O, er zyn veel voogden - en ouders! - die verdienen zouden te recht te staan voor de chambre ardente te Zwol. Hoe zou 't de regeering van den Nederlandschen Staat maken, als zy eens werd opgeroepen zich te zuiveren van den blaam dat ze schuldig is aan verwaarloozing en mishandeling van pupillen en stiefkinderen?
Om nu niet te spreken van Indië, hoe is 't gesteld met z'n eigen kind, met het Nederlandsche Volk?
Dit willen we eens nagaan, en als handleiding daartoe, acht ik 't goed hier een brief te publiceeren, dien ik voor weinig maanden schreef, en waarop me byval ten-deel viel. 't Zal misschien nuttig wezen dien byval optewekken in grooter kring, opdat er kracht ontsta door vereeniging.
Den Haag, 19 Januari 1864. *
Amice! Wy hebben meermalen, en vooral in den laatsten tyd, al pratende ons bezig gehouden met de publieke zaak. Dat praten
is spreken geworden, en uit dat spreken is zekere stemming voortgevloeid, die ons dringt verder te gaan, en 't niet te laten blyven by spreken. Handelen dus, werkzaam zyn, iets doen, dat is de aandrift die sedert weken en maanden ons vervult, en meermalen stuiten we alleen op de vraag: hoe? Als 't waar is, dat alle beginselen moeielyk zyn, dan verklaar ik dezen brief voor een moeielyk werk, want myn voornemen is hem te maken tot punt van uitgang, altans dit te beproeven. Ik zal schryven zonder veel inspanning - opmerking en studie is 't schryven voorafgegaan -
losweg en als pratende, met dit verschil alleen tusschen myn tegenwoordig schryven en vroeger gesprek, dat het u mogelyk wordt door het meêdeelen van deze blaadjes, dezen en genen deelgenoot te maken van onze inzichten. En daarom noem ik dit schryven een punt van uitgang, wyl het u in de gelegenheid zal stellen te onderzoeken, of wy dan zoo geheel alleen staan met onze meening:
I. Dat er aan 't welzyn des Volks veel ontbreekt.
II. Dat dit voor een groot deel is toeteschryven aan verkeerdheden in de Staatsinrichting.
Na deze beide punten te hebben behandeld, wil ik my bezighouden met het onderzoeken van de vraag: welke middelen daartoe zouden moeten aangewend worden. * Doch ik herhaal hier dat dit schryven inderdaad het eerste middel is. Gelukt het u namelyk, door 't meêdeelen van deze bladzyden, sommigen te bewegen tot aansluiting aan onze voornemens, dan volgt de verdere loop der zaak vanzelf. Zoo niet, dan is 't moeielyker. Want publiciteit is... kracht, ja, maar kracht voor de toekomst alleen. Publiek is niemand. Publiek gelooft, neemt aan, juicht toe of verwerpt, beschimpt en verdoemt... maar: toegejuicht of veroordeeld, men blyft even ver als vóór Publiek's meening. †
Eén persoon die uit hartelijke overtuiging steunt of tegenwerkt, weegt zwaarder in de schaal die overslaat naar slagen of mislukken, dan 't gemiddelde van al de stemmen die elkaêr vice-versa vernietigen. Wanneer het u of my gelukte eenige personen byeen te brengen, die ernstig het goede willen, is er meer gewonnen dan by algemeene toejuiching, die krachteloos wordt juist dóór hare algemeenheid.
Ik wil een voorbeeld aanhalen van die onmacht der publieke opinie, in tegenoverstelling van de macht die kan worden uitgeoefend door een individu.
Stel u voor, dat ge een accoord hadt gemaakt met 'n koetsier, om u te vervoeren van Arnhem naar Amsterdam. Ge betaalt hem vooruit. Naby Utrecht blyft hy staan met z'n rytuig. Waarom, doet nu niet ter zake: hy wil dat zoo. Hy bekommert er zich niet om, of gy haast hebt, of 't u onaangenaam is, langer dan noodig te vertoeven in z'n rytuig, hy heeft in zyn belang, of vermeend belang, zich 't recht aangematigd u te doen wachten. Naby Amsterdam vertoont-i dezelfde komedie nog-eens, en arrogeert zich zelfs 't recht u optesluiten in z'n wagen, zoolang hy verkiest.
Welk individu zou zich zoo'n behandeling laten welgevallen? Niemand!
