begin  verderprepost



illustratie
Johan Andreas dèr Mouw

[p. 5]

Inleiding

Slechts één jaar lang, van juni 1918 tot juli 1919, is er tussen Johan Andreas dèr Mouw en Frederik van Eeden contact geweest. De toekomstige biograaf van Dèr Mouw zal niettemin langdurig bij dit korte contact moeten stilstaan nu deze uitgave van Dèr Mouws brieven aan Van Eeden de bouwstoffen aandraagt voor een essentieel hoofdstuk in de levensbeschrijving van de schepper van Brahman I en II. Een essentieel hoofdstuk, waar immers Dèr Mouws relatie met Van Eeden zich opmerkelijk snel, want vrijwel van de aanvang af, verdiept heeft tot een vriendschap die in 't bizonder voor Dèr Mouw van verstrekkende betekenis is geweest. Vreemd genoeg kreeg deze vriendschap tot dusver nauwelijks de aandacht waarop ze recht kon doen gelden, ofschoon toch Van Eeden zelf, na het overlijden van Dèr Mouw, publiekelijk had uitgesproken hoezeer hij die vriendschap als weldadig ervaren had: ‘Met geen mensch van mijn leeftijd ben ik zoo snel en zoo innig bevriend geraakt. Wij waren van één bloed, dat voelde hij ook, en ik zal hem zeer missen, arm als ik ben aan literaire vrienden.’1

Het ligt voor de hand zo'n bekentenis te beschouwen als een kostbare en dus zeker niet te veronachtzamen vingerwijzing voor wie leven en werk van Dèr Mouw tot studie-objekt zou kiezen. Afgezien van de - bijkomstige - waarschijnlijkheid dat bij zo iemand Van Eedens vaststelling ‘wij waren van één bloed’ reminiscenties zou kunnen oproepen aan de zevenennegentigste strofe van Adwaita's verzenreeks DAT ben jij, waarin de dichter tot het hagedisje spreekt: ‘Wij zijn van één geslacht: / Die jou heeft voortgebracht, / Heeft mij omhooggedacht,’2 - afgezien van deze waarschijnlijkheid lijkt 't toch een niet te betwijfelen zekerheid dat het wetenschappelijk onderzoek zich uitgedaagd, en vervolgens zich geroepen zou voelen tot een zo nauwkeurig mogelijk verifiëren van Van Eedens mededeling. Slaat men er evenwel het op 11 december 1962 door Mevrouw A.M. Cram-Magré aan de Universiteit van Amsterdam verdedigde proefschrift over Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter3 op na, dan wordt de lezer toch, naast veel voortreffelijks waarvan hij enkel met groot

[p. 6]

profijt kan kennisnemen, geconfronteerd met een in 't oog springende zwakke stee, het onderdeel n.l. waarin Dèr Mouws betrekking met Van Eeden aan de orde komt. Weliswaar ontbreekt in de achter in het boek opgenomen lijst van ‘Beschouwingen over J.A. dèr Mouw’ Van Eedens herdenkingsartikel niet.4 Het wordt zelfs tweemaal geciteerd,5 waarbij dan opvalt dat 't in beide gevallen enkel en alleen gaat om het uitpikken van een krent, te weten een door Van Eeden gegeven aanhaling uit een brief van Dèr Mouw. De koek zelf wordt haast opzichtig versmaad!

Zeker, Van Eedens brieven van 5 en 10 juni 1918 aan respectievelijk Jacob Israël de Haan en aan Dèr Mouw zelf, alsook enige (waaronder niet eerder gepubliceerde) dagboekaantekeningen6 van Van Eeden worden in dit proefschrift voor de eerste maal openbaar gemaakt, maar Dèr Mouws brieven aan Van Eeden van na 10 juni 1918 komen totaal niet aan bod, ofschoon de schrijfster er, blijkens blz. 219 van haar boek, wel mee bekend was! Dat Van Eeden op slag door Dèr Mouws gedichten getroffen werd, schijnt zij op blz. 102 als iets volkomen vanzelfsprekends te beschouwen, al doet zij op blz. 221 wel een poging de aantrekkingskracht van deze poëzie op Van Eeden èn op Verwey te verklaren uit het daarin verenigd zijn van kunst en levensvisie. ‘Van Eeden uitte zijn verrassing uitbundig en voortvarend, Verwey rustig en bezonnen’, aldus Mevrouw Cram, in 't midden latend of zij rust boven uitbundigheid en bezonnenheid boven voortvarendheid verkiest. Hoe die voorkeur ook mag liggen, feit is dat Dèr Mouw aanzienlijk dieper werd aangesproken door het oordeel van Van Eeden dan door dat van Verwey.7 Ook heeft Verwey nadien zich maar eenmaal uitvoerig in 't openbaar over Dèr Mouw uitgelaten; Van Eeden daarentegen tot viermaal toe!

