terug  begin  verderprepost
[p. 13]

[I]



illustratie

J.A. Dèr Mouw en Frederik van Eeden

[p. 14]

[Dagboek Frederik van Eeden] zondag 2 juni 1918

Jaap de Haan gaf mij1 vier cahiers vol verzen van een onbekend dichter, wiens naam hij niet noemde. Hij was wel bekend als filosoof, niet als dichter.

De verzen troffen mij zeer. Ik las ze in den trein en vond het een ster van de eerste grootte. Ik dacht aan Mannoury.2 Maar die spelt anders. Het handschrift is al merkwaardig. Elke letter staat los. Het is vreemd, fantastisch, vol indische en mathematische wijsheid. Soms al te abstract, maar ook weer zeer plastisch en schitterend en ooveral echt. Het zijn veel sonnetten. Ik dacht niet dat het moogelijk was nu nog zooveel uit dien vorm te halen. En het werk verheugde mij. Ik was niet jaloersch. Het gaf mij rust.

 

Dr. Frederik van Eeden
Walden
Bussum.

1Op zaterdag 1 juni 1918 in De Haans woning, Frans van Mierisstraat 118 te Amsterdam. Dr. A.M. Cram-Magré deelt in haar boek over Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter. Groningen, 1962, blz. 101, mee, dat Dèr Mouws poëzie zes blauwe schriften vulde. Van Eeden kreeg dus terstond meer dan de helft van Dèr Mouws dichterlijke productie onder ogen.
2Gerrit Mannoury (1867-1956), wiskundige en filosoof, auteur van o.m. Signifika. Een inleiding. 's-Gravenhage, 1949 en van de (in samenwerking met L.E.J. Brouwer, Frederik van Eeden, Jac. van Ginneken S.J.) in 1939 bij J. Bijleveld te Utrecht verschenen Signifische dialogen. Het eerste, schriftelijk, contact tussen Van Eeden en Mannoury dateerde reeds van november 1897. Zie ook G. Mannoury, Frederik van Eeden als significus in Mededelingen XV van het Frederik van Eeden-Genootschap (A'dam, mei 1954), blz. 3-9, alsook in Mededelingen XVII (A'dam, mei 1958), blz. 21-26. Aan het artikel in Mededelingen XV is toegevoegd een overzicht van de begripskritische geschriften van Van Eeden.
prepostterug  begin  verder