Nu, 't ‘Publiek’ wèl. De Rynspoor-directie, steunende op die onmacht van 't Publiek, op de zwakte der algemeenheid, durft te doen, wat niemand zich zou veroorloven omtrent 'n persoon, en waar ieder persoonlyk zich beklagen zou over den voerman die misbruik maakte van z'n koetsiersgezag, gaat de weêrzin van 't publiek krachteloos verloren in onnutten wrevel.
En als nu die onmacht blykt, zelfs dan wanneer al de leden eener verzameling gelaedeerde individuën samenstemmen in ontevredenheid - niemand zal beweren dat de bedoelde handeling van de Rynspoor-directie hem behaagt - hoeveel te-meer is dit dan het geval, waar de algemeenheid der goedkeuring van nieuwe
denkbeelden, tegenstand uitlokt. Tegenstand uit eigenbelang, uit onkunde, uit vooroordeel, uit de verwaande begeerte tot het voeren van 'n eigen vlag. O, zal men misschien zeggen, de waarheid zal zegevieren, en wie anders wil overwinnen dan door haar, verdient die zegepraal niet. Dit is zoo. De waarheid zal zegevieren, nadat de leugen tyd in overvloed heeft gehad, zich te verzadigen aan misbruik. Zeker zal er 'n tyd komen dat men met minachting neêrziet op den tegenwoordigen toestand, maar zy die daarvan voordeel trekken ten nadeele van 't algemeen, zullen niet meer citabel zyn voor de rechtbank die dàn uitspraak doen zal. Het baat den Javaan weinig, of men eenmaal de Nederlandsche overheersching zal afschetsen als 'n droogstoppelig Jezuïtisme. De weinigen die zich vetmestten ten-koste van de algemeene nationale eer, en met voorbyzien van de algemeene welvaart, hebben daardoor geen grein verloren van 't gewicht dat hun oneerlyke winst in de schaal legt van hun oneerlyk gezag. Het baat der Natie weinig, of reeds nu deze en gene inziet hoe ze wordt opgeofferd aan de goochelary van een zeer kleine clique zoogenaamde Staatsmannen. Die ‘staatsmannen’ plukken intusschen de vruchten van wat zy zaaiden, en de Natie levert daartoe geduldig bodem en bemesting.
Ja, zeker zal de waarheid zegevieren, zeker! Dat zeide ook gewis 'n enkele denker by 't zien verbranden van eene heks. Maar... 't arme oude vrouwtjen is verbrand.
En de ‘heeren van den gerichte’ dier dagen zyn rustig gestorven op hun bed.
I. Er ontbreekt veel aan het welzyn des Volks.
Deze stelling laat zich gevoegelyk beschouwen uit drie gezichtspunten:
a.) Er ontbreekt veel aan den zedelyken toestand des Volks.
b.) Er ontbreekt veel aan den verstandelyken toestand des Volks.
c.) Er ontbreekt veel aan den stoffelyken toestand des Volks.
a.) Moreel. Hoe is de toestand van publieke eerlykheid? De statistiek der rechtbanken toont aan, dat zoogenaamd-kleine gluipende lafhartige vergrypen toenemen. De misdaden waartoe energie, moed, vaste wil, vereischt worden, nemen af. Kindermoord is frequent, en men yst by 't denken aan het cyfer der vermoorde kinderen, als men 't onbekende afleidt uit het aantal der dagelyks blykende gevallen. Het vinden van kinderlykjes levert een welkom vulsel aan de couranten. En tevens bieden die kranten
zelf, in hare annonces, 'n goede gelegenheid tot waarneming van 't peil der publieke zedelykheid. ‘Geen gryze haren meer.’ ‘Dit middel geneest nog iets meer dan alle kwalen.’ Wie dàt boek niet gelezen heeft, heeft niets gelezen.’ Enz.
Men lette voorts op den toon van polemiek op staatkundig gebied, van controverse in 't godsdienstige. Niemand acht den tegenstander, en al zeer spoedig bemerkt men dat die wederzydsche minachting, of verachting, gegrond is.
