terug  begin  verderprepost
[p. 79]

Adwaïta (Dr. J.A. Dèr Mouw †)170

Hoe kort maar gingen wij samen op aarde, en hoe weldadig was mij zijn vriendschap. Het kost mij moeite mij tot schrijven te dwingen, - dit is een smart die mij tijdelijk verlamt. Ik moet oover hem schrijven, de actualiteit van een weekblad

[p. 80]

verlangt het - maar ik loop liever oover hem te mijmeren in 't bosch. De wonde is nog rauw - ik beroer haar liever niet.

......................................

......................................

Heeden wordt zijn lichaam verbrand. Dan bestaat er niets meer van de vorm waarin ik hem gekend en lief gehad heb. En wat er blijft is ontastbaar, ik moet het vinden in brieven, in herinneringen, totdat ... En dan het groote vraagteeken. Niet of hij nog bestaat, want dat is geen vraag meer. Zoomin als de stof, de ‘Hulè’ vergaat,171 maar alleen in samenhang verandert, zoo min kan het weezen vergaan dat die ‘Hulè’ regeerde en tot zangen en daden dwong. Maar zal ik hem wéér-vinden? en hoe?

Laat ik iets vertellen van onze ontmoeting. De digte magische sluyer van den ‘oovergang’, beschermt hem teegen alle pijnlijke aandoeningen die het oopenlijk bespreeken van een leevend persoon anders meebrengt.

Het leeven van een Dichter is gemeengoed, ook al tijdens zijn werkzaamheid op aarde. De schroom die hem beklemt door zijn groote gevoeligheid wordt minder met den ouderdom, al wordt de gevoeligheid groot er en de last van het le even zwaarder. Maar wat de mensen van hem zeggen en denken dat hindert hem zoo niet meer. Ik kan nu openlijk spreeken over wat vertrouwelijk gezegd en geschreeven is tusschen ons. Het zal hem niet meer kwetsen en het kan nog voor anderen leerrijk en belangrijk zijn. En het zal doen begrijpen welk een slag dit voor mij is, en welk verlies Holland door het heengaan van deezen man geleeden heeft.

Ik zal blijven spreeken van Adwaïta, want dat beteekent de Dichter in dèr Mouw. Het woord is Sankrit en wil zeggen - als ik het wel heb - Eenheid, of liever: niet-tweeheid. Dèr Mouw was de geleerde en de wijsgeer, zooals hij algemeen bekend is. Adwaïta was de Dichter, die onbekend bleef tot zijn vier-en-vijftigste jaar, toen ik zijn machtige verzen in handen kreeg. Dr. dèr Mouw is gewaardeerd tijdens zijn leeven, om zijn kennis, zijn geleerdheid, zijn bescheidenheid, zijn goedheid, zijn wijsheid. Adwaïta is nog grootendeels onbekend, maar deze ster, nog maar voor korten tijd opgegaan, kan eeuwen blijven schitteren boven Holland - en het is goed dat nu op den dag van Dèr Mouw's uitvaart te zeggen.

Ik geloof dat het niet onverschillig is voor den heengegane, dat men veel en waardeerend oover hem spreekt na zijn verscheiden. Het ‘de mortuïs nil nisi bene’ is een groot en goed voorschrift, vol beteekenis. Gelukkig! als men het opvolgen kan zonder onoprechtheid, voorzien van een rijken schat aan goede herinneringen. Het zal hem rust geeven en voldoening. Zoeken niet alle menschen hun aandenken te verlengen? Dat moet een goeden, praktischen grond hebben. En hier vooral komt het te pas, omdat hier gegeevens waren voor grooten roem en duurzame waardeering.

[p. 81]

Deeze Dichter kreeg ze niet tijdens zijn leeven. Hij was er niet onverschillig voor, dat is geen enkel Dichter, maar het zuivere werk ging hem booven alles, en de praktische daadkracht, de militante eerzucht ontbrak hem. Nu, in de oovertuiging van zijn voortbestaan, moeten wij hem alle lof en eer geeven die hem rechtens toekomt. Het kan hem niet misleiden, maar enkel troosten.

