terug  begin  verderprepost
[p. 92]

Brahman. door
Johannes Andreas Dèr Mouw (Adwaita)219

Twee jaren liggen ze nu al op mijn schrijftafel, de twee zwaar-geladen violette banden, met hun woorden-rijkdom en gedachte-vracht. De aanvankelijke indruk heb ik beschreeven, de beteekenis van dit werk, in enkele woorden, heb ik vastgesteld. Maar er moet veel meer oover gezegd worden, om aan deeze boeken de plaats aan te wijzen die ze in onze Nederlandsche cultuur verdienen. Men zwijgt er oover, omdat men waarlijk niet weet, of deeze gansche verzen-massa werkelijk behoort tot het echte en niet vergankelijke, of ze werkelijk is wat ze zich vóórdoet, een geweldige voorraad bouwmateriaal voor den tempel van onze literaire kunst.

[p. 93]

Verzen zijn de glanzende, wel-gepolijste en zuiver doorzichtige kristallen, die zich uit-kristalliseeren, uit de vormelooze, gistende en woelende, soms zeer vieze en onsmakelijke brei220 van het werkelijke materieele en geestelijke leeven in onzen tijd. De millioenen, milliarden woorden die voortduurend worden gesprooken zijn gesamenlijk een leevens-verschijnsel, een beweeging, als gebooren worden, eeten en sterven, een groei-fenomeen,221 dat 's nachts wat tot rust komt en ooverdag met vernieuwde leevendigheid opbruischt. De menschen verbeelden zich dat het uitgestrekte gezwatel, dit dagelijks hernieuwde gerucht iets blijvend's, iets vaststaands is, en kan worden behouden, intact en deugdelijk, door elke groep die het min of meer oovereenstemmend te weeg brengt. Maar dit is een illuzie. In de taal is niets duurzaam. Het gedruisch dat deeze morgen uit de menschenschare oprijst, is een ander gedruisch als gisteren, en morgen is het alweer nieuw en anders. Eevenals ieder individu elken morgen een nieuw samenstel van trillingen en krachten is.

Maar wij houden aan die duurzaamheids-illuzie vast, uit ingebooren neiging tot bestendigheid, en spreeken van een ‘taal’, als van een onveranderlijk en vaststaand solide ding, dat ons dient als verkeers-middel en steevig hou-vast in ons wankelend zoeken naar richting en geluks-verhooging.

Zoo iets bestaat eigenlijk niet, er is geen ‘taal’ met blijvenden inhoud en vastte- stellen kracht, er is maar een steeds veranderend222 gerucht. Het gistende en woelende klank-plasma223 waaruit nieuwe aandoeningen en nieuwe daden ontspringen.

En nu koomen de toovenaars, de Dichters, en door hun liefde-macht en schoonheids-begeerte, doen zij in die massa kleine vastheeden en stelligheeden ontstaan, als kristallen, met eevenreedige vormen en harmonische structuur, soms nog troebel en donker, tot zwart af, en dan weer in duizende nuancen van kleur en vorm, tot het blank-diafane van den harden, helderen diamant.

Zoo ontstonden de groote Gedichten: de Maha-Barata, de epische verhalen van Homeros, de korte oden van Pindarus, de Hebreeuwsche psalmen, Dante's Divina Commedia, Shelley's verheeven lyriek, de Drama's van Sophocles, Shakespeare en Goethe. Dit poetische werk ligt nu nog glanzend en ongeschonden in het woordengeruisch der meenigte. En dankbaar224 spreeken de menschen steeds weer die klanken uit, en zelfs de ondergang van volken en cultuur-perioden laat de schoone taal-kristallen onaangetast. Geen wonder dat de menschen deeze dichterlijke scheppingen herhalen en de Dichters eeren, het zij dan meestal te laat. Hun werk is niet minder duurzaam dan de scheppingen der tempel-bouwers, in Egypte en Indië.

Toen Dante leefde, was het latijn de taal van geleerden, schrijvers en dichters. Maar die taal onderging het verwordings-proces der woordgeruchten, dat nimmer

[p. 94]



illustratie

[p. 95]

staakt. Het latijn verstijfde en werd verdrongen door de volkstaal - lingua Vernacula - al bleeven de schoone latijnsche dicht-kristallen ongeschonden. Maar Dante zocht het blijvende in het leeven, en hij kristalliseerde zijn schepping uit de taal der schare. Dat was zijn roem, en te midden van de bloedige daden rondom hem, en de vreesselijkste verwarring, schreef hij rustig en onverdrooten zijn sterk en helder werk.