Dat Dèr Mouws uitgesproken waardering voor Van Eeden zonder blikken of blozen wordt weggestopt in een voetnoot,8 is wel bizonder bevreemdend. Deze

[p. 7]

noot luidt: ‘Dat Dèr Mouw bewondering had voor Van Eeden en dus diens oordeel op prijs stelde, blijkt uit een opmerking in 1906: ‘Als er nog wijzen zijn in Europa, dan zijn het menschen als Tolstoi en Van Eeden’.9 Uit de thans gepubliceerde brieven wordt duidelijk dat Dèr Mouws bewondering voor Van Eeden van nog vroeger dateert dan 1906, ja, zich waarschijnlijk al in zijn tweeëntwintigste levensjaar manifesteerde. In vroegere jaren, die dan gesitueerd moeten worden tussen 1885 en 1902, keek Dèr Mouw, telkens als er een nieuwe aflevering van De Nieuwe Gids verscheen, 't eerst uit naar een mogelijke bijdrage van Van Eeden. In De Broeders, die tragedie van splitsing en verdeeldheid, waarin Van Eeden volgens Martinus Nijhoff ‘zijn grootste werk schiep in een duizelende extravagance’,10 had Dèr Mouw vaak gelezen, zoals hij ook vertrouwd was met Van Eedens tragi-komedie IJsbrand. De zang van de Duin-elven, uit Van Eedens Lioba, werd door Dèr Mouw een ‘Kunstwerk, met 'n heel groote K.’ genoemd. In 1919 wist hij zich nog nauwkeurig te herinneren op welk tijdstip hij Lioba voor de eerste maal onder ogen kreeg, en ook dat de lezing van de elfenzang hem toen tot tranen toe bewogen had. Toen hij Van Eeden nog geen half jaar persoonlijk kende, meende hij een ogenblik in De Nachtbruid een mooi motto te hebben gevonden dat hij zou kunnen meegeven aan Brahman. Uiteindelijk gaf hij de voorkeur aan motto's uit de Chândogya-Upanishad en de Brihadâranyaka-Upanishad, alsmede aan een derde motto in de vorm van vijf disticha van Angelus Silesius.11 Alles goed en wel: Van Eeden is dan toch maar de enige tijdgenoot van Dèr Mouw geweest wiens naam even in aanmerking leek te komen om voor altijd met Brahman I en II verbonden te blijven!

Intussen vragen wij ons af of zo'n onderscheiding, ware ze Van Eeden te beurt gevallen, voor zijn eigen besef zou hebben opgewogen tegen Dèr Mouws spontane bekentenis - over Van Eedens brief aan De Haan: ‘Ja, ik herinner me nog, dat ik die brief las. Dat was een van de heerlijkste oogenblikken van m'n

[p. 8]

leven. Ik heb die nacht bijna niet geslapen van geluk. M'n leven lang heb ik, als menschen me kranig vonden, gedacht: Er is iets heel anders in me, dat jullie niet zien.’12 - Men kan er over twisten of Van Eeden wel verstandig deed door terstond na Dèr Mouws overlijden diens confidentie aan de grote klok te hangen. Wie Van Eeden niet mochten, kregen immers aldus, zoals wel vaker, door Van Eeden eigenhandig de stok toegereikt waarmee ze op hem konden losslaan. Van Eeden heeft echter van zijn levensdagen zo vaak - en bovendien zo vaak ten onrechte - in de hoek gezeten waarin de klappen vielen, dat 't aan het nageslacht geen moeite mag kosten om zijn, op 't eerste gezicht mogelijk ietwat ijdel aandoend, vlagvertoon alleen maar te beschouwen als ingegeven door een gepaste trots.