Het was in 't jaar 1917172 dat ik, bij mijn vriend Jacob Israël de Haan zijnde, een dik pak verzen in handen kreeg. Ze waren van een nieuwen dichter, als dichter onbekend - en de Haan had ze gekreegen om aan mij ter leezing te geeven. Hij zelf had ze nog maar vluchtig doorbladerd. Het eigenaardige handschrift trof mij, alle letters stonden los van elkaar. Zulk een handschrift had ik nooit meer gezien, maar het verraadde mij den artistieken, ernstigen, geduldigen, wijzen aard van den schrijver. Zoo kon alleen iemand schrijven, die niet jong meer is, maar met vollen aandacht zich concentreert op het dichtwerk. Wie zóó schrijft, doet het als met een teekenstift, iedere letter afzonderlijk afbeeldend, met gelijkmatig tempo, nooit ooverhaast, en zich zelven volkoomen beheerschend. Ik nam het pak verzen mee en las het in den spoortrein, en voor ik dien verliet, wist ik dat ik dichtwerk in handen had van een groot Dichter, dat klassiek zal worden in de Nederlandsche literatuur.

Terstond voelde ik het raadselachtige van 't geval. Want ik zag dat ik hier te doen had met het werk van een rijpen geest, geen jongenswerk, geen werk van een beginneling. En hoe zou het moogelijk zijn - dat zulk een groot talent tot nog toe geheel verborgen was gebleeven? Ik heb veel werk van beginners in handen gekreegen, en ik meende vrij wel te weeten wat er belangrijks verscheenen was in de laatste decenniën. Hoe kon ik dan nooit van dit genie gehoord hebben, en hoe was dit handschrift mij volkoomen onbekend?

Ik kan wel zeggen, dat ik vee le dagen heb rondgelopen, zoo totaal van deeze verzen vervuld, dat ik bijna aan niets anders denken kon, en ongeschikt was tot mijn eigen werk. Ik wist den naam van den schrijver niet, en wilde dien ook niet weeten, eer ik geheel mijn oordeel had gevormd. Dat kwam oovereen met zijn bedoeling. Ik las toen eenige van zijn verzen voor, bij mijn vrienden en deed hen de schoonheid ervan waardeeren. Maar niemand kon gissen wie de schrijver was. Toen schreef ik mijn oordeel op en gaf het aan de Haan om het den Dichter te laten zien,173 en ik heb hem met dit zuiver oordeel zeer verheugd, zooals uit zijn brieven blijkt.

Toen ik eindelijk den naam hoorde, kende ik die wel, uit enkele filosofische geschriften, maar het wonder van deeze verzen bleef voor mij eeven groot. Want het bleek dat de schrijver niet jong meer was, oover de vijftig, dat zijn dichtwerk ontstaan was in de laatste vijf jaren, en dat niemand - behalve Victor van Vriesland - er iets van onder de oogen had gekreegen.

[p. 82]

Nu is het een algemeen begrip onder literatoren dat lyrische dichters hun beste werk maken vóór hun dertigste, hoogstens vóór hun veertigste jaar, en dat de nazoomerbloei van een lyricus wel vruchtbaar kan zijn, in ernst en wijsheid, maar nooit de prachtglans kan vertoonen van een jong genie.

Hier was een lyricus - en welk een! - die strikt gezweegen had tot bijna zijn vijftigste jaar174-en toen plotseling een stroom van verzen in de waereld bracht, die hij angstvallig verborgen hield, om eerst de zuivere, geheel vrije uitspraak te hooren van iemand op wiens oordeel hij vertrouwde, of liever: in wiens meening hij belang stelde. Dit schijnt mij een Unicum.

Men versta dit wel, hij wist zelve zeer goed, wat zijn werk waard was. Maar hij vreesde toch het zelfbedrog dat moogelijk is door 't herinneren van de emotie bij 't neerschrijven.

Oover den brief vol bewondering dien ik aan de Haan schreef, zonder nog te weeten wie de dichter was, - schrijft hij in een van zijn latere brieven:175

Ja ik herinner me nog dat ik dien brief las. Dat was een van de heerlijkste oogenblikken van mijn leven. Ik heb dien nacht bijna niet geslapen van geluk. Mijn leven lang heb ik als menschen me kranig vonden, gedacht: “Er is iets heel anders in me, dat jullie niet zien.’

