Gisteren haalde ik Dr. der Mouw af van den trein. Ik wilde zien of ik hem zou herkennen naar zijn werk. Ik verwachtte een jonge man, en sprak een verkeerde aan. Toen zag ik een oud, professoraal mannetje37 met een lange grauwe baard en een grijze pet. Ik kreeg een gevoel van teleurstelling. Maar wij spraken al spoedig op intiemen voet. Hij is zeer gevoelig, ook geestig en leevendig. Maar hij is oud en voelt zich oud.38 Hij vreest spoedig te zullen sterven.
Wij praatten veel en de dag vloog om. Het was geen teleurstelling. Maar ik voelde scherp ons verschil. Ik vond mijzelven frisch en sterk in vergelijking met hem. Toch kan hij nu lyrische verzen maken van hooge kwaliteit, terwijl ik in allerlei praktische werksaamheid steek, en weinig dicht.38a Maar ik stelde mij terstond positief op Christelijk standpunt.
Hij spreekt minachtend oover ‘liefde’. Hij erkent alleen bewondering. Daar is zijn zwakte - want wij kunnen dat hooge standpunt voor ons niet handhaven. Wij hebben Jezus te volgen en de liefde. Wat hij teegen mij had zei hij aldus, dat hij het woord ‘weenen’ niet kon uitstaan, eevenmin als de woorden ‘der’ en ‘dewijl’. Die woorden, zei hij, worden niet door de gemeenschap met werkelijkheid gevuld.
Hij sprak met grooten eerbied oover Dr. Hoogvliet, den linguïst.39 Een man die

Eerste publicatie van J.A. dèr Mouw (Adwaita) in het weekblad De Amsterdammer van 22 Juni 1918