Er behoort vervolgens ter schatting van de publieke zedelykheid te worden acht-gegeven op de wyze hoe 't meerendeel des Volks zich vermaakt. Arbeid is noodzaak, uitspanning keuze. Die keus geeft dus middelen aan-de-hand ter beoordeeling van zedelyke ontwikkeling of bekrompenheid. Dis-moi comment tu t'amuses, je te dirai qui tu es, zeg ik met wat verandering 't bekende spreekwoord na. Het Volk spreekt niet, het wawelt of twist. Het zingt niet, het lolt. - 't Is me om 't even of ik grof schyn in de keus myner woorden, myn hoofddoel is waar te zyn, onverschillig of die waarheid ruw of liefelyk klinke. De zaken die ik behandel, zyn ook niet fyn. - Het Volk wandelt niet, het slendert. Het Volk vermaakt zich niet, het zoekt in luidruchtigheid, met of zonder opwinding door drank, een middel ter verdooving. Want de doorgaande, de normale toestand is:zorg. Ik zeg met voordacht: zorg, en niet: smart, omdat er tot het gevoelen van smart, zekere vatbaarheid voor fyner indrukken noodig wezen zou, die voor 'n groot deel verloren is gegaan, zelfs in die mate dat het oogenblikkelyk vergeten van de dagelyksche ellende, in de schatting der lyders rang heeft genomen van vermaak.
Zeg my hoe ge u vermaakt, ik zal daaruit opmaken wie ge zyt. *
Ik weet dat het een fout is, uit op zichzelf staande feiten al te stoutmoedig te besluiten tot algemeene conclusien. Maar ook zou 't een fout wezen, niet te letten op schynbaar nietige voorvallen, waar we zoo dikwyls zien dat belangryke waarheden door onbeduidende verschynsels worden aan 't licht gebracht. Ik herinner me by de behandeling van het thema: ‘de keus van vermaak, een kenteeken van den stand der beschaving’ eene opmerking die ik maakte by gelegenheid eener kermis te Amsterdam.
Men joelde, verdrong zich, en... maakte veel geluid. Dat geluidmaken bestond in 't vry vervelend herhalen van twee of drie maten zang. Om exact te zyn, mag ik niet zeggen dat men ‘liedjes’ zong. Het eentoonig geschreeuw bestond in ééne uitboezeming: de diepzinnige beschouwing der crinoline. Velen noemen het een ‘onzedelyk lied.’ Dit is myns inziens onjuist gezegd, in dien zin namelyk, dat de onzedelykheid niet zoozeer is gelegen in zekere zeer laffe toespeling op de geslachtsdeelen, als wel in de verwaarloozing van 't schoonheidsgevoel. Niemand is slecht omdat hy blyk geeft te weten hoe de mensch gevormd is, vrouw of man om 't even, maar wèl is 't een bewys van zedelyke verlaging, uitspanning te zoeken in 't onophoudelyk uitschreeuwen van dezelfde waarheid waarnaar niemand vraagt, en welker herhaling dus - op z'n zachtst gezegd - overbodig is.
Over 't algemeen bestaat er een groote afdwaling van de waarheid, in 't schatten der zedelykheid. De nauwte van ons landje en onzer woningen, de duurte der voedingsmiddelen, de moeite om ‘aan den kost te komen’... dit alles heeft veroorzaakt dat men by die schatting, te veel de geslachtsdrift wil te-pas brengen. (366) Als 't kleeding, brood en vleesch regende, zou dat gauw
veranderen, en ons arm gemeen zou zeer spoedig uit zichzelf 't gros sel, van z'n liedjes flauw vinden. *
Dat het gemeen, in afwachting van wat ruimte in spys en woning, nu grof en smakeloos is, stem ik toe. En misschien worden weinige ooren daardoor zoo onaangenaam aangedaan als de myne. Ik houd niet van grofheid, en voel dikwyls myn smaak gekwetst in heel andere gezelschappen, dan er zingend loopen op straat.
Maar ik maak verschil tusschen 't beleedigen van den smaak, en krenking van het hart. De straatliedjes noem ik vies en walgelyk. Het byblad van de Staatscourant noem ik slecht.
Naar myn gevoel - en ook naar myn gevoelen - is een minister of ander staatsdienaar, die rang, inkomen en macht aanneemt, zonder daarvoor terugtegeven eene evenredige hoeveelheid yver, kunde en goede trouw, oneindig dieper te verachten, dan personen die, uit armoed van ziel, zich schuldig-maken aan grove toespeling op 't geslachtsleven. 't Een is laf, plat, smakeloos. Het ander noem ik misdadig.
Het klein gemeen vraagt en verdient genezing. Het groot gemeen moet gestraft worden, en zonder genade. Want het is geen geringe zaak een heel Volk te bederven. Dat 's wat erger dan 't zingen van domme liedjes.
Nu, de kermistroep dacht niet aan byblad of ministers, en zong zulke liedjes. Men vermaakte zich, en ik wilde dat vermaak schatten, meten, wegen, beoordeelen. Ik werd in m'n studie geholpen door 'n schreeuwende bende die eensklaps ophield met het uitgalmen der natuurlyke historie van de crinoline, en bleef stilstaan voor 'n koffihuis.