Gepaste trots omdat hij, en híj alleen, Dèr Mouw - hoezeer deze ook innerlijk overtuigd mocht wezen van de waarde van zijn werk - had kunnen bevrijden van de twijfels die hem niettemin bestookten. Hij, Van Eeden, had Dèr Mouw de zo zeer begeerde, volstrekte zekerheid weten te geven. Aan hem, Van Eeden, dankte Dèr Mouw de royale en nadrukkelijke bevestiging van zijn dichterschap. Dat, tussen 1913 en 1918, zijn vrouw en zijn pleegdochter, dat zijn schoonzusje Tine van Hengel-van Enst,13 dat Nico van Regteren Altena,14 dat Victor E. van Vriesland15 en nog enkele andere ingewijden belangstelling, begrip, waardering of bewondering opbrachten voor zijn poëzie, ach, dat was waarlijk alleraardigst, dat was bepaald heel lief en ook bizonder touchant. ‘Un grand talent, mëme quand il n'est pas encore reconnu, provoque nécessairement quelques phénomènes d'admiration.’16 Dèr Mouw kon, aldus Van Vriesland, ‘in zijn laatste periode toen zijn dichterschap alles overheerschte, kinderlijk opgetogen zijn over elke echte en zuivere waardeering, van wie die ook kwam.’17 Maar dit alles had, en hoe kon 't ook anders, ‘de expansiedrang in hem (die) de be-

[p. 9]

kendheid en de erkenning van zijn gedichten vurig wenste’18 toch onbevredigd gelaten.

Erkenning van zijn poëzie, alsook de mogelijkheid om er bekendheid aan te geven - die kwamen eerst Dèr Mouws leven binnen gelijktijdig met Frederik van Eeden. Toen de dichter van Het lied van Schijn en Wezen in de namiddag of in de vallende avond van die eerste juni 1918 uit de trein stapte en zich door de lanen van Bussum Walden-waarts spoedde, was voor Dèr Mouw, zonder dat deze daarvan weet kon hebben, het pleit al geheel in zijn voordeel beslecht. Tussen Amsterdam en Bussum had Van Eeden uit zijn city-bag vier cahiers tevoorschijn gehaald, hem in de loop van de dag meegegeven door Jacob Israël de Haan. Ter hoogte van Weesp moet de verrukking hem deelachtig zijn geworden. Als ‘een ster van de eerste grootte’ had de onbekende dichter van de blauwe cahiers zich toen aan Van Eeden geopenbaard. Die beeldspraak, hoe afgesleten ook, krijgt bij toverslag een fonkelnieuwe inhoud voor wie bedenkt hoe innig vertrouwd Dèr Mouw was met de constellatie van het hemelgewelf. Wanneer Van Eeden, in zijn dagboek, daaraan toevoegt: ‘En het werk verheugde mij. Ik was niet jaloersch’, dan hoeft niemand de naam te laten vallen van een Weense dieptepsycholoog om duidelijk te maken dat Van Eeden 't in werkelijkheid toch wel even moeilijk had gehad. Wat hiervan ook zij, deze jaloezie had bepaald niets uitstaande met een even ordinaire als kwalijke afgunst. Hier manifesteerde zich wat door Julien Green omschreven werd als een ‘jalousie instinctive et parfaitement légitime’:19 hoe heerlijk zou 't zijn, wanneer 't mij, Van Eeden, vergund ware geweest om zelf déze poëzie aldus binnen de sonnet-vorm te hebben kunnen realiseren!

Het wás echter níet aan Van Eeden vergund geworden, maar dit heeft hem volstrekt niet belet om aan Dèr Mouw van harte graag de volle maat te gunnen van zijn geestdriftige bewondering. Wie Van Eedens brief aan Jacob Israël de Haan, van 5 juni 1918, als iets vanzelfsprekends beschouwt, als iets dat eenvoudig lag in de lijn der verwachtingen, doet daarmee Van Eeden schromelijk tekort. Zó enthousiast te schrijven over werk van iemand wiens naam zelfs onbekend was aan Van Eeden, dit zonder enige terughouding te doen en daaraan ook nog meteen de verzekering te verbinden: ‘Ik ben bereid voor dit werk te doen wat ik kan,’ - dát vermag alleen iemand indien hij over kwaliteiten beschikt die minder gemeengoed zijn dan menigeen voetstoots lijkt aan te nemen. Om nogmaals Green te citeren: ‘Que d'hommes sont trop petits pour pouvoir admirer! Cela demande une disposition du coeur, un grand désintéressement et par-dessus tout de la jeunesse, une capacité d'enthousiasme assez rare passé la

[p. 10]

trentaine.’20 En Van Eeden had zijn achtenvijftigste verjaardag al achter de rug!

