ze mij in overvloed.
R. vertelde mij dat hij geanalyseerd was. De analyse had tien jaar geduurd. Nu was hij ontstellend normaal geworden. Het was niet moeilijk te raden dat normaal voor hem homosexueel betekende. Tegenover mensen als R. voel ik mij niet op mijn gemak. Ik schrik terug voor mijn vermoeden dat hij een snob is, een van die mensen die de literatuur begeleiden zoals een blaffende hond vroeger met een
| | | |
paard meeliep. Tegelijk voel ik vaag dat hij meer is dan een snob, omdat de term snobisme na de oorlog eigenlijk verouderd is. Zelfs het snobisme is niet meer wat het geweest is. Wanneer men nu iemand een snob noemt, doet men niet veel meer dan wat puin wegruimen, waardoor hij te voorschijn komt in een hoogst voorlopige vorm, een beetje naakt ondanks zijn verfijnde gekleedheid. Het gezicht van R. staat melancholiek, wat bijna altijd voor iemand pleit.
|
|
|