Bij onze eerste ontmoeting was ik vol spanning wat ik zien zou. Ik wist toen wel zijn naam, maar meer ook niet. En ik zat bij het spoorstation te wachten en uit te kijken naar iemand die er uitzag als de maker van deeze wonderbare verzen. Eerst sprak ik de verkeerde aan, een jong mensch. En toen kwam een kleine, bejaarde man met een pet op en een lange grijze baard. Een duitsch professor leek hij. Maar het was Adwaïta. En met geen mensch van mijn leeftijd ben ik zoo snel en zoo innig bevriend geraakt. Wij waren van één bloed, dat voelde hij ook, en ik zal hem zeer missen, arm als ik ben aan literaire vrienden. Een in Palestina176 en de ander ... in Brahman. Maar ik ben dankbaar en trotsch dat ik hem heb mogen bijstaan - met van Vriesland - aan het uitgeeven van zijn werk. De avond van zijn ziek-worden, zijn laatste gezonde avond, voltooide hij het laatste vers van zijn tweeden bundel. Hij wist dat hij weinig tijd te verliezen had. En hij wou zoo graag ‘er bij zijn’ zooals hij herhaaldelijk zeide. Hij zal ‘er bij zijn’ maar niet zooals hij wenschte.

In het volgend sonnet177 uit den eersten bundel beschrijft hij zijn leeven, van rups, kokon, tot vlinder:

 
‘Onwillig willig blind voor wereldglans
 
Kroop'k, rups, door 't filosofisch oerwoud graag:
[p. 83]
 
Door wijd, mephitisch duister woei geen vlaag,
 
Boorde geen schoonheid, scheef, haar zonnelans;
 
 
 
Draad'rig, soms-geurig duitsch, steeds-kleurig fransch178
 
Vulde met vezels mijn begeer'ge maag,
 
Afschrikkend vaak, vaak lokkend mijn geknaag:
 
Baumgarten,179 Fichte,180 Strauss181 en Rosenkranz.182
 
 
 
Toen kwam, stormend, mijn najaar; en ik spon
 
Uit eindelooze vaalheid van Verdriet
 
Me een wereld-buitensluitende kokon;
 
 
 
En wachtte stil. Tot ik de pop verliet.
 
Nu vlinder 'k door natuur en eigen lied,
 
Uw koninginnepage, O Brahman's Zon!

