|
|
|
| |
| | | |
Indrukken, herinneringen en gesprekken
| | | |
Herinnering aan Hans Lodeizen
Behalve schrijver was Hans Lodeizen ook ‘de dichter van zijn leven’. In tegenstelling tot zoveel jonge poëten bezat hij het vermogen iemand bezig te houden zonder geleerd, vermoeiend of banaal te zijn. Hij werkte aanstekelijk en ik voor mij gaf mij reeds bij de eerste ontmoeting gewonnen. Hij was, ook in de omgang, vol fantasie, vol van een speelse weemoed. Achteraf heb ik pas begrepen hoeveel spel er in alles van hem was, hoe hij met de zekerheid van een spoedige dood voor ogen zijn vrienden met zijn vrolijkheid om de tuin leidde, niet uit heldhaftigheid maar eerder uit lust tot mystificeren, uit een behoefte om het spel met de ander niet voortijdig te bederven. Maar wat bij zijn leven alleen maar spel leek, werd later grimmige, nee toch ook speelse ernst. Ik herinner mij een van onze laatste ontmoetingen toen hij mij uit de lijnen van mijn hand een lang leven voorspelde en mij zijn eigen hand liet zien, met het teken van een vroege dood. Zijn hand had iets ouwelijks. Zij was grijs en gerimpeld, schilferig hier en daar, als de hand van Carmiggelt. Ook zijn gezicht vertoonde reeds rimpels, veel meer dan het mijne, hoewel ik zoveel ouder was. Hij plaagde mij met mijn ongerimpeldheid die plotseling, zei hij, van de ene dag op de andere in de verschrompeldheid van een overjaarse appel kon overgaan, als bij Dorian Gray. Hij was doodsbang voor de ouderdom, voor de machteloosheid, het gebrek aan controle van oude lichamen. Zijn gezicht was bleek en zelfs zomers scheen die bleekheid door het bruin heen. Hij zat moeilijk stil, was nerveus in zijn bewegingen, wilde altijd opbreken. In gezelschap liep hij van de een naar de ander en dikwijls voor allen uit. Hij droeg zijn haar op Amerikaanse wijze geknipt en hij had flaporen. Hij kleedde zich goed, een beetje sportief en joyeus, met het enigszins onverschillige gemak van iemand die altijd over behoorlijke kleren heeft beschikt.
Uit zijn gedichten kan men opmaken hoe verdrietig en wanhopig hij dikwijls was. Toch had hij plezier in het leven en het liefst had hij het als een feest opgevat, een feest met veel vrienden, maskerades, wandelingen, reizen, maar ook met dagen van luiheid en studie, in bed doorgebracht, met alle soorten muziek, met een menigte fijne gevoe- | | | | lens, met gefantaseer dat tot geen maatschappelijke activiteit leidt. Hij was briljant, met een brille om zichzelfs wil, zonder ambities, behalve die van het ogenblik. Hij zat vol invallen en plannen. Hij verlangde naar Amerika waar hij biologie had gestudeerd, vrienden had gemaakt en voor het eerst echt vrij was geweest. Hij leek op een Amerikaanse student, maar met de nerveuse gevoeligheid van het oude Europa bij de hand. Hij had reeds velerlei mensen ontmoet: filmspelers, regisseurs, zakenlieden, schrijvers, geleerden, miljonnairs, oude verwende vrouwen, jonge onberekenbare meisjes: een lift vol mensen die langzaam van boven naar beneden gaat, vol levens, vol herinneringen, een zware lift vol ellende en plezier, zoals het ergens in zijn gedichten staat. Hij hield van dieren en planten en wist er alles van. Hij had iets ontdekt in de samenleving van de mieren waarover hij een verslag had geschreven en waarvoor hij, als knaap nog, lid van een Brits biologisch genootschap was geworden. Hij leek zelf een beetje op een hond, een wijze fijngevoelige hond die nooit voor een kar is gespannen, maar veel in kamers heeft gezeten, door tuinen is gewandeld, mee op reis genomen, die muziek van Strawinsky heeft aangehoord en heeft gezien hoe mensen plezier vinden in boeken, wijn, mooie toiletten, gesprekken en in het willoze stilzitten. Een hond met meer wijsheid dan zijn meester en met een groter gemak om er afstand van te doen wanneer dat onder andere honden nodig is.
