terug  begin  verderprepost
[p. 46]

12

Hulde, hulde!98 Zoo'n aktiviteit noem ik grootsch! Ik ben heel blij, dat dat in orde is. Je hebt me hiermee erg veel plezier gedaan. Als ik 't goed begrijp, wil Versluys dus de beide deelen uitgeven: Brahman I vóór December, en Brahman II 'n paar maand later. - Je schrijft, dat ik nu 'n kontrakt moet maken, maar hoe gaat dat? Ik bedoel: moet ik aan Versluys vragen: ‘Wat geeft U er voor?’ Of moet ik zeggen: ‘Ik wil er zóóveel voor hebben’ -? En als ik aan Reiding schrijf (woont die in Amsterdam?), moet ik dan zeggen, wat ik wensch? En wat moet ik wenschen? Of brengt Reiding dat in orde, ook zonder dat ik eenige wensch uit? Maar moet hij dan niet weten, hoe groot et boek, de beide deelen samen, zal worden? - Je vindt dit alles misschien onnoozel van me, maar ik weet heusch niet, hoe zoo'n kontrakt tot stand komt. Je voelt er meer voor, dat ik Reiding. ‘in de arm neem’? Moet ik dan aan Versluys vragen, hem cahier I te sturen, zóó dat hij (Reiding) weet, waarom 't gaat? Ten minste voor 'n derde weet; want 't heele boek, (met wat er bijkomt; ik heb et vers, waaraan ik bezig was, zoowat af) is ongeveer driemaal et eerste cahier. Nee, iets minder misschien. - Je herinnert je, je vond et beter, de meer buitenissige verzen liever in Brahman II te zetten; ook in cahier I staan buitenissigheden; dus cahier I wordt niet Brahman I. Ik zal uitzoeken, wat in Brahman I moet komen. Je zei, dat jij wou advizeeren, nadat ik dat gedaan zou hebben. In zóóver moet jij toch 't exemplaar houden, dat je nu hebt. Maar nu er kans is, zooals je schrijft, dat 't zoek raakt, is 't misschien beter, dat ik 't terug krijg. Ik heb het vorige jaar m'n vakantie besteed - 'n groot deel er van - om 'n kopie te maken van m'n verzen, om dat ik 't een benauwd idee vond, dat er maar één exemplaar van bestond, (met brand bijv.). Dat benauwende komt weer over me, nu ik bedenk, dat één exemplaar misschien weg. raakt. - Zal ik 't dus laten halen bij jou? Dan heb je geen moeite met inpakken. Wil je 't dan klaar leggen? Dan zal ik vragen aan 'n vriend van me, of hij 't wil gaan halen. Maar dan moet ik eerst weten, dat 't klaar ligt, zoo dat hij niet vergeefs komt. - Ja, die vernauwing van de lichtcirkel!99 Ik geloof, dat ik dat ken; hoewel ik niet weet, of bij mij de herinnering er zoo bij betrokken is. - Die knechtjesleer is heel aardig; ik voor mij zou de Hulê100 (je moet vooral de u houden! Ook de Romeinen hebben zeker u gezegd, evenals de Grieken. Ik bedoel de gerekte u, als in natuur; niet de u als in fuut) liever als 'n geestelijke macht opvatten, omdat wat we de ‘werkelijke, stoffelijke dingen’ noemen, toch binnengeestelijke verschijnselen zijn. - Daarover moeten we praten! Je krijgt binnenkort verzen van me. Of nee, je krijgt ze niet! - Lekker!

Dag!

J.A. dèr Mouw

[p. 47]



illustratie
Laan van Meerdervoort te 's-Gravenhage.
Sinds 1906 was Dèr Mouw hier woonachtig op nummer 333


98Blijkens het postboek ontvangen op maandag 5 augustus 1918. De hier cursief gedrukte woorden cahier I en Brahman II, alsook het driemaal voorkomende u zijn in werkelijkheid tweemaal onderstreept.
99Wij hebben niet kunnen achterhalen op welke uiting van Van Eeden Dèr Mouw hier doelt.
100Klaarblijkelijk had Van Eeden Dèr Mouw op 31 juli 1918 (zie noot 95) ook geschreven over een onderwerp waaraan hij op dinsdag 30 juli 1918 aandacht had gewijd in zijn dagboek: ‘Het woord hielè moet in de plaats komen van stof, en lijf. Ons weezen bestaat uit ziel, geest en hielè. De hielè is meer dan wat wij stof noemen, omdat het ook zintuigelijk onwaarneembaars omvat. De hielè is niet natuur, maar levenlooze natuur, voor zoover iets leevenloos kan zijn. De hielè is niet God zelf, maar toch ooveral door zijn wetten beheerscht. Elk atoom van De hielè beweegt naar Gods wet en wil. Dat zijn dus de natuurwetten. De hielè heeft een eigen weezen, geheel en al ondergeschikt aan Brahman, en wordt door Hem onder heerschappij geplaatst van geest en ziel, in ieder individu. Bij het sterven herkrijgt De hielè haar vrijheid. De hielè kan niet scheppen, maar is de substantie waaruit de ziel schept. Dus het niet-ik. Het leeven schept, en voelt zich meer en meer “ik”. Langsamerhand wordt niet-ik tot ik. Dat is dus als een gestadige omzetting van niet-ik tot ik. Als een chemische werking zet zich mensch om tot Brahman. Dit alles is noodig, voor de oneindige vreugde. Aldus onderhoudt Brahman zijn geluk. Hij schiep De hielè, en schept nu daarin het leeven in oneindigheid van vormen.
De ziel is God in ons, volmaakt en oneindig en zalig. De geest is het wapen waarmee de ziel doet worstelen tegen de hielè. De hielè is de aan God onderworpen substantie, die tijdelijk onder beheer van den Geest wordt geplaatst en waaruit het Leeven, het leevende, scheppende, beschouwende individu - Gods nabootsing van eigen weezen - zich tot zijn oerweezen, zijn ziel moet verheffen.’
Vgl. een dagboekaantekening van zondag 1 december 1918: ‘Ik heb de “knechten” in mij gehoorzaamheid opgelegd. Ik wil niet meer ontwijken wat voor mijn huulè misschien niet aangenaam is. Teegen de onnoodige en onwaardige lusten ingaan.’
prepostterug  begin  verder