Het was aardig van mijn geestigen meede-redacteur om ter toelichting van mijn beschouwing238 over Adwaita, zijn eigen rijm-virtuoziteit aan den dag te leggen. Maar nu moet hij mij ook toestaan in alle bescheidenheid te wijzen op een paar misverstanden. De verleiding om ‘'t nóg mooyer te doen’ heeft hij niet kunnen volgen. Zijn klinkdicht was alleen wat kunstiger, door het beginwoord van elken reegel ook tot een rijm te maken. Maar Adwaita schreef niet één, maar drie opvolgende sonnetten met twee rijmklanken en twee-en-veertig rijmwoorden, terwijl Charivarius239 veertien reegels gaf met vier rijmklanken en achtentwintig rijmwoorden.
Maar er is nog een ander verschil, dat er veel meer op aan komt dan het aantal rijmwoorden. Het ‘Ruize-rijm’ is daarom niet ‘mooyer’240 dan het sonnet van Adwaita, omdat het een Ruize-Rijm is, maar geen vers. Dat weet mijn geachte collega ook wel, maar de leezers zouden241 gaan denken, dat men een vers mooyer kan maken door er met rijmwoorden in te goochelen. Dat misverstand moet ik voorkoomen.242 In de drie Adwaita-sonnetten bemerken wij, al leezende, met verbazing, dat er maar twee rijmklanken zijn gebruikt voor twee-en-veertig reegels, - maar nergens lijkt243 dat opzettelijk en gedwongen. Terwijl het Ruize-Rijm alleen bestaat terwille van zulk een opzet en zulk een dwang.244 De Adwaita- sonnetten hebben harmonieën van alle vijf orden - geluid, beeld, stemming, gedachte - inhoud, en religieuze wijsheid. Terwijl het Ruize-Rijm alleen bestaat voor de aardigheid en heelemaal geen harmonieën heeft.245
Het heeft alleen een gedachte-inhoud, n.l. deeze: ‘Kijk ik eens kunstig rijmen!’ Maar een harmonisch verband met de ooverige aandoeningen, die worden gewekt is er niet. Daarom is het geen vers, maar een rijm, zooals Charivarius het ook zelf noemt.
Terwijl in de sonnetten van Adwaita de rijmen-rijkdom geheel ongezocht en als toevallig voorkomt, en harmonisch verbonden is246 met de sterke en diepe expressie van verheeven zaken, met het gesprooken geluid, met het geziene beeld,
met de gevoelde stemming en met den gedachten-inhoud en religieuze wijsheid.
Deeze wonderbare harmonie is het beschouwen en ooverdenken wel waard. Juist omdat er niets van handigheid, kunstigheid en woord-goochelarij bij te pas komt, zooals bij het Ruize-Rijm. Het is een merkwaardig proces in 't hoofd van een Dichter als een stemming of een waarheid zich kristalliseert. Dan koomen de rijmen en ritmen spoedig en als van zelve. De gedachte-inhoud kan dagen en weeken aanweezig zijn geweest, onuitgesprooken, ongeformuleerd, en dan ... op eens koomen de rijmklanken en de ritmen, ongezocht, en het vers stelt zich samen, in een betrekkelijk ruuwen vorm, ongepolijst, embryonaal, maar vast en duidelijk. Is het zóóver, dan is het ooverige gemakkelijk. De kleine zwakten worden verholpen, sommige woorden worden vervangen door meer expressieve. Maar het geheel blijft vast en onveranderd.
Hierbij kan men van247 ‘inspiratie’ spreeken. Alleen als die er is, op de boovenomschreeven wijze, wordt het werk goed. Maar men moet248 niet denken, bij het woord ‘inspiratie’, dat het een soort bedwelming beteekent. Inteegendeel, het is een verheldering. De Dichter is niet minder, maar dieper bewust. De vers-woorden koomen uit een diepte waar het gewoone, alledaagsche besef van den Dichter niet doordringt, en dit verwoordingsproces wordt welbewust waargenoomen. Het vordert en vormt zich echter, zonder dat wat men het intellect of de reede noemt. Het vers wordt niet ‘bedacht’ maar ‘gevoeld’, en het stelt zich ritmisch en rijmend samen onder de oogen van den Dichter, zonder zijn verstandelijke hulp.