Nee, Frederik van Eeden is in Dèr Mouws laatste levensjaar het tegendeel geweest van een quantité négligeable. Dat wás hij niet in het stadium, waarin hij alleen maar de poëzie - doch nog niet de dichter daarvan bij name - kende, dat wás hij heel nadrukkelijk zéker niet nadat hij ook in lijfelijke gedaante Dèr Mouws leven was binnengekomen. Niet alleen drong hij bij Dèr Mouw aan op publicatie van diens gedichten, maar hij verschafte hem ook metterdaad de mogelijkheid daartoe. Hij bepleitte niet tevergeefs de wenselijkheid van het kiezen van een pseudoniem, hij adviseerde Dèr Mouw telkens wanneer deze hem daarom vroeg en hij zette zich volijverig in om Dèr Mouw aan een uitgever te helpen in de persoon van W. Versluys. Aldus bevestigde hij voor de zoveelste maal, wat A. Roland Holst tientallen jaren na Van Eedens dood in hem zou prijzen, namelijk dat zijn hulpvaardigheid onvoorwaardelijk kon zijn als het mensen betrof voor wie hij bewondering of maar waardering en vriendschap gevoelde.21 Dat hij zijn huis openstelde voor Dèr Mouw was natuurlijk de gewoonste zaak van de wereld. Maar daarnaast deed hij ook oprechte pogingen om zichzélf open te stellen voor díe gedichten van zijn vriend die in zijn oren als godslasterlijk klonken of die hem indecent toeschenen. Van meet af aan trachtte hij zijn enthousiasme voor Dèr Mouws poëzie op anderen over te brengen, eerst in kleine kring, en na Dèr Mouws overlijden in 't openbaar. Verschillende malen bezocht hij Dèr Mouw in diens woning aan de Laan van Meerdervoort 333 te Den Haag. Huiselijk lief en leed daar lieten hem, niet onberoerd. Toegegeven: ‘on a entre soi et chaque personne le mur d'une langue étrangère’.22 Maar die scheidsmuur hebben Dèr Mouw en Van Eeden in de kortstmogelijke tijd weten te doorbreken. In lange, door beiden als weldadig ervaren, gesprekken vertrouwde Van Eeden zijn vriend, onder meer, allerlei toe over de hem bezighoudende plannen omtrent wat eerst het Wereldhuis en later de Lichtstad zou heten. Tussen en onder dit alles door bleef Van Eeden de ontdekking van en de verrukking over de unieke poëzie van Dèr Mouw ervaren als een van de gewichtigste evenementen in zijn, aan kleurige of meeslepende gebeurtenissen toch reeds overrijke, leven.

[p. 11]

Omdat er helaas slechts één brief van Van Eeden aan Dèr Mouw bewaard is gebleven, kan de waardering van de eerste voor de tweede, behalve uit Van Eedens artikelen en dagboekaantekeningen, slechts langs indirecte weg worden afgelezen uit de door Dèr Mouw aan Van Eeden gerichte en gelukkig niet verloren gegane brieven. Vandaar dat wij wat langer stilstonden bij Van Eeden. De schijnwerper te richten op Van Eedens verre van geringe rol die hij, al was 't maar voor de duur van twaalf maanden, in Dèr Mouws leven heeft mogen, kunnen en willen spelen, - leek ons, om met Willem Kloos te spreken, een daad van eenvoudige rechtvaardigheid.

Wij weten zogoed als ieder ander dat, naast Van Eeden, Victor E. van Vriesland Dèr Mouw met grote toewijding terzijde heeft gestaan, een toewijding die in de jaren 1947-1951 zou excelleren in de bezorging van de monumentale, bij G.A. van Oorschot te Amsterdam verschenen, zesdelige uitgave van Dèr Mouws verzamelde werken. De gerechtvaardigde verwachting dat Van Vriesland, in de verantwoording van die uitgave, Van Eedens onbaatzuchtige bemoeiingen voor de openbaarmaking van Dèr Mouws poëzie met een enkel doch nadrukkelijk waarderend woord zou aanstippen, werd echter geenszins gehonoreerd.23 Mevrouw Cram - in het voetspoor van Van Vriesland? - is evenmin aan die verwachting tegemoet gekomen. Een en ander zou treurig zijn wanneer 't onherstelbaar was. Maar dat is 't gelukkig niet. Nu Dèr Mouws brieven aan Van Eeden voor iedereen toegankelijk zijn, is dit herstel bij voorbaat gewaarborgd. Van Eedens pleitbezorger is immers niemand anders dan Adwaita zelf!

