|
|
|
| |
De stem van C. Buddingh'
Misschien kan ik iets zeggen over Buddingh's stem. Ik kende die stem allang, zolang ik Buddingh' ken, voordat ik zijn stem werkelijk ontdekte, op het tweede gehoor, om zo te zeggen. Het is een zuidhollandse stem, een stem van het platteland, want Dordrecht moet, van Amsterdam uit bezien, tot het platteland gerekend worden. Natuurlijk niet het gewone platteland zoals het zich onveranderlijk, en toch voortdurend bewerkt en doorgroefd, in een soort agrarische of kleinburgerlijke eeuwigheid voor ons uitstrekt, zodra wij een voet buiten de stad, als buiten ons huis, zetten. Een platteland met verleden, en zelfs met geschiedenis, wanneer wij alleen maar aan de Dortse Synode denken, aan de stemmen van hoogmogende en redekavelende heren in toga's en met kanten kragen, waarvan Buddingh's stem blijkbaar niets heeft overgenomen dan de gezuiverde lijzigheid die hij, op een volkomen natuurlijke wijze, als contrast gebruikt voor de humor die bij hem niet van religieuze aard is, maar die in vijftig jaar is ontwikkeld, getraind, gesterkt en gestaald, zonder aan zachtheid en naieveteit te hebben ingeboet. Een stem zonder de boerse of oubollige accenten van het hollandse platteland, gespijsd niet slechts door gesprek en conversatie, of wat daar in ons land voor doorgaat, maar vooral ook door zijn lektuur die hem, in zijn waterige Dordtse uithoek, tot een wereldburger heeft gemaakt, een honkvaste uitvlieger en huiselijke kosmopoliet. Ik ben nooit bij Buddingh' thuis geweest, en als ik niet beter wist zou het mij niet verbazen indien hij in een vuurtoren woonde, al is die voorstelling in strijd met zijn adres in de Bankastraat, een naam die aan de kleinsteedse imitatie van een Indische buurt doet denken. Maar de naam Banka suggereert ook verte, maandenlange scheepsreizen naar Indië, in de Gouden Eeuw, contrasterende plantengroei, specerijen,
| | | |
antipoden, tin en vandaar zelfs de letters van een schrijfmachine. Een lijzige stem, die van Buddingh', slepend, monotoon, nadrukkelijk, luid ook, zodat ik wel eens gedacht heb dat de bezitter ervan misschien hardhorend was, of de hele mensheid voor hardhorend versleet, een gehinnik soms, overstemd door gelach, en nooit zonder de begeleiding van een glimlach, een stem die verwantschap vertoont met dierenstemmen, en niet alleen die van het paard. Ik ontdekte die stem pas werkelijk, op het tweede gehoor dus, enkele jaren geleden toen ik naar het grammofoonplaatje luisterde dat door Querido is uitgegeven en waarop Buddingh', rug aan rug met Lehmann, zijn bewonderaar, enkele van zijn gedichten voordroeg. Ik hoorde ineens Buddingh's tweede stem, de toon van melancholie, het accent van berusting, niet in het zg. onvermijdelijke, maar in het eeuwig veranderlijke, de melancholie van iemand met een blijkbaar onverwoestbaar goed humeur, en de berusting van een man die op verrassingen uit is. Meestal klinkt die stem door de telefoon tot mij en soms weet ik niet wat ik moet antwoorden, omdat ik meer luister naar het geluid zelf dan naar wat mij wordt meegedeeld of gevraagd. En uit die stem rijst Buddingh' dan spoorslags (hoewel met een voor mij raadselachtige traagheid) op, met bril, pijp, doorrookt gebit (en zelfs met vrouw en kinderen op de achtergrond) en met de vriendschap die hij anderen even gemakkelijk toedraagt als hij ze bij hen wekt.
1968
|
|
|