Beste Joop, ik ben vervuld van die verzen. Toen ik ze in den trein las dacht ik: ‘een ster van de eerste grootte’. Een evenement in de litteratuur.
Misschien is dat te veel gezegd, maar ik ben zeer verlangend met dien dichter kennis te maken.
Ik moest aan Mannoury denken, maar die spelt Kollewijns, en het is toch niet door een ander gecopieerd.
Ik wou je dit schrijven, eer ik weet wie het is. Het is alles echt, van begin, tot eind, en het is zeer bizonder. Er koomen wel heel wonderlijke reegels in, maar ik ben nu geneigd het alles te aanvaarden, en geen aanmerkingen te maken. Iemand die zóó schrijft, moet zelf beoordeelen wat hij doet en wij moeten hem zijn gang laten gaan. Ik ben er heel blij om, zeg hem dat. Ik heb een heel zuiver gevoel van vreugde, dat zulk werk in deezen tijd moogelijk is. Ik dacht niet
dat het nu nog moogelijk was zooveel uit deezen vers-vorm te halen. Wat een wondere tijd is het.
De menschen zullen het soms heel leelijk en mal vinden. Maar dat is juist wat verwacht moet worden. De onbekende Dichter gaat te werk met een vrijheid, een durf, die juist is wat wij Significi3 noodig hebben. Hij sleept alles naar zijn nest, en rijmt allerlei talen en uitdrukkingen aaneen, juist zooals de Grooten van elken tijd gedaan hebben.4
Ik ben bereid voor dit werk te doen wat ik kan. Wil hij publiceeren, dan zal ik zorgen dat hij steeds ruimte vindt in de Amsterdammer.5 Andere ruimte heb ik niet te geeven. Ik ben er zeeker van dat Verwey6 het direct neemt, maar ik zou hem liever zelf introduceeren.
Ik wou dat je hier was om er oover te praten. Ik ben er vol van. Schrijf je mij eens, hieroover?7
Ik begrijp waarachtig niet wie het gedaan kan hebben. Mijn oordeel is dus wel geheel vrij, en het zal hem plezier doen.
Het handschrift is al zoo merkwaardig, met die los staande lettertjes. Ik weet niemand die zoo schrijft. Je moest een paar van die repeteer-heeren8 naar huis stuuren en er wat rijksdaalders aan offeren om met me te koomen praten.
Dag Joop, tot ziens
v.E.