Welk vreemd voorval was belangwekkend genoeg om 't vermaak aftebreken?
Voor het koffihuis stonden stoelen. Een heer zat daar, zeker als aanschouwer van de kermispret. Misschien waardeerde ook hy 't gehalte der vermaken, en zie: die heer had z'n hoed afgezet. Dit was alles.
‘Ei kyk, 'n heer zonder hoed! M'nheer, je zal koû vatten! M'nheer, kom hier, ik zal je toedekken!’ enz.
Het schandaal van iemand die 't waagde 'n oogenblik daar te zitten zonder hoed, was belangryk genoeg om het vermaak te vergeten, of liever dat grootere vermaak verdrong gedurende 'n paar minuten het kleinere. Wat moet men nu denken van de uitspanning der feestvierders over 't geheel, als er zoo weinig noodig was om de heele uitspanning te vergeten? En men meene niet dat deze opmerking op zichzelf staat. Noch dat ze niet thuishoort in de rubriek: toestand der zedelykheid. Ik herhaal dat men te veel gewoon is, by dat woord alleen te denken aan zaken die in betrekking staan tot het geslachtsleven. Ik heb daarover geheel andere begrippen dan de gewone, en trachtte myn meening kort en forsch te formuleeren door de uitdrukking: de eer van den mensch woont boven den navel. Doch al is men dit niet met my eens, al beweren sommigen - zeer ten-rechte misschien! - dat ik hunne eer een te hooge plaats aanwys, dit toch zal ieder moeten toestemmen, dat er geen grooter onzedelykheid kan bestaan, dan eene zoo ellendige armoede van ziel als men alöm by 't Volk kan waarnemen. Is onzedelykheid niet te vergelyken by ziekte? En is niet hy ziek, die uitgeput is, en zwak, en hongerend, en verslapt? Ligt er dus niet onzedelykheid in die totale absentie van wil, geest, gevoel, smaak? Is die leegte niet onzedelyk? O zeker, men zou den man niet gezondnoemen, die leed aan eene gelyksoortige versterving van 't lichaam! Bloedarmoede, gebrek aan veerkracht in de spieren, uittering *, verval van lichaamskrachten, dit alles valt lichter waartenemen. Maar de ziel, die zedelyke werking van 't lichaam, zou verwaarloosd kunnen worden zonder gevaar? Dit is ongerymd. En ik noem de dwaling onzedelyk, die de zedelykheid alleen zoekt in dingen van meestal conventioneelen aard. Kracht van geest, energie, het scheppingsvermogen der gedachten, dat is niet conventioneel, dat behoort tot de dagelyksche gymnastie van den mensch. Waar wy die gymnastie zoo in 't oogloopend zien verwaarloozen, zou 't misdadig wezen daarvan geen melding te maken, daarop niet te wyzen als een verontrustend verschynsel.
Ieder is by-machte het eenvoudig voorbeeld dat ik aanhaalde, te toetsen aan eigen ervaring. Het nietigst voorval op de stra-
ten geeft welkome aanleiding om de gedachten aftetrekken van de schrale werkelykheid. Een kip te-water is 'n schouwspel. Een eenigszins vreemd kleedingstuk levert stof tot gejoel. Een dronkeman geeft ware feestvreugde.
Wanneer nu sommigen mochten beweren, dat ik de laagte der zedelykheid ten-onrechte noteer op de peilschaal van 't vermaak, vraag ik of m'n opmerking niet ten-volle wordt bewaarheid, wanneer men 't oog slaat op schynbaar ernstiger zaken dan vermaak. Schynbaar... want: alles is in alles. Genot en vermaak zyn evenzeer integreerende deelen van 't mensch-zyn, als arbeid en inspanning.
Wie kan ontkennen dat ons Volk laag is gezonken, als men let op den lammen toon die er heerscht in 't zieleleven, toegepast op zaken? Waar is ondernemingsgeest? Welke groote flinke dingen worden tot-stand gebracht?