Ik heb hem slechts kort gekend, van het voorjaar 1949 tot aan zijn dood, de afgelopen zomer. Maar het laatste half jaar zag ik hem nauwelijks. Hij overleed in Zwitserland en enkele weken voor zijn dood zond hij mij een ansicht van een Zwitserse boer die op een manslange hoorn de midzomer inblaast; of uitblaast. Over zijn ziekte geen woord. Het was een grap die ik na zijn dood als een terechtwijzing heb opgevat omdat ik hem nog altijd niet geschreven had. Zo gaan al mijn verre vrienden dood, zonder een brief van mij. Op deze wijze, dacht ik, zou ik zelf een vriend willen terechtwijzen en als een goed speler willen scheiden.
Hij herinnerde mij door allerlei reacties aan mijn eigen manier van doen toen ik zo oud was als hij en ik nog de tijd had omdat ik werkeloos was. Ook hij was werkeloos maar op een andere manier. Hij had zijn studie afgebroken en verzette zich tegen een maatschappelijke bezigheid die hij toch als iets onafwendbaars op zich zag afkomen. Hij had de tijd, al was het slechts voor een achtermiddag. Hij bezat nog de jeugdige samenzweerdersneiging en nam een vriend met zich
| | | |
mee in een café, een restaurant, of op zijn kamer, om met hem alleen te zijn zodat hij hem met niemand hoefde te delen. Ik gaf mij aan die drang over en voelde mij weer een beetje jong worden, zonder de last van verplichtingen, maar ook met toegevendheid omdat iedere leeftijd zijn eigen gymnastiek heeft. Op zijn kamer liet hij mij zijn boeken zien, zijn gedichten, keurig getikt en in luxueuse mappen gebonden, enkele reproducties en souvenirs, alsof hij zich alleen maar voor die omgeving verantwoordelijk wilde verklaren en verontschuldiging vroeg voor de andere milieus en situaties waarin hij mij had gebracht.
Wij spraken over uiteenlopende zaken, nooit over politiek, wel over poëzie, op een schertsende toon. Hij bekende dat hij weinig Nederlands had gelezen; van mij geen letter, neem ik aan, omdat wij in het soort vriendschap dat wij onderhielden het lezen van elkaars werk vrijwel hadden overgeslagen. Hij hield van Eluard, van diens oudste bundels, want de latere vond hij slecht. Over Corps mémorable, door Eluard aan zijn tweede vrouw opgedragen, was hij verontwaardigd. Hij zag die publicatie als een bewijs van ontrouw aan Eluards eerste vrouw, van wie hij foto's bezat en die hij adoreerde. Dit gemak waarmee Eluard zo snel van liefde verwisseld was, een dichterlijk gemak mag men wel zeggen, bedierf voor hem het plezier dat hij in de vroegere verzen had gehad.
Hij was buitengewoon gul, met een jeugdige gulheid waarin men zelf nog plezier heeft, die bij hem geen enkele morele of filantropische rechtvaardiging nodig had maar die eerder het karakter droeg van een levenskunst, een sport, een voorliefde voor het gebaar, of het ontbreken daarvan. Verder was die gulheid ook gewoon vriendelijkheid. En tenslotte hield zij verband met persoonlijke levensomstandigheden, was zij een reactie. Hij hield van potverteren, in ieder opzicht. Hij kwam nooit zonder kleine geschenken of verrassingen, nooit zonder een uitnodiging ergens heen te gaan. Ik moest hem meer dan eens beletten mij het geld eenvoudig in de zak te stoppen. De laatste keer dat ik hem zag, lukte dat zelfs niet en toen hij bij het station in Den Haag afscheid van mij nam en met zijn zuster in de auto wegreed, wees hij op de zak van mijn jas. Ik vond er enkele bankbiljetten in en overeenkomstig zijn verlangen, neem ik aan, ben ik met mijn dochtertje in de stad gaan eten. Maar het ware plezier ontbrak mij en mijn dochtertje liep telkens van tafel weg.
Hij was stellig een van de aardigste mensen die ik heb gekend. Hij
| | | |
behoort tot de drie of vier doden die ik werkelijk mis en wier dood mijn wrok tegen het leven en de levenden heeft versterkt.
1950
|
|
|