- Maar, zeggen de vromen, uw vergelyking is niet juist. Wy weten wèl wat onzen Heer aangenaam is. Hy heeft zich verwaardigd ons dat te openbaren.
- Ei zoo? Laat eens hooren.
Eerste vrome: Hy begeert psalmen.
- Neen, roept de tweede vrome, ik vereer hem door in de rondte te draaien.
Derde vrome: Ik spreek door den neus... dat doet hem zeker pleizier.
Vierde vrome: Ik verveel me alle zondagen tot zyn eer.
Vyfde vrome: Ik ontbyt met Ezechiel. *
Zesde vrome. Ik lees alle dagen in 'n boek dat hond noch kat verstaan kan. Als-i daarmee niet gediend is, verklaar ik hem voor zeer exigent.
Zevende vrome: Dat alles is 't rechte niet. De ware manier om hem in 'n goed humeur te helpen, is 'n groot huis te bouwen, en eens in de week daarin by-elkaar te komen om te luisteren naar iets dat men even goed weet als die 't vertelt, en evenmin begrypt als hyzelf.
Achtste vrome: Ik roep gedurig dat ik 'n ellendeling ben, onbekwaam tot alle goed. Dat moet hem 'n prettigen indruk geven.
Negende vrome: Ik soupeer vier malen 's jaar op klaarlichten dag.
Tiende vrome: Ik onderzoek zyn Wezen, en verschaf hem wat afleiding door de verklaring dat hy driedeelig is.
Elfde vrome: Gekheid! Moderne theologie... geloof met scheikunde... dàt is 't ware!
Twaalfde vrome: Glad mis! Kabeljauw op vrydag... dáár houdt-i van.
Dertiende vrome: Alles fout! Niemand uwer weet het. Men
moet...
Halt, dertiende vrome! ‘Niemand uwer weet het’... Q.E.D.