Zoo-even over vermaak sprekende, doelde ik voornamelyk op de zoogenaamd lagere klasse, schoon ook de hoogere stof genoeg zou leveren tot gelyksoortige opmerkingen. Waar van zaken kwestie is, mag men de veerkrachteloosheid van den groothandelaar niet afscheiden van de lamme mismoedigheid die den werkman kenschetst. Ik laat nu in 't midden, of handel alleen in-staat is eene natie te onderhouden, met wat zekerheid voor de toekomst, doch dit nu voorbygaande, welke handel dryft Nederland? De beide hoofdartikelen van den zoogenaamden Nederlandschen handel bestaan in koffi en suiker, en die handel zal ophouden, zoodra wy de tuinen missen, waarin wy die artikelen doen voortbrengen op zeer onzedelyke wys. En, de onzedelykheid der manier van voortbrengen daargelaten, kan het handel heeten, dat kunstmatig makelaarschap tusschen 't consumeerend Europa, en den tot slaaf gemaakten Javaan? Er is inderdaad aan handel, aan wezenlyken handel, een zeer geniale zyde. Een der kenmerken van zulken handel, is het opwegen, in zekere mate, der kansen van winst door verlies. De verhouding tusschen die kansen - ik zeg niet de gelykheid, want dan zou 't dobbelen zyn - veroorzaakt zekere spanning, die moed, kracht, inzicht, kennis en energie vordert. Welke energie of kennis is er noodig tot het verschacheren van waren die men verkreeg tegen pryzen welke de kooper zelf vaststelde naar willekeur? Ben ik handelaar als ik me heer maak over 'n werkman, en hem dwing z'n werk aan my te leveren tegen een prys beneden de markt? Sluit dit niet alles buiten, wat handel zou maken tot iets geestverheffends? Moet niet hy die daarmeê zich hoofdzakelyk bezighoudt, vanzelf terugvallen in een zeer onzedelyke apathie?
Wees niet bevreesd voor de tegenwerping dat de materieele zyde alles domineert, dat men niet ver komt met sentimenteele politiek, want straks by 't behandelen van den stoffelyken toestand des Volks, zullen wy zien dat hier, gelyk veelal, zedelykheid - de ware - hand-aan-hand gaat met welvaart, en dat het voordeel van de weinige exploiteurs die zich handelaars noemen, in-geenendeele het voordeel is van de Natie. 't Zou dan ook wel heel ongelukkig wezen, als een Volk ontzenuwende handelingen noodig had om te blyven bestaan. Zoo'n volk mag uitsterven als de roodhuiden.
Handel? Is de geestdoodende vrachtvaart van producten - zóó voortgebracht! - handel? De overgroote meerderheid onzer reederyen staat in ondernemingsgeest beneden de aandeelhouders in een binnen-trekschuitveer. Deze toch zyn afhankelyk van kansen, welker berekening eenige inspanning gekost heeft, terwyl de zoogenaamde groote vaart, met volkomen zekerheid hare inkomsten vooruit kan vaststellen, of waar zy dit niet kan - zoo-als byv. onlangs by de vrachtvermindering - geheel afhangt van de willekeur eener party, en niet van den natuurlyken loop der zaken. De mogelykheid bestaat dat 'n ministerie, met zeer gemakkelyken pennestreek, de vrachten terugbrengt tot vorig bedrag, en daartoe ware slechts zekere invloed noodig, dien we herhaaldelyk op zeer onzedelyke wyshebben zien influenceeren op de publieke zaak. Alzoo is die dusgenaamde handel geheel-en-al afhankelyk van luim of eigenbelang der regeering, of juister: van de weinige personen die tydelyk regeeren, en niet van eenen in de natuur der dingen liggenden toestand. Welk zeer onzedelyk dryven en pogen hieruit voortvloeit, behoeft geen betoog. Men verbeelde zich 'n speeltafel, waar sommige personen de macht bezitten, de kaarten te verdeelen naar goeddunken, en van die faculteit misbruik maken ten-behoeve van vrienden, of ten nadeele van tegenstanders. Maar de onzedelykheid der regeering hoort thuis onder de fouten der staatsinrichting. Dus daarover straks.
Handel, nog-eens? Wanneer men het daartoe noodig kapitaal - in economisch-juisten zin nu - verdeeld heeft in: kennis, ligging en opbrengst van het land, hulpbronnen van verkeer, behoeften van eigen volk en van anderen, kortöm in al de factoren die 't dryven van handel mogelyk maken, wie zal dan ontkennen dat kapitaal - in dagelykschen zin: geld - een hoofdingrediënt uitmaakt van 't geheel?