 

De brieven van J.A. dèr Mouw aan Frederik van Eeden, die berusten in de collecties van het Frederik van Eeden-Genootschap te Amsterdam, en de beide brieven van Frederik van Eeden aan respectievelijk J.A. dèr Mouw en Jacob Israël de Haan, die berusten in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, worden in deze uitgave integraal afgedrukt.

Omdat Dèr Mouw doorgaans zijn brieven niet dateerde, en ook geen enkel couvert bewaard bleef, kwamen wij, te meer nu van Van Eedens contra-brieven helaas slechts één brief bewaard bleef, voor niet geringe problemen te staan toen 't er om ging de datering van Dèr Mouws brieven met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen. Gelukkig konden wij daarbij beschikken over het postboek van Frederik van Eeden waarin op de linkerhelft van elke pagina de binnengekomen, op de rechterhelft van elke pagina de uitgaande post geregistreerd werd, zij 't ook dat - zoals ons gebleken is - een en ander niet altijd consequent werd bijgehouden.

Telkens wanneer wij de titel of de beginregel van een gedicht van Dèr Mouw noemen, vermelden wij tussen ronde haken en in Romeinse cijfers het nummer van het cahier waaraan dit gedicht ontleend is. Het nummer achter het, door Dèr Mouw zelf telkens aangebrachte, Romeinse cijfer is het, ook door Dèr Mouw aangebrachte, oorspronkelijke volgnummer. Omdat in het, door Victor E. van

[p. 12]

Vriesland aan het Nederlands Letterkundig Museum overgedragen, Dèr Mouwarchief niet alle gedichten in handschrift aanwezig zijn,24 terwijl in een aantal gevallen op die handschriften het Romeinse cijfer en het volgnummer ontbreken, konden wij bij sommige gedichten geen opgave verstrekken van het cahiernummer en van het volgnummer, tenzij wij beide ontbrekende gegevens met volstrekte zekerheid konden ontlenen aan afzonderlijke aantekeningen daaromtrent door Dèr Mouw zelf. In dit verband is 't toch wel jammer dat in het register op het eerste, tweede en derde deel van de verzamelde werken geen melding is gemaakt van de oorspronkelijke nummering. De doorsnee minnaar van poëzie zou daarin weliswaar geen belang hebben gesteld, maar voor het literair-historisch onderzoek is het zeker relevant te kunnen vaststellen, bij voorbeeld, dat Verzamelde werken I, blz. 7-15 de opeenvolging I 1, I 2, I 3, I 4, I 5, I 58, I 6, I 7 en I 20, of dat blz. 33-42 de opeenvolging III,18, I 22, I 33, I 21A, I 41, III 5, III 6, III 36 en III 39, vertonen.

Omdat in deze uitgave Van Eeden zelf slechts nu en dan aan 't woord komt, leek 't ons even wenselijk als zinvol om te besluiten met een herdruk van zijn ongebundeld gebleven artikelen25 over Dèr Mouw. Het eerste van die artikelen, verschenen op 19 juli 1919, is tevens het allereerste waarin de dichter Dèr Mouw binnen ons taalgebied geïntroduceerd werd, en dat bovendien bij de uitgebreide lezerskring waarop het weekblad De Amsterdammer kon bogen. Het zou echter weldra, in augustus 1919, op indrukwekkende wijze overschaduwd worden door een toen in het tijdschrift De Beweging verschenen, schitterend geschreven, herdenkingsartikel dat, ofschoon sindsdien een halve eeuw verstreken is, niets heeft ingeboet van zijn sublieme zeggingskracht. De schrijver van dáat artikel heette Victor E. van Vriesland.

Harry G.M. Prick.