Deeze eigenaardige creatieve arbeid komt altijd vóór, en gaat voort in elke cultuurperiode, zoodra het drukke leeven der massa tot een zeekere krachtige uiting is gekoomen.225 Hoe wonderbaar schijnt ons de statige sereniteit van Homeros, te midden van een voortduurend vecht-gewoel en gejoel. En ook Virgilius liet zich niet stooren in het gevaarlijke Romeinsche leeven, noch verhinderde dit Horatius in het slijpen van zijn fijne, precieuze woord-juweelen.226

Deeze werksaamheid komt ook ook nu nog voor, zoo goed als in oudheid en midden-eeuwen. En twee typische voorbeelden er van zie ik in Karl Spitteler227 die228 ‘Olympischer Frühling’ schreef, terwijl de volken van Europa zich toerustten tot den geweldigsten kamp die ooit op aarde gestreeden is - en in Johannes Andreas dèr Mouw, die in alle stilte vijf leevensjaren wijdde aan het bestendigen der Nederlandsche woord-geruchten tot vaste, rijkversierde en in veelerlei glans en kleur fonkelende eedelsteenen. Luister naar zijn eigen woorden:

 
IJv'rig in schachten van natuur en taal
 
Zocht lang mijn speurzin met voorzichtig boren
 
Voor wetenschap's wolkenkrabbende Toren
 
Naar deugd'lijk, bouwversterkend materiaal.
 
 
 
Al rilde mij 't getril van 't schrille staal
 
Door pijnlijk merg van anders wenschende ooren,
 
Niets kon mijn koel geestdrift'ge vlijt verstoren:
 
De Toren zag ik rijzen, zaal op zaal.
 
 
 
En dreigde al doffe stiklucht ons te smoren,
 
Mij en mijn lamp, flikkerend flauw en vaal,
 
 
 
Niets kon mijn menschentrots zoozeer bekoren,
 
Als 't graven, trouw, naar nuttig mineraal -
 
 
 
Tot plots'ling 'k zag: alle arbeid is verloren;
 
Hij staat op brokk'lend zand, en zakt eenmaal.229
[p. 96]



illustratie

[p. 97]

Bij dit vers valt allerlei merkwaardigs te beschouwen. Vooreerst de techniek. Het is een sonnet, in zuiveren vorm, uiterst kunstig, maar toch precies in dien vorm gedwongen. - Ondanks een onregelmatig ritme, nu en dan, waardoor de caesuur verandert.

- ‘Wetenschap's wolkenkrabbende Toren’ is het aantal lettergreepen zorgvuldig gehandhaafd. Toch is het niet geknutseld, maar voortdurend in den ban van de inspiratie gehouden. Elke reegel, elk woord spreekt, zegt iets, heeft expressieve kracht. Maar het kunstigste is het rijm. Dit sonnet en de twee volgenden230 hebben genoeg aan twee rijmklanken. ‘aal’ en ‘ooren’. Deeze twee worden in elk der drie sonnetten dus zeeven maal herhaald, en in 't geheel worden deze twee rijmklanken dus ieder een-en-twintig malen, telkens met een ander woord, gebruikt. En toch wordt geen enkel woord deezer twee-en-veertig rijmwoorden herhaald. Er zijn echter twee hoog-duitsche woorden bij: ‘Parcival’ en ‘Thoren’.

Dit is een zeer zeldsaam voorbeeld van verstechniek. De meeste sonnettendichters brengen het niet verder dan twee rijmklanken in de kwatrijnen en drie in de terzinen. Maar twee-en-veertig rijmwoorden te vinden voor twee rijmklanken, dat is wel een ongewoone prestatie. Maar deze prestatie komt overeen met231 den inhoud van het vers, waar de Dichter zichzelven kenschetst als de geduldige, koel-geestdriftige ploeteraar en zoeker in de diepe schachten van natuur en taal. Alleen de verbinding van groote taalkennis, algemeene cultuur, en dichterlijke begaafdheid,232 gestadige toewijding, geloof in eigen roeping, en grenzeloos geduld kan tot zulk een uitkomst leiden.

