terug  begin  verderprepost

15

Waarde Vriend!108 - Reyding zal ‘de zaak’ voor mij; in orde brengen. Neen, Adwaita neemt 't niet zoo tragisch op:109 't is iets anders, in hoofdzaak: Wanneer ik 'n daad moet doen, komt er altijd 'n soort verbijstering over me, die lijkt op duizeligheid. Wat de daad is, is vrijwel bijzaak. Als ik bijv. ‘naar de stad’ moet (zoo noemen we 't in de Laan) om, laten we zeggen, vuursteentjes te halen voor m'n benzine-aansteker, dan is er voor m'n gevoel niet zooveel verschil tus-

[p. 53]

schen dìt en ijsberen gaan vangen in Kamschatka;109a het verschil tusschen die twee aktiviteiten is klein, vergeleken met het verschil tusschen 'n daad en m'n daadloos-kontemplatief leven. Heeft nu de daad verschillende kanten (kan ik et zóó doen; en kan ik 't ook ànders doen), dan wordt de toestand bizonder pijnlijk; want er is dan aanleiding voor me, en 'n zekere recht meteen, toe te geven aan m'n neiging om te pikeren; maar pikeren mag ik niet, want ik moet iets doen; de duizeligheid tegenover et doen wordt dan gekompliceerd met et nare gevoel wèl te mogen pikeren en nièt te mogen pikeren. - Dan lijkt 't, alsof ik et geval, de inhoud van de daad, et wàt zoo gewichtig vind; en dat komt er ook natuurlijk bij, maar 't is niet de hoofdzaak. - Ik weet niet, of ik dit duidelijk zeg. - Nu iets anders. Victor van Vriesland raadt me aan, liever later uit te geven, zoo dat er verzen van me gestaan hebben in de verschillende tijdschriften, dan vóór December uit te geven, zonder dat ze in de tijdschriften hebben gestaan. Hij heeft namelijk massa's verzen ingezonden - Ja, dat is óók zoo bizonder onaangenaam, dat ik door mijn niet-kunnen-komen-tot-'n-daad andere menschen et leven lastig maak. Jou heb ik voor allerlei werk ingespannen; nu Victor van Vriesland ook. Ik weet wel, dat jij zelf had aangeboden, me te helpen; ook Victor van Vriesland had me aangeboden, te zorgen voor de inzending aan de tijdschriften; maar als je dan ziet, wat 'n tijd dat kost aan menschen, die toch hun eigen werk hebben, dan voel je je veeleischend, ook al heb je niets geeischt en alleen aangenomen, wat je aangeboden was. - Nu kreeg ik van Herm. Robbers (Elzevier) bericht, dat er geen tijd meer was. Uit de toon van de brief110 leid ik af, dat dat geen smoesje is. Van de andere tijdschriften weet ik nog niets. Nu wou ik van jou weten, wat jij beter vindt. - Ik dacht zoo, dat et uitgeven vóór December (afgezien van de overweging, dat ik er graag bij wou zijn) voordeelig was wegens St. Nikolaas & Kerstmis. Aan de andere kant: als menschen alleen verzen koopen, die ze gelezen hebben in tijdschriften, dan vervalt dat, wanneer ze niet in de tijdschriften hebben gestaan. -

[p. 54]

Ik ga Vrijdag111 hier van daan; ik ga dan over Hilversum & Amsterdam om bij jou te kunnen zijn. In Bussum ben ik dan om 11.15. Met de trein van 7.06 moet ik weg; ik ben dan toch eerst om halftien zoowat thuis, en ik vind 't niet prettig voor m'n vrouw en m'n spreeuw, als ik zoo heel laat kom; dus zeg aan je vrouw, dat ze niet vroeger moet eten. Het interesseert me volmaakt niet, of ik ‘eet’ of niet. Bovendien heb ik hier zoo Gijs Hollebollewagenachtig gegeten, (je moet zeggen: ‘Dan interesseert et je toch nog well!’) dat ik jaren lang met 'n beschuit per dag kan volstaan. Er is zoo iets komieks in de ontzetting, waarmee iemand je vragen kan: ‘Maar waar eet je dan?’ - Ik vraag Versluys, et deel van Brahman, dat hij heeft, aan jou te sturen. Dan neem ik Vrijdag et heele M.S. mee, om uit te zoeken, en om bij te schrijven, wat er verloren is geraakt. (Je schreef me,112 dat er Keizersgracht 333 'n paar verzen waren weggeraakt). - Ik stuur je hierbij 'n vers.113 - (De Sauriers krijg je later. Nee, stel je nu niet tè veel voor.) - Schrijf me even, of 't goed is, dat ik Vrijdag kom - Victor van Vriesland vraagt, waarom ik niet alles in eens uitgeef. Jij bent daar niet voor? Dag!

J.A. dèr Mouw

108Blijkens het postboek ontvangen op maandag 19 augustus 1918.
109Deze zin reageert op een door Reyding aan Dèr Mouw overgebriefde uitlating van Van Eeden, die Reyding moet hebben aangetroffen in een van de beide brieven die Van Eeden hem blijkens het postboek deed toekomen op 9 en 16 augustus 1918. In de bewaard gebleven brieven van Reyding aan Van Eeden valt de naam Dèr Mouw geen enkele maal.
109aKamschatka [Kamtsjatka], het inderdaad rijk met beren gezegende schiereiland in het N.O. van Azië, is ook een literair geijkt woord. In Le Constitutionnel van 20 januari 1862 schreef Sainte-Beuve n.a.v. de in 1861 verschenen tweede vermeerderde druk van Les fleurs du mal onder meer, dat Baudelaire daarmee een ‘kiosque bizarre, fort orné, fort tourmenté, mais coquet et mystérieux’ had opgetrokken. ‘Ce singulier kiosque, fait en marqueterie, d'une originalité concertée et composite, qui depuis quelque temps attire les regards à la pointe extrême du Kamschatka romantique, j'appelle cela la Folie Baudelaire.’ Zie: Baudelaire, Oeuvres complètes, Bibliothèque de la Pléiade, Paris, 1958, blz. 1140 en blz. 1498.
110Robbers' brief is niet bewaard gebleven. In 1919 zou Robbers in het maart-nummer van Elseviers Geïllustreerd Maandschrift opnemen het sonnet Bosch (III, 46), met handhaving van de titel opgenomen in V.W., I, blz. 160 en het sonnet (IV, 25) Violenbed, eveneens met handhaving van de titel opgenomen in V.W., II, blz. 156; in het april-nummer verscheen nog het sonnet Zondagmiddag (I, 26), met weglating van de titel opgenomen in V.W., I, blz. 86, en het sonnet (III, 7) Avond, met weglating van de titel opgenomen in V.W., II, blz. 162. Een fragment uit een brief van Robbers aan Dèr Mouw, dd. 26 oktober 1918 werd openbaar gemaakt door Mevr. A.M. Cram-Magré, a.w., blz. 112.
11123 augustus 1918. Die datum moet nadien verschoven zijn, want blijkens Van Eedens dagboek bezocht Dèr Mouw hem op zondag 1 september.
112Mogelijk in een tussen 10 en 19 augustus verzonden brief. Het postboek geeft hierover geen uitsluitsel.
113Niet tussen Van Eedens papieren teruggevonden en ook met aanwezig in Van Eedens verzameling autografen.
prepostterug  begin  verder