1Frederik van Eeden, Adwaita (Dr. J.A. dèr Mouw †), in het Weekblad De Amsterdammer, 19 juli 1919.
2Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita), Verzamelde werken. Tweede deel. Brahman II. Amsterdam, 1947, blz. 193.
3J.B. Wolters, Groningen, 1962. De belangrijkste bespreking van dit boek is die door Kees Fens, verschenen, onder de titel Bij de honderdste geboortedag van Johan Andréas dèr Mouw, in het dagblad De Tijd van 27 juli 1963 en herdrukt, onder de titel Nieuwe schepping in nieuwe taal, in: Kees Fens, De eigenzinnigheid van de literatuur. Opstellen en kritieken. Amsterdam, 1964, blz. 65-71. Hiernaast dient vermeld te worden een anonieme bespreking in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 16 februari 1963 (Johan Andreas dèr Mouw als denker en dichter) alsook de bespreking door Michel van Nieuwstadt in Roeping, jrg. 38 (februari- maart 1963), blz. 572-573. In De Nieuwe Taalgids zoekt men tevergeefs naar een bespreking van Mevrouw Crams dissertatie.
4Zoals weer wel ontbreken Van Eedens artikelen over Brahman, door Johannes Andreas dèr Mouw (Adwaita) en over Adwaita's virtuoziteit in het Weekblad De Amsterdammer van respectievelijk 27 augustus en 21 september 1921. Eveneens ontbreken de artikelen door Henri Borel: diens bespreking van Brahman in Het Vaderland van 17 augustus 1919, diens beschouwing over Het Brahman in Dèr Mouw's gedichten in Het Vaderland van 31 augustus 1919 en diens bespreking van Brahman II in Het Vaderland van 7 november 1920.
5Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter, a.w., blz. 103 en blz. 147.
6Ofschoon Mevrouw Cram, evenals wij, de beschikking had zowel over het gepubliceerde dagboek van Van Eeden als over het niet gepubliceerde gedeelte daarvan, liet zij toch van de totaal 25 aantekeningen betreffende Dèr Mouw 16 aantekeningen onvermeld. Bovendien werden de aantekeningen van 6 en 8 juni 1918, 1 juli 1918 en 2 februari 1919 slechts gedeeltelijk afgedrukt.
7Albert Verwey, Johan Andreas dèr Mouw: Brahman, in De Beweging, dl. XV, oktober 1919, blz. 244-250. Herdrukt, eerst in: Albert Verwey, Proza, deel X. Amsterdam, 1923, blz. 222- 229, vervolgens in: Johan Andreas dèr Mouw, Verzamelde werken. Derde deel. Amsterdam, 1951, blz. 125-130. Nooit herdrukt werd Albert Verwey, Dr. J.A. dèr Mouw gestorven 8 juli 1919, in De Beweging, dl. XV, augustus 1919, blz. 65.
8Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter, a.w., blz. 102, noot 1.
9Johan Andreas dèr Mouw, Verzamelde werken. Zesde deel. Verspreide geschriften. Amsterdam, 1949, blz. 226-227: ‘De wijze beredeneert niet: hij ziet en weet. Hij zit voor zijn tent en luistert halfbewust naar verre tweespraak van woestijn en sterren over de grootheid van God, of hij peinst zijn Brahma wakker uit pracht van werelddroom. Hij geeft raad aan zijn volk, want hij voorziet den samenhang van de dingen; hij geeft raad aan zijn jongeren, want hij is oud en heeft alles beleefd, wat een eenvoudig leven oplegt. Maar hij rijdt niet voor zeven en een halven cent in de tram naar een collegezaal, om te smalen op wat niet meeknielt voor het gepersifleerd idool, dat aan de beurt is; hij redigeert ook geen tijdschriften en maakt geen propaganda in wijsgeerige bladen. Het lijkt me dwaasheid, het woord wijze kunstmatig een beteekenis te willen inpersen, waarvoor het geen plaats meer heeft, het slepend kleed uit verre landen in oude tijden over een colbert-costuum te hangen, en achter brilleglazen, symbool van belezen geleerdheid, den grooten, klaren blik van wetenschaplooze intuitie te willen zien. Als er nog wijzen zijn in Europa, dan zijn het menschen als Tolstoi en Van Eeden.’
10In de slotalinea van diens artikel, Frederik van Eeden zestig jaar, in het Nieuws van den Dag, 3 april 1920; herdrukt in Verzameld werk II. Den Haag/Amsterdam, 1961, blz. 37-40.