Welnu, waar zyn de kapitalen des Volks? Waartoe worden ze gebruikt? De bezitting der kapitalisten steekt in papier, in schuldbrieven. En de voornaamste handel bepaalt zich tot ‘weddingschap op hausse of baisse.’ Wie roode, geele of blauwe Grieken
koopt, wedt dat die papieren zullen stygen. Wie ze verkoopt - tenzy gedrongen door nood, en dit maakt de zaak niet schooner - wedt dat Griekenland zal achteruit-gaan. En waarop bazeert zich dat wedden? Op 't bestudeeren der omstandigheden van dat land? Op kennis van zaken? Volstrekt niet. Een gril, een luim, een niets, beweegt den effectenspeler tot koop of verkoop, en evenmin als de dwazen te Homburg of te Spa, weet hy reden te geven van z'n zet. Doch aan zoo'n speelbank is iets openhartigs by de zaak. De speculant op rouge of noir zegt, na voordeelig spel: ik heb gewonnen.Onze effectenluî zeggen, zeer onzedelyk liegende: ‘ik heb verdiend!’
Is 't handel eindelijk, de oproepingen die we dagelyks vinden van ‘voorname’ huizen aan 't publiek, om geld te schieten tot ondernemingen, waartoe men hoogstwaarschynlyk Publiek's geld niet behoeven zou, wanneer ze zoo voordeelig waren als die ‘voorname’ huizen dat afschetsen? Daarby behooren dan: namen. De kommissaris is kommandeur van de een of andere kroon. Een der directeuren is staatsraad in zekere - of onzekere - dienst. De raad van toezicht schittert van sterren en titels. Maar als later de geloovige geldschieter zich aanmeldt by een van die heeren, om dividend, om rente, om inwisseling a pari zelfs, van het verstrekte, dan blykt er dat de heeren die de oproeping teekenden, de onderneming wel patrocineerden, maar volstrekt niet garandeerden. Het antwoord ligt voor-de-hand, al spreekt men 't dan liever niet uit:
- ‘Myn goeie man... dit begrypt ge toch... als de zaak zoo goed ware geweest als we zeiden... zou ik niet uw geld, maar m'n eigen geld daartoe gebruikt hebben!’ *
Onlangs las ik een dusdanige oproeping in de nieuwsbladen. Eenige heeren met velerlei titels - de vrome ex-burgemeester van Amsterdam stond boven aan - raadden de lezers aan, geld te
schieten in eene internationale logement-opzettery. - NB. de vermoedelyke kapitaalskracht der onderteekenaars reikte waarschynlyk ruim toe, om de benoodigde som, zonder Publiek, byeentebrengen, doch daarin bleken zy geen lust te hebben. - Dezelfde bladen behelsden op 'n andere bladzy, een entrefilet: ‘men verneemt dat de aandeelen in de internationale hôtel-vereeniging, op de beurs te Londen met eene premie van 7/8 à 11/4% worden verhandeld!’ De heeren dreven dus de edelmoedigheid zóó ver, dat zy die winst welke te Londen terstond te behalen was, niet voor zichzelf namen, maar die geheel belangeloos ter beschikking stelden van ieder die in-staat was zich 'n aandeel aanteschaffen van 25 pond sterling.
Zyn zulke kwakzalveryen zedelyk?
Is er moraliteit in 't speculeeren op de onkunde van de menigte
die voortgaat aan zekere namen en titels eenige waarde te hechten?
Hoe 't overigens gaat met zoodanige ondernemingen! Ik ben in de gelegenheid geweest, eene daarvan nategaan in wording en voortgang. Een bankierskantoor stelt de negotiatie open, en begint met 'n speculatie op de dubbele beteekenis van het woord: goed. Een goed huis, dat is zoodanig huis welks handteekening discomptabel is by de bank, heeft meermalen die renommée van goed, dat is: solide ter verplichte betaling, solvent, te danken aan 'n reeks van handelingen die volstrekt niet goed zyn. Het bankiershuis waarvan ik sprak, was zeer solide. Of 't goed was in moreelen zin, zal straks blyken. Op aanpryzing van het ‘goede’ huis, waren de veertien of zestien ton die er tot de bedoelde onderneming noodig waren, spoedig by-elkaêr. Het goede huis vergat niet, de behoorlyke administratiekosten aftetrekken. Indien het dit verzuimd had by deze en vorige gelegenheden, zou immers het huis onmogelyk zoo ‘goed’ geweest zyn?
