Cryptogram


auteur: Adriaan Morriën


bron: Adriaan Morriën, Cryptogram. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1968


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2

Receptie ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van V.E.v.V. Aanvankelijk kwamen wij, nadat wij onze jassen hadden afgegeven, niet verder dan de hal, waar een geweldig gedrang was. Daarachter de ontvangkamer, die met gordijnen werd afgesloten toen er een toespraak moest worden gehouden. J. moesten wij reeds onmiddellijk aan de Sp.n afstaan. Er waren zoveel kennissen, dat wij op weg naar de ontvangkamer reeds bij de eerste passen tot beleefdheid, begroeting en stilstand werden gedoemd. Velen stonden of zaten bij elkaar alsof zij voor iets heel anders dan voor een felicitatie waren gekomen. Sm. klampte mij aan voor een vergadering. Sp. vroeg of ik een Franse roman over het zeemansleven wilde vertalen. Ik verwees hem naar Sm., met wie ik geen drie minuten geleden had gesproken en die mij dus nog vers in het geheugen lag. Wij begroetten J. en A. enz. Mevrouw W., klein en dik, zeilde voorbij, met veel te veel kleren aan en met iets gazigs op, om en aan haar lichaam. In haar kielzog een meisje, kennelijk een dochtertje, een jeugdige reprise met opgestoken vlechtjes, waarvan zij nu en dan met de onerotische vingers van sommige kinderen de aanwezigheid controleerde. Op bijeenkomsten als deze verbruikt men zijn meeste energie met het vermijden van mensen die men niet wil ontmoeten.

In de ontvangkamer werd geklapt. Daarna werden de gordijnen voor de zaalopening weggeschoven en vond er een soort felicitatiedefilé plaats, dat zich in een boog en op schuifelende voeten langs v.V. en zijn vrouw bewoog. Na enig gesol kwam ik naast B. te staan, die mij onmiddellijk om een artikel voor zijn krant vroeg, waarop hij reeds maanden wacht. Wij raakten in een geprikkelde discussie over de honorering van deze artikelen. Hij zei dat hij niet de vrijheid had het honorarium te verhogen. Ik antwoordde dat ik

[p. 11]

bij andere kranten het dubbele kreeg enz. Plotseling brak hij het gesprek af. Dit was niet de juiste plaats en het geschiktste ogenblik om over geldzaken te twisten, vond hij. Even later stonden wij voor v.V. Ik liet B. de voorrang.

Er vormden zich discussiegroepjes: ik zag drie essayisten bij elkaar zitten. J., bleek en met grote ogen, was al vermoeid. De bar was te vol om te benaderen. Daarna werd het vrij snel leger, hoewel sommige gezelschappen het zich gemakkelijk maakten. Hier en daar klonk wat luidruchtigheid van experimentele oorsprong. 's G. sprak mij over de spellingkwestie van de Couperus-uitgave: onjuist dat F. de lieve mevrouw C. op de vooravond van de herdenking een beschuldigende of althans verwijtende brief had geschreven. V., een der ondertekenaars van het protest, bleek tegen honorering bereid uit Couperus voor te dragen. Later sprak ik met K. over het vertalen van opera's. K. spreekt langzaam, bijna slepend en alsof zijn gesproken letterschrift niet meer tot scherpe omtrekken in staat is. Zijn blik komt uit een nevel. Wij zagen R. met de vroegere vrouw van B.; R., hoewel reeds in de zestig, nog altijd jeugdig. Mager lichaam, groot enigszins rood, maar gedistingeerd dichterhoofd. Stijf in zijn bewegingen en met scheve hoofdstand. J. kwam afscheid van ons nemen, omdat hij met vrienden elders ging borrelen. De drank was hem hier te duur.

In de ontvangkamer stonden v.V. en zijn vrouw er als een bruidspaar bij, aan de grond genageld door de huldiging. Zouden zij het laatst opbreken en in wat voor stemming? Misschien moest men hen, verzadigd van eerbetoon, wegdragen. De vorige vrouw van v.V. was niet aanwezig, wel zijn voorvorige. Dat zou wel eens de volgorde bij huldigingen kunnen zijn. De voorvorige, altijd in een blouse van tule waardoor het sproetige bruin van haar huid heenschijnt, liep een beetje eenzaam, maar met onverminderde nieuwsgierigheid rond. H. was er, maar G. niet, omdat v.V. blijkbaar slechts met de helft van dit echtpaar is gebrouilleerd. Er was niemand van de regering, vertelde men. D. sprak mij over zijn Duitse reis. Zijn vrouw lachte voortdurend, omdat zij dat zo goed kan.

 

Hoe vaak is men in staat iemand te huldigen en bereid een huldiging te verdragen of uit te lokken? Een huldiging eens en voor al, in de plaats van inwoning, schijnt niet meer voldoende. Men reist als een acteur het land door en laat zich lof toezwaaien in iedere stad die

[p. 12]

een wethouder voor Kunstzaken heeft. N. vertelde mij over een schrijver die, reeds gehuldigd in Amsterdam, de uitgever B. in Den Haag opbelde en zei: Er is mij ter ore gekomen dat men bezig is een soort bijeenkomst voor te bereiden om mij te huldigen. Niet dat ik daar nu zo erg op gesteld ben, maar als men het toch doet zou ik, om ongelukken te voorkomen, graag willen dat jij daar de organisatie van op je nam. B. verklaarde zich bereid. Hij probeerde te weten te komen welke mensen met de voorbereiding van de huldiging waren begonnen. Het lukte hem niet ze op te sporen. De huldiging vond natuurlijk wel plaats.

 

B. beklaagde zich over zijn betrekking, was liever in zijn vorige beroep gebleven, moet zich nu hoofdzakelijk met geldzaken bezighouden. Zijn vader is sinds enkele jaren verlamd, kleine beroerten, nog goede organen, zodat deze toestand nog lang kan duren. Ik vertelde hem dat ik A. enkele jaren geleden was tegengekomen, bijna aan het eind van de zomer. A. durfde niet naar Zwitserland met vacantie te gaan, omdat zijn vader ieder ogenblik kon sterven en hij dan voor de begrafenis terug moest komen. Ik had hem de raad gegeven zijn vader mee naar Zwitserland te nemen. B. vertelde dat de vader van A. inmiddels gestorven was, niet in de vacantie van zijn zoon. Ik besloot: Dat is het enige wat oude vaders nog voor hun kinderen doen kunnen. Mijn vader is in april gestorven.

Tenslotte spraken wij over onze eigen toekomstige ouderdom, die B. verschrikkelijk, ik belachelijk noemde. Mijn ironische ideaal: bij mijn dochters op een zolderkamertje te mogen wonen en uit een houten nap te eten. Op mijn sterfbed iets te zeggen waardoor zij moeten lachen.