Fredrik Van Eeden

170Gepubliceerd in De Amsterdammer van 19 juli 1919 en hier voor de eerste maal herdrukt. In zijn Herinneringen verteld aan Alfred Kossmann. Amsterdam, 1969, blz. 33-34, deelde Victor E. van Vriesland mee: ‘Later heb ik met Frederik van Eeden een vreselijk conflict gehad, maar hij is dood, ik wil daar niet erg veel over zeggen. In 1919 was Dèr Mouw gestorven (...) en deze had mij mondeling en schriftelijk aangewezen om zijn literaire nalatenschap te verzorgen. Ik moest een keuze doen uit alle mogelijke varianten, omdat de tweede bundel van Brahman niet af was gekomen, (...). Van Eeden, die ik vroeger met Dèr Mouw in contact had gebracht, zag direct het belang van dat werk in, maar als hij het belang van iets of iemand inzag, wilde hij er ook meteen beter van worden. Na Dèr Mouws dood ging hij allerlei gedichten in De Groene zetten, uit een manuscript dat ik hem ter inzage had gegeven.
Ik heb hem toen een briefje geschreven: “Mijnheer van Eeden, ik heb liever niet dat u dat doet, want ik zit nu aan die bundels te werken, en ik vind het niet leuk als alles al in De Groene heeft gestaan.” (...) Enfin, hij ging door, ik schreef nog een brief waarin ik hem sommeerde om publikatie uit het manuscript te staken, hij ging nog steeds door, en toen heb ik aan een redactievergadering van De Groene een telegram van vijfhonderd woorden gestuurd. Dat heeft zoveel indruk gemaakt dat ze zijn gestopt.’
Hierbij tekenen wij aan: 1) dat, zoals uit de thans gepubliceerde briefwisseling blijkt, niet Van Vriesland maar Jacob Israël de Haan Van Eeden met Dèr Mouw in contact heeft gebracht; 2) dat de nu openbaar gemaakte documenten de opvatting dat Van Eeden ‘er ook meteen beter van (wilde) worden’ afdoende logenstraffen; 3) dat Van Eeden op 19 juli 1919 zegge en schrijve één sonnet afdrukte uit Brahman I, welke bundel (zie noot 29) op 28 juli het licht zou zien en dat 4) Van Eeden dit sonnet niet onleende aan ‘een manuscript dat ik (Van Vriesland) hem ter inzage had gegeven,’ maar aan de, nog met hartelijke instemming van Dèr Mouw, door W. Versluys aan Van Eeden toegezonden schone proeven van Brahman I; 5) dat Van Vriesland, na op woensdag 16 juli 1919 Van Eeden op Walden bezocht te hebben, op 18 juli 1919 vanuit Blaricum een brief aan Van Eeden verzond waarvan anno 1969 aan Van Vriesland, - blijkens diens weergave van de inhoud -, inhoud, strekking en toon niet helder meer voor de geest stonden; 6) dat Van Eeden zoveel redenen had om zich door Van Vrieslands brief van 18 juli 1919 diep gekwetst te achten dat hij, wat hij slechts bij hoge uitzondering deed, afschrift hield van zijn op 21 juli 1919 aan Van Vriesland gezonden antwoord; 7) dat Van Vrieslands brief van 18 juli 1919 tevens de laatste brief is geweest door hem aan Van Eeden gericht; 8) dat bijgevolg Van Vrieslands mededeling ‘ik schreef nog een brief’ onjuist is; 9) dat Van Vrieslands mededelingen ‘hij (Van Eeden) ging door’ en ‘hij (Van Eeden) ging nog steeds door’ krachtig suggereren dat Van Eeden uit Brahman II een vloed van sonnetten zou hebben gepubliceerd terwijl hij in werkelijkheid in het Amsterdammer-artikel van 15 november 1919 van een sonnet zes en van een ander twee regels, samen dus acht versregels, citeerde; 10) dat het ‘“telegram van vijfhonderd woorden” door Van Vriesland chronologisch onjuist wordt gesitueerd. Het werd in werkelijkheid verzonden kort na de ontvangst van, alsook onder de indruk van Van Eedens brief van 21 juli 1919, en zeker niet later dan 29 juli 1919, op welke datum de redactie van De Amsterdammer de ontvangst van het telegram bevestigde, daarbij terecht met geen enkel woord ingaand op zoveel loze opwinding over Van Eedens negen dagen vóór de verschijning van Brahman I daaruit openbaarmaken van één enkel sonnet!
171Zie noot 100.
172Lees: 1918.
173Hier begaat Van Eeden een vergissing. Zie voor de juiste chronologie Van Eedens brief aan Jacob Israël de Haan van 5 juni 1918 en Van Eedens brief aan Dèr Mouw van 10 juni 1918.
174Wanneer men buiten beschouwing laat de in de periode 1881-1886 in schoolcahiers geschreven eerste verzen, die onuitgegeven bleven.
175Van 15 juni 1919.
176Jacob Israël de Haan.
177V.W., I, blz. 13 (I, 6) Van Eedens afwijkingen van Dèr Mouws spelling en interpunctie werden telkens stilzwijgend door ons verbeterd.
178Vgl. in V.W., II, blz. 194, alwaar - met een zinspeling op Edmond Rostand's Cyrano de Bergerac (1897):
Vaak dacht ik: 'K wilde, ik sprak
De taal van Bergerac:
Dan kende op 't aardevlak
Ieder mijn waarde;
179Alexander Gottlieb Baumgarten (1714-1762), Duits wijsgeer, die een belangrijk aandeel had in de schepping van de Duitse wijsgerige terminologie. Door Kant werd hij beschouwd als de voornaamste metaphysicus van zijn tijd.
180Johann Gottlieb Fichte (1762-1814), Duits wijsgeer die de wijsbegeerte van Kant verder heeft uitgewerkt in de richting van het idealisme.
181Daniël Friedrich Strauss (1808-1874), Duits vrijzinnig theoloog, auteur van o.m. Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet (1836). Zie: Mevr. A.M. Cram-Magré, a.w., blz. 121-123.
182K. Rosenkranz, leerling van Hegel en auteur van o.m. Georg Friedrich Wilhelm Hegels Leben (1844) en van Von Magdeburg bis Königsberg (1873).
prepostterug  begin  verder