Na 't verwerken van de hoofdsom, bleek er - of altans men gaf voor - dat er fouten waren ontdekt in de raming. De aandeelhouders werden genoodigd tot suppletie. Het mes werd op de keel gezet: ‘om niet alles te verliezen, moest er 50% by.’ Velen deden het. Anderen, onmachtig, verkochten de aandeelen in het hoofdkapitaal, voor 12 à 15%. Van die aldus verkochte aandeelen, kwam 't grootste gedeelte in-handen van het ‘goede’ huis. Na eenige jaren arbeids, deed zich een force majeure voor, die volgens de circulaire van het ‘goede huis’ de zaak zeer belemmerde, en alle vooruitzicht den bodem insloeg, tenzy men voorzag in eene nieuwe suppletie van fondsen. Wederom daalden de aandeelen. Het huis had geen concurrent in 't opkoopen, en maakte daarvan een ruim gebruik, met het gevolg dat eindelyk een bedrag van circa drie miljoenen gestorte fondsen, of wel de voor dat bedrag verkregen rentable arbeid, in het bezit is geraakt van het ‘huis’ dat daarvoor niet meer dan 9 à 12%, of circa drie tonnen heeft uitgegeven. Het verschil drukt het verlies uit, dat geleden werd door vele armen. Ik weet van zeer naby dat 'n oude keukenmeid, dienende by de familie van het ‘goede huis’ haar spaarpenningen by die speculatie heeft ingeschoten.
Is dit zedelyk?
Ik sprak van couranten en hare betaalde entrefilets. Is 't zedelyk, dat ze 'n verraderlyk: ‘men verneemt’ laten drukken voor een kwakzalversbetoog, en aldus op hare beurt misbruik maken van de lichtgeloovigheid der naïve lezers? Hoe overigens de nieuwsbladen in elkaêr worden gezet, heb ik gekarakteriseerd in m'n eerste brochure over Vryen-arbeid.
En als er nog bewys noodig ware voor de verregaande onzedelykheid
der voorlichters van de publieke opinie *hebben wy niet nog onlangs gezien † hoe een zoogenaamd liberaal blad zich aan een tegenstander verkocht? Is dat zedelyk? Wat moet men zeggen en denken van lieden die jaren lang voorgaven zekere opinie te zyn toegedaan, en eindelyk na veel groote woorden van: principes, overtuiging, vaderlandsliefde, gehechtheid aan het ware en goede, die - nà dat alles - hun invloed, hun talent, hun orgaan, weggeven voor 't bod des tegenstanders, opdat-i zyn invloed, zyn talent, zyn orgaan daarvoor kunne in de plaats stellen, om later - wie weet! - dat alles weêr te verkoopen by een convenabel bod?
Is dit zedelyk?
Is 't zedelyk dat 'n predikant - onder toejuiching nog-al! -zyn gemeente verwyt dat ze dom en lichtgeloovig was in 't aannemen van de leugens die hy vroeger verkondigde voor loon, en dat hy nu onbeschaamd voortgaat dat loon te ontvangen, schoon-i betaald wordt voor 't bepreeken van het tegendeel? Dat-i nu 't volk bedriegt op tweërlei wys, de geloovers door een walgelyk-laffe klanknabootsing van de oude taal Kanaäns, de halfdenkers door 't noemen van 'n waarheid hier-en-daar? Dat-i voorts zich aanstelt als hadde hy die waarheden ontdekt, hy, en niet de velen die lang vóór hem ze luide hebben verkondigd, en daarvoor scheldwoorden en laster inoogstten van hem en z'n geestverwanten? Ik spreek hier uit persoonlyke ondervinding.
Is dat zedelyk?
Gy begrypt dat ik in dit vluchtig schryven minder betoog, dan aanstip. Het is my minder te doen om volledig te zyn, dan waar. Ik zou nog veel te zeggen hebben over de scholen, over de kroegen, over de schouwburgen, over de kerken. Over al de schandelykheid welke er gedoceerd wordt in die inrichtingen. En over veel meer dat ik nu oversla, om 't bestek van dezen brief niet te-buiten te gaan. Ook zal ik op veel punten terugkomen by 't behandelen van den intellectueelen en stoffelyken toestand, daar alles zoo nauw in-elkaar grypt dat splitsing moeielyk is. Voor ik evenwel afstap van de vluchtige opsomming der feiten
die over 't algemeen den staat van onzedelykheid der natie staven, wil ik nog even terugkomen op den zoogenaamd geringen stand. By den werkman bestaat niet de minste gedachte dat er door yver en inspanning, mogelykheid is tot ‘vooruitkomen.’ Het blyft de vraag of die gedachte, àls ze bestond, hem gelukkiger maken zou, en of niet de vruchteloosheid zyner begeerte hem meer zou grieven, dan thans zyn slaperige, onbewuste apathie, schoon 't aan den anderen kant zeker is, dat alle moreele en materiëele vooruitgang onmogelyk blyft, zoolang hy daartoe geen begeerte voelt.