11Zie over deze motto's en de essentiële betekenis die ze voor Dèr Mouw hadden, de zeer verhelderende beschouwing in Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter, a.w., blz. 134-141.
12Brief van 15 juni 1919, door Van Eeden geciteerd in Adwaita (Dr. J.A. dèr Mouw †), Weekblad De Amsterdammer, 19 juli 1919.
13Zie Dèr Mouws van eind 1917 of begin 1918 daterende brief aan Mevrouw A.R. van Hengelvan Enst, openbaar gemaakt in Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter, a.w., blz. 99-101.
14Zie Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter, a.w., blz. 100.
15In zijn Herinneringen verteld aan Alfred Kossmann. Amsterdam, 1969, blz. 44, merkte Victor E. van Vriesland op: ‘Ik was per slot nog een kind. Daarom vond hij (Dèr Mouw) het zo fijn dat een groot en algemeen erkend litterator als Van Eeden iets in zijn poëzie zag. Dat was zijn naïveteit. Hij had natuurlijk iets kinderlijks, omdat hij niets van de wereld kende en met niemand omging.’
16Marcel Proust, A la recherche du temps perdu I. A l'ombre des jeunes filles en fleurs. Bibliothèque de la Pléiade. Paris, 1968, blz. 826.
17Victor E. van Vriesland. Herdenking van Johan Andreas dèr Mouw, in De Beweging, dl. XV, augustus 1919, blz. 66-74; herdrukt, onder de titel Herdenking, in: J.A. dèr Mouw, Verzamelde werken. Derde deel. Amsterdam, 1951, blz. 89-100; daarna herdrukt, onder de oorspronkelijke titel, in: Victor E. van Vriesland, Onderzoek en vertoog, dl. I. Amsterdam, 1958, blz. 45-53.
18Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter, a.w., blz. 101.
19Julien Green, Journal VI. Le Miroir intérieur (1950-1954). Paris, 1955, blz. 6, Op 27 mei 1950, schrijvend over Dostoiëvsky, vroeg Green zich af: ‘Quel est l'écrivain moderne capable d'écrire de telles choses? Il n'y en a pas un seul. J'ai été bouleversé et je le suis encore. Je comprends très bien que Conrad n'ait jamais voulu lire Dostoiëvsky. Jalousie instinctive et parfaitement légitime.’
20Julien Green, Journal VII. Le bel aujourd'hui (1955-1958). Paris, 1958, blz. 20.
21A. Roland Holst, Frederik van Eeden vrijgesproken, in Maatstaf, jrg. XIV (september 1966), blz. 465-478; het citaat aldaar op blz. 475. Deze persoonlijke herinneringen aan Van Eeden werden, onder de titel Van Eeden vrijgesproken, herdrukt in de Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap XXI (A'dam, november 1966), blz. 3-14; het citaat aldaar op blz. 12.
22Aldus Baron de Charlus zoals Oriane, Duchesse de Guermantes hem citeert in een gesprek met de princesse de Parme; conform Marcel Proust, A la recherche du temps perdu II. Le cêté de Guermantes. Bibliothèque de la Pléiade. Paris, 1969, blz. 522. Blijkens een aantekening op blz. 1166 voegde (in een vroegere, niet door Proust gehandhaafde, versie) de hertogin daaraan nog voor eigen rekening toe: ‘C'est pour cela que la vie est une chose horrible, puisque personne ne peut comprendre personne.’
23Zie ook noot 170 in dit boek.
24Zo wordt daarin o.m. niet aangetroffen het handschrift van 'T is laat al in de nacht. Doodstil is 't huis. (I, 33) en evenmin het handschrift van het overbekende sonnet 'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid. (III, 42 B).
25Geschreven in een eigen spelling. Deze spelling werd door Van Eeden verantwoord in een artikel over Onze schrijfwijze in De Gids, Jrg. 1912 II, blz. 384-388; herdrukt in: Frederik van Eeden, Studies. Zesde reeks. Amsterdam, 1918, blz. 1-7. Bij deze herdruk voegde Van Eeden een noot toe n.a.v. de volgende zinsnede: ‘Mijn streeven is zoo duidelijk moogelijk mij uit te drukken, of anderen mij daarin willen volgen en hoe, dat staat aan hun beleefdheid.’ De noot zelf luidt: ‘Ik wil mij evenwel bereid verklaren mij te onderwerpen aan een voorloopig vastgestelde schrijfwijze, door een van staatsweege benoemde commissie, bestaande uit waarlijk bevoegde personen (1917).’
prepost  begin  verder