Maar dan is het ook noodig dat de Dichter onbelemmerd en alleen op eigen

[p. 98]

behoefte achtend,233 zonder eenige eerbied voor moode en conventie, zijn taalschat aanvult uit alle bronnen binnen zijn bereik. Zoo spreekt hij van de ‘Gletscherrand van Cohinoren’ waarbij ieder leezer wordt ondersteld te weten wat Cohinoren zijn. Min of meer toevallig weet ik, dat er een reuze-diamant bestaat die ‘Ko-hi-noor’ genoemd wordt, hetgeen beteekent: ‘Berg-Van-Licht’. Daardoor kreeg234 de ‘gletscherrand’ zijn beeldende beteekenis. Maar ik wist, leezende, niet wat ‘Labradoren’ zijn en ik moet daarvoor dus de Encyclopedieën opslaan.

En zoo gebruikt Adwaita de meest zeldsame woorden en alle menschelijke kennis die hij heeft verzameld, om zijn taal-gebouw schoon, vorm- en kleurrijk en expressief te maken. Hoe de leezer er achter komt wat hij met al die tallooze geleerde woorden bedoelt, dat gaat hem niet aan, dat moet de leezer maar weeten. En in de ontzettende cultuur-verschillen van onzen tijd, zullen zij, die deeze twee dikke verzen-bundels, zonder het voortduurend gebruik van meerdere Encyclopedieën kunnen leezen, wel een kleine minderheid vormen. Maar wat gaat dat den Dichter aan? Hij reekent er op dat er een reeks van commentators en literaire boekenwurmen in volgende generaties gereed zal staan om elke reegel, elk woord te voorzien van annotaties en emendaties235 - zooals dat met Homeros, Virgilius en Dante is geschied. En daarbij moet men in 't oog houden dat Adwaita zorgvuldig alle rethoriek vermijdt. Zijn verzen zijn soms vol geleerdheid, vol toespeelingen op weinig bekende wetenschappelijke of litteraire dingen - soms236 ook dood-famieljaar in den meest huisselijken toon - maar ze zijn nooit hol, en nooit namaak van andere dichters. In elk woord is originaliteit.

Ik weet dat hij met de grootste zorgvuldigheid ‘leege’ woorden, - woorden die men niet meer gebruikt, - trachtte te vermijden. Ik was het daarin niet met hem eens. Ik hield vol dat een Dichter ook aan een oud, afgeleefd woord nieuw leeven kan geeven. Maar woorden als ‘beminnen’, ‘slechts’ en dergelijke achtte hij onbruikbaar, omdat ze uit het taal-leeven verdweenen zijn, en een meisje nooit meer zegt: ‘ik bemin je’ maar ‘ik hou van je’.

Een volgende maal kom ik op het hier besprooken vers terug.