Onze vrachtvloot is voor 'n zeer groot gedeelte, ja uitsluitend byna, bemand met Denen, Noren, Zweden, Jutten en Oostzeeduitschers. Het Nederlandsche Volk, zoo by-uitnemendheid zeevarend naar men zegt, vaart volstrekt niet ter-zee. Er staan veel schepen geboekt op naam van Nederlandsche kantoren, dit is alles. De noodige energie - toch zoo byzonder groot niet - om dienst te nemen aan boord van 'n koopvaardyschip, schynt te ontbreken, en dit is te-meer in 't oog vallend, wanneer men let op 't verschil tusschen de voeding van den matroos en van den ambachtsman, een verschil dat menigeen naar zee moest lokken, naar 't schynen zou aan ieder die geen achtslaat op het treurig, zeer onzedelyk verschynsel, dat zelfs honger niet in-staat is het volk wakker te schudden.
Is die toestand zedelyk?
Weêr moet ik aandringen op 't besef der onzedelykheid van de dwaling, die zedeloosheid by uitsluiting zoekt in 't geslachtsleven. Dat hebben de heeren moralisten gemakshalve ingevoerd, om door 't prediken van ‘onthouding’ zich den schyn te geven van boetprofeten. Het is zeker lichter de heel passieve deugd van onthouding te preeken, dan voorschriften te geven hoe men behoort te handelen. De ware zedelykheid is werkend, niet lydend. Deugd is: geluk geven, en geven is 'n handeling.
Hoe is 't, uit dit oogpunt beschouwd, gesteld met de zedelykheid van 't Volk? Wat is, om nu by de dusgenoemd lagere klasse te blyven, de vader voor den zoon? De man voor de vrouw? Wat zyn de kinderen voor de ouders? Hoe volbrengen die individuën, van weêrszyde, in 't algemeen de verplichtingen die wy zoo treffend vinden... in een boek, maar zoo zelden aantreffen in de wereld? Klinkt het niet byna als 'n ongerymde vordering dat menschen inderdaad menschen zyn? Geldt niet in 't spraakgebruik de uitdrukking: ‘hy drinkt niet’ als 'n lofspraak? Zyn wy niet reeds tevreden, als er van een werkman wordt gezegd: ‘hy is oppassend’ alsof dit genoeg ware? Alsof 't voldoende was, dat hy geen reden geeft om te worden weggejaagd uit winkel of
werkplaats, en alsof z'n zedelyke minderheid zóó wordt aangenomen als van algemeene bekendheid, dat zelfs de vordering van iets hoogers ons voorkomt als ongerymd?
Ligt er niet in de laagte der eischen die we gewoon zyn te stellen aan den geringeren stand, een bewys dat er over 't geheel van de zedelykheid in dien stand weinig verwacht wordt?
Van dien stand? Wat wil 't zeggen: van dien stand? Is de scherpe afzondering der standen, zooals die in Nederland wordt gehandhaafd, zedelyk? Ik trek geen party voor den onttroonden adel der middeleeuwen, maar zyn we zooveel verder met onze kruieniershoogheid? Met onzen boerentrots? Met de morgue van onze parvenu's? Met de insolentie onzer vry-arbeiders, contractanten, concessionarissen, effectenprinsen, en hoe al 't volk heeten moge, dat 'n onëvenredig deel inslokte van de algemeene welvaart? *
Welk nut heeft 't Volk getrokken van de fransche revolutie, als de plaats der ci-devants overal wordt ingenomen door ander canaille? Drukte de belasting die men in ontzag, goederen en bloed moest opbrengen aan gemeene ridders, zooveel zwaarder, dan die 'r nu wordt opgebracht aan 't fatsoenlyk gemeen? Is 't zoo'n voordeel, dat wy de wolven hebben verruild voor vampiren? Wonden en snellen dood, voor tering en langzaam sterven?
Wat beduidt overigens die gelykheid in kerk of loge, de broederschap die we hooren preeken binnen'skamers, maar die terstond schynt te vervallen, zoodra de broeders zyn teruggekeerd in de maatschappy? Wat helpt het, of men een God heeft die als algemeene vader heet te fungeeren, als-i z'n gezin zoo ongelyk behandelt, voedt, kleedt en huisvest