terug  begin  verderprepost

27

Dag, dag!163 - Ik heb vergeten, eergisteren, je de doodsteek te geven. - Ja, ik had ook over wat je onder 4) noemt: het Begrip, wat willen zeggen; maar 't is beter, dat ik eerst jouw studie lees, want daarin zul je wel uitleggen, wat je daarmee bedoelt. -

Zie, Syritta lacht.164 'T is zeven jaar geleden, dat ik dat las. Ik heb gehuild toen.

[p. 77]

'T was in Juni. Dat was òòk in Juni. Of eind Mei. Nee; ik geloof toch Juni.165 Ik noem dat vers - de laatste regel vind ik niet gelukkig - 'n Kunstwerk, met 'n heel groote K. Waar is nu die Ethische Wijsheid? (Over Begrip spreek ik dus niet, om dat ik eerst precies moet weten, wat je daaronder verstaat). Nu kun jij zeggen: ‘Om dat er geen ethische wijsheid achter ligt, vind ik dat vers geen Kunstwerk.’ Maar ik heb precies even veel recht op mijn bewondering, als jij op de jouwe. Hoe wil jij aannemelijk maken, dat jouw maatstaf zuiverder is dan de mijne? Hoe kan ik aannemelijk maken, dat de mijne zuiverder is dan de jouwe? Tegenover jouw (eventueele) verklaring, dat dat niet 'n Kunstwerk is van de prachtigste soort, staat mijn volmaakte zekerheid, dat 't dat wèl is. - Tusschen 'n Saurier en ons zijn er vier verschillen: 1) Begrijpen (wetenschap, filosofie); 2) Goed en kwaad; 3) Mooi en leelijk; 4) God en Wereld. Mij lijkt 4) 't gewichtigste; 't rijkste; de eerste 3 zitten er in. Het religieuze Al-gevoel kan nu een van die drie bizonder gewichtig doen schijnen; bij 'n Griek bijv. in 't algemeen 3; bij Plato 1) en 2) ook, met 'n geneigdheid zelfs, 2) te accentueeren; maar dan komt de Phaedrus, waarin hij zegt dat 't de schoonheid is, die ons doet denken: Hoe was 't ook weer, vroeger, die alwetendheid? Ik vind 't heel begrijpelijk, dat iemand de nadruk legt op 't ethische; maar niet begrijp ik, dat hij dat doet anders dan als burger, als vader, als vriend, enz. Wanneer hij 't doet als Dichter, dan bewijst hij daarmee, dat hij zijn burger-zijn, zijn vader-zijn, zijn vriend-enz.-zijn, gewichtiger vindt

[p. 78]

dan zijn van-God's-geslacht-zijn. - Ja wel: 't is moeilijk, 'n goed mensch te zijn,166 maar moeilijk, zooals 't moeilijk is, 'n Parthenon te maken of 'n Eros. - Wacht even: nòg 'n doodsteek; want je bent taai: jouw Broeders. Het ethische zit daar in; natuurlijk. Maar ik voel heel duidelijk - ik heb er vaak in gelezen - dat er 'n vergezicht in ligt op Iets, dat niet meer ethisch is. Misschien verbeeld ik me, dat ik dat voel; ik bedoel: misschien voel ik 't, om dat ik me dat suggereer, om dat ik me half, of nog minder, bewust voornam, dat te voelen. Schrijf me 's - als je al deze doodsteken hebt overleefd - of jij zelf niet iets dergelijks voelt.

Dag!

d. M.

163Blijkens het postboek ontvangen op dinsdag 17 juni 1919.
164Afdeling III. Middernacht in 't duin. Maneschijn in Van Eedens Lioba. Drama van trouw. Amsterdam, 1897, blz. 75-76, opent met de zang van de Duin-elven, zang die wordt afgebroken als Tancolf en Hemming te paard naderen:
 
Ziet, Syritha's licht!
 
Milder vliet het van de kromme hoornen
 
op de wolke en wekt ons, nachtgeboor'nen,
 
tot de reien, licht.
 
 
 
Melkwit blinkt het zand,
 
fluistrend tripplen wij in luchte rijen
 
't maanlicht in, uit donker der valleien
 
Heia! hand in hand.
 
 
 
Sterrebeelden staan
 
stil te blinkren in omgraasde plasjens.
 
Ritslend zachtjens hoort men in de grasjens
 
kevers wandlen gaan.
 
 
 
Zilv'ren straalt de zee -
 
ziet ons hupp'len, hupp'len op de kruinen
 
van de doodstil, blank-beschenen duinen, -
 
vlinders zwirren mee.
 
Stil! - gerucht! gerucht!
 
Hoeven stampen, grove stemmen naadren,
 
bergt u schielijk in de schaduwblaadren,
 
Weg! - gevlucht! gevlucht!
Zijn Tancolf en Hemming, na hun ontmoeting met Lioba, weer uit het nachtelijk duinlandschap verdwenen, dan vervolgen en besluiten de Duin-elven hun zang (blz. 96-97):
 
Komt nu, - komt te voor!
 
zachtkens, - zusters, - uit het donker loover,
 
stil is 't, -stil, - 't rust àl weer in den toover
 
van des Glimmers gloor.
 
 
 
't Ruwere gerucht
 
is verstorven, woud en landen zwijgen,
 
suizelend de helme-halmen neigen,
 
nachtwind áven zucht.
 
 
 
Komt! ten dans! - ten dans!
 
Wolke en nevels zilvren franjen hebben,
 
spinnen domm'len in gespreide webben,
 
bleek van maneglans.
 
 
 
Onder Mani's lach
 
maanzieke aarde droevig leit te droomen,
 
maar wij dart'len, dart'len tot het doomen
 
van den strengen dag.
Wij wijzen er nog op dat het werkwoord ritselen ook zeer frequent bij Dèr Mouw voorkomt. De grasjens alsook ritslend zachtjens, in Van Eedens derde strofe, keren bij Dèr Mouw terug in de derde regel van het tweede kwartijn van V.W., I, blz. 34 (I, 22). In V.W., I, blz. 78 (I, 113) ritselen kevertjes in 't vochtige gras. Ook in V.W., I, blz. 232 (I, 102) en V.W., II, blz. 15 (I, 46) spelen kevertjes een rol. Verwant, wat betreft sfeer en visie, aan Van Eedens gedicht is een strofe uit Thuiskomst (V.W., I, blz. 150):
 
‘'k Zal om teere aarde-dingen
 
Stil spinnen fluisteringen,
 
Als herfstdraad licht, die luchtig ligt op lucht,
 
Waarlangs met kleur'ge rokjes
 
Lichtelfje in gouden lokjes
 
Bij 't rits'len van een blad koorddansend vlucht.
Dèr Mouws:
 
Een reuk, een landschap, een herinnerd lied
 
Roept op naar 't leven, wat gestorven scheen.
 
(Uit III 49, in V.W., I, blz. 214)
en de regels:
 
Weet iemand, hoe een reuk kan zijn getrokken
 
Diep in het denken, onvernietigbaar?
 
Ik rook weer de metaalreuk van haar haar
 
Als kuste ik glad de roodglanzende vlokken.
 
En ik was niets meer, dan die ééne reuk;
 
Onwezenlijk zag 'k om me heen de dingen;
 
En 'k merkte nauwlijks, dat mijn voeten gingen;
 
En 'k zag de school en, op het plein, de beuk.
 
(V.W., II, blz. 148)
wekken reminiscenties aan Van Eedens Lioba, a.w., blz. 11:
 
Wat is toch geur, die onze ziel beroert
 
op zulk een fijn-verhelderende wijze
 
en haar op eens in tooversnelle reize
 
door verste landen van herinn'ring voert?
 
Wat breekt zoo schel door dichten tijdswolk heen, -
 
zóó was het, ja zóó was het, lang geleên!
Dèr Mouw en Van Eeden bevestigen hier, elk op hun wijze, de bevinding van Proust: ‘quand d'un passé ancien rien ne subsiste, après la mort des êtres, aprês la destruction des choses, seules, plus frêles mais plus vivaces, plus immatérielles, plus persistantes, plus fidèles, l'odeur et la saveur restent encore longtemps, comme des âmes, à se rappeler, à attendre, à espérer, sur la ruine de tout le reste.’ (Marcel Proust, A la recherche du temps perdu I. Du cêté de chez Swann. Bibliothèque de la Pléiade. Paris, 1968, blz. 47).
165Dit alles lijkt er haast op te wijzen dat Dèr Mouw op 30 juni 1912 de openlucht-uitvoering van Lioba door dilettanten onder leiding van Fr. de Witt Huberts, op Duin- en Kruidberg te Santpoort, moet hebben bijgewoond.
166Wellicht een zinspeling op de woorden van de Dood, in het dertiende hoofdstuk van De kleine Johannes: ‘Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn.’
prepostterug  begin  verder