Frederik van Eeden

219Verschenen in De Amsterdammer van 27 augustus 1921 en hier voor de eerste maal herdrukt. Laatstelijk had Van Eeden de naam Adwaita laten vallen in De Amsterdammer van 3 januari 1920, toen hij, in een bespreking van Israël Querido's Koningen en De jeugd van Beethoven opmerkte: ‘Naast Querido staat, als groote Smeeder van Holland's taal in de twintigste eeuw, Adwaita. En deze dwong zichzelven tot de uiterste eenvoud, met onverbiddelijke hand. Hij duldde geen woord, dat, door uit de dagelijksche spreektaal te verdwijnen, dood of leedig scheen te zijn geworden. Het woord “weenen” kon hij niet gebruiken. Eevenmin het woord “beminnen”. Wij “weenen” niet meer, zei hij, we huilen of we schreyen. Ook “beminnen” jongens en meisjes elkaar niet meer, ze houên van elkaar.
Zonder twijfel ging Adwaita te ver. Ach, hoe gaarne had ik hem het heerlijke werk van Querido voorgehouden, om het goed recht te laten zien van woorden die de massa niet meer, maar de Dichter nog steeds met volle werking gebruikt. Hoe gaarne had ik den bouw en de kracht onzer taal met deze twee groote oorspronkelijken besprooken.
In woordensmeeden gaat ook Querido soms te ver, naar mijn meening. In “Koningen” werd ik niet gehinderd door de schrijfwijze “couleuren” voor “kleuren”. Maar in het Beethoven-boekje vond ik het gekunsteld en geaffecteerd.
Maar hoe heerlijk is het, als men het ontstaan kan constateeren van een groot kunstwerk, uit zuivere bron. Dat geeft werken als “Koningen” en “Brahman” een waardigheid en grootheid, waarbij al het dagelijksche succesjagend gepruts verbleekt en verdwijnt. Goddank! dat zulke boeken in onzen tijd ontstaan. Ze zijn gebouwd uit liefde, zuivere schoonheidszin, opstreeving naar het hoogste en heiligste - en welverwerkte en tot eigen weezen geworden weetenschap. Wie zou tegenover zulke scheppingen geen eerbied voelen, ondanks alle betutteling waartoe zij vat geven.’
In De Amsterdammer van 6 maart 1920 besprak Van Eeden, onder de titel Ethische woordkunst, Dirk Coster's Marginalia. Andermaal viel de naam Adwaita: ‘Toen ik in 1918 het manuscript van Adwaita in handen kreeg en de nog door niemand begreepen grootheid van Dèr Mouw ontdekte - toen wist ik ook in een uur tijds dat er een nieuw dichter was opgestaan. Hier was een wijsheid, een welluidendheid, geest en humor - en hier was een nieuwe stijl.
Toch weet Dirk Coster allerlei - dat Adwaita niet schijnt beseft te hebben. Dat blijkt uit het boek “Marginalia”. Hij kent b.v. de waarde der Evangeliën, die Adwaita niet toont voldoende te gevoelen. Maar Coster geeft geen emotie, geen innige vreugde - hij geeft een min of meer pedant, didactisch stelsel van ethische wijsheid.’
220brei < taal
221fenomeen < verschijnsel
222veranderend < gistend en veranderend
223Het gistende en woelende klank-plasma < De gistende en woelende brei
224Hierachter geschrapt: worden ze
225krachtige uiting is gekoomen. < gelijkmatigheid en bestendigheid schijnt te koomen.
226woord-juweelen. < woord-kristallen.
227Zie noot 11 en voorts: Frederik van Eeden, Studies. Zesde reeks. Amsterdam, 1918, blz. 242-248.
228die < die zijn
229V.W., I, blz. 9 (I, 3). Zie het in deze uitgave opgenomen facsimile.
230Te weten: V.W., I, blz. 10 (I, 4) en blz. 11 (I, 5). Het laatste sonnet is eveneens in facsimile opgenomen. I, 4 luidt:
 
Nu wijst, terwijl 'k omwaaid en zonnig dwaal
 
Hoog, hoog boven de nacht, waar 'k zocht tevoren,
 
Veel brokken licht, als diamant herboren,
 
Aan 't acht'loos oog gedienst'ge zonnestraal.
 
 
 
Droppels van wereldvuur zie 'k, kraal naast kraal,
 
Tot rijp van edelsteenen hier bevroren:
 
Robijnen schijnen kristallijne auroren,
 
En avondvlammen stolden tot opaal,
 
 
 
En sterlicht tot ijzel van labradoren,
 
Naast gruizels van saffieren hemelschaal;
 
 
 
En, sneeuw van maan, hagel van meteoren,
 
Ligt adulaar om jaspis' zonbokaal;
 
 
 
En op de gletscherrand van cohinoren
 
Klapwiekt de bliksemgier zijn zegepraal.
231komt oovereen met < wordt begrijpelijk door
232Hierachter geschrapt: kan tot zulk een uitkomst voeren. Maar dan is het ook noodig
233Hierachter geschrapt: zijn
234kreeg < kreeg ook
235Een halve eeuw nadat dit geschreven werd, zijn deze verhoopte commentators nog niet opgestaan. In haar in 1962 verschenen proefschrift Dèr Mouw-Adwaita. Denker en dichter deelde Mevrouw A.M. Cram-Magré weliswaar mee: ‘proefschriften over de invloed van de klassieke letteren, waarbij “Sleetocht” uitvoerig ter sprake zal komen, en over de verstechniek, ook in vergelijking met die van zijn tijdgenoten, zijn in bewerking, evenals een biografie, welke fragmentarisch reeds in tijdschriftvorm is gepubliceerd.’ Anno 1971 zijn deze in 't vooruitzicht gestelde proefschriften nog steeds niet verschenen. Ook de (te oordelen naar wat ervan bekend werd voortreffelijke) biografie, door Hans Redeker, geschreven in opdracht van de regering, sluimert fragmentarisch nog steeds in het tijdschrift De Nieuwe Stem, juni 1953, blz. 350-365; juli/augustus 1953, blz. 434-444; januari 1955, blz. 29-34 en mei 1955, blz. 265-269.
236soms < maar soms
prepostterug  begin  verder