Ik herinner mij hoe het mij, toen ik knaap was, als een bizondere beschikking trof, dat het dichterlijk vermoogen, de dichterlijke gevoeligheid en gezindheid, altijd samenging met rijm-virtuoziteit. Later heb ik begreepen dat dit niet altijd het geval is. Er zijn tal van oovergangsvormen, er zijn Dichters met veel en met weinig virtuoziteit. Maar de virtuoziteit gaat volstrekt niet altijd gelijk op met de dichterlijke gevoeligheid, eevenmin als bij musici de techniek samengaat met het scheppend compositietalent. De kunst van het improviseeren, die in 't begin van de voorige eeuw zoo hoog werd gewaardeerd, was een virtuoziteit, die maar weinig samenging met dichterlijk scheppend vermoogen. Men vertelt van Joan Bohl,249 dat hij een ganschen dag in rijm kon spreeken. Dit was - eevenals bij ten Kate - het gevolg van gestadige oefening in metrisch en rijmend vertalen, maar met dichterlijke begaafdheid had het weinig te maken.
Er zijn echter, vooral in Holland, humoristische dichters, die zich voordoen als rijmers of rijmelaars, doch die zeer stellig het vermoogen250 toonen om rijm en metrum in onmiddellijken dienst te stellen van fijne dichterlijke aandoening. Dat zijn Dichters, die zich een weinig verleegen toonen met hun dichterschap, en geen ernstige poézie aandurven, maar eigenlijk met hun talent een weinig den draak steeken. Zulke dichters waren b.v. de Schoolmeester en Piet Paaltjens. Hadden zij wat later geleefd, zoo hadden zij ook hun begaafdheid tot ernstiger werk gebruikt. In hun tijd was het ernstige werk eigenlijk niet ernstig genoeg, en zij maakten maar wat gekheid.
Maar er zijn251 in onzen tijd rijmvirtuozen (ik denk aan mijn hooggeschatte confraters Speenhoff en Charivarius), die vaak genoeg ook ernstige poetische aandoeningen op zuivere en juiste252 wijze weeten te uiten, en dus wel deegelijk den Dichter-naam verdienen. In Duitschland is de dichter-humorist Morgenstern253 hiervan een prachtig voorbeeld.
Het254 is geen nieuws, deeze beschouwing oover den samenhang van dichterlijk vermoogen en virtuoziteit, maar daar er nog altijd veel verwarring is, achtte ik het noodig de zaak nog eens kort uiteen te zetten.
In het sonnet van Adwaita, dat mij tot voorbeeld van zijn rijm-virtuoziteit heeft gediend, zijn de eerste en tweede harmonieën aanweezig, hoewel niet bizonder intensief, het geluid is sterk en vol.
‘Al rilde mij 't getril van 't schrille staal’, is als klanknabootsing van het boor-geluid van staal in hard gesteente, expressief genoeg.255 De tweede harmonie - in de vizie - is duidelijk als het graven naar woorden en termen van wijsheid tot opbouw van een Toren van weetenschap.
De derde, de stemmings-harmonie is niet bizonder krachtig - maar de vierde is de grootsche gedachte van den steeds dieper zoekenden Dichter, die zich niet laat afschrikken door de gevaren en moeiten van zijn werk. Dat is de gedachteinhoud van het vers. Maar dan komt de vijfde harmonie, die het gansche vers vervult en waarin het culmineert, - en spreekt uit, door het beeld van den zakkenden toren, in twee reegels de groote mystieke waarheid, dat menschelijke weetenschap vergankelijk is en gedoemd tot geheelen ondergang.
Dit is de gesamenlijke gedachten-inhoud, - telkens door vizie en stemming tot
hooge wijsheid vastgelegd en in meestal schoone klank gesprooken, - van de twee zware deelen, Brahman genoemd.
Brahman (spreek uit Braghman) is de naam door Adwaita van de Indieërs oovergenoomen. Dien naam koos hij voor de expressie van het allerhoogste godsbegrip, dat ooverblijft als de waereldsche bouwselen en begeerten te niet gaan. De Christelijke namen voor den Alvader voldeeden hem niet. Zij kwetsten in hun misbruik de fijn-gevoelige Dichterziel. Niet uit gemis, maar uit oovermaat van devotie verwerpt hij de woorden, die door hun herhaling de kracht verlooren hebben. In plaats van hen, kiest hij het schoone Brahman, waarvan het misbruik en de versteening ons Westerlingen nog niet zoo treft.
Laat ons terstond erkennen, dat de Christelijke Vader-in-den-Heemel een hooger conceptie is dan de Oostersche Godheid. Maar zooals het vaak gebeurt, de gedichten van Adwaita zijn vaak wijzer dan de Dichter zelf. Al laat hij zich verstandelijk verleiden tot een verheerlijking van de Indische Godheid - en tot het voorstellen van Jehova als de ondergaande God der Jooden en Christenen - toch spreekt uit zijn Brahman-aanbidding een groote ernst, een verheeven gevoel, een echte reëele devotie.
Laat mij hier het eerste gedicht256 nog aanhalen van den terzinen-cyclus: ‘Jehova's uitvaart.’ Het is van groote, melodische zeggenskracht, en zeer sterk van vizie en stemming, en soms heerlijk van geluid en waarlijk verheeven van gedachte: