schiep!
* Niet waar, ge zyt daar niet? Ge zoudt met
almacht niet zoo werkloos zyn? Ge zoudt niet rusten als 'n trage luiaard, die
't nuchter aanziet hoe de misdaad heerscht? Hoe laagheid hoog staat, en wat
hoog is, laag?
Ge zoudt uw armen niet zoo vadsig kruisen, als ging 't heelal,
uw maaksel, u niet aan? Ge zyt daar niet, niet waar? Als ge daar
waart, ge zoudt van-tyd tot-tyd uw vuist verheffen, en die dondrend neerslaan
op 't verrot gebouw, dat zich 'n maatschappy noemt hier beneden.
Wat poëzie, myn God, gy die door haar alleen bestaat, en in de
werklykheid u bezighoudt met nietsdoen... fraai bedryf!
Ik werk, en sloof, en tob, met weinig kracht, en in uw
traagheid ligt 'n Almacht braak! Dat is toch jammer van zoo'n almacht,
vindt ge niet?
Op, op, gy god die niet bestaat, help mee! Steek uit uw handen, sla
eens rechts, en sla eens links, vóór, achter, overal, en wees
vooral niet minder in de dáád, dan men u téékende
in den bybel myner jeugd.
Daar zat gy op 'n hoogen troon van wolken, en zaagt er grimmig en
vervelend uit...
Om 't even, er was handling in uw zyn. Ge waart vertoornd,
jaloers, van-tyd tot-tyd... soms grillig en geneigd tot boozen luim - zooals te
wachten is van oude goden die - zoo lang alleen, en dus in slecht gezelschap -
zich vervelen.
Maar toch, al zaagt ge 'r niet beminlyk uit, toch voelde ik eerbied,
vrees, of wat het zy... iets voelde ik, toen de baker my berispte omdat
ik vroeg of ze u gekend had zonder baard, en of ge ooit jong geweest waart als
'n ander?
Dat was verboden vragen, zei me 't mensch, en 'k zou verdoemd zyn
als ik 't weer vroeg, dacht ze. Goed! Ik hield die vragen voor my in 't
vervolg, en smoorde zucht naar kennis met de vrees dat de aarde zich zou oopnen
voor myn voet, zooals te lezen staat in elken ‘Weg ter
Zaligheid.’
Ook, meende ik, zou zich 't vraagstuk of uw baard altyd zoo lang
geweest was, en zoo wit, misschien vanzelf verklaren als ik gróót
was...
Helaas, helaas, ik ben sints lang al groot, veel grooter zelfs dan
tóen die baker was, en nog is my die baard 'n raadsel... als gyzelf!
Maar tóen begreep ik u. Ik leefde met u, in u,
en geloofde toen ter-goeder-trouw dat gy ook leefde in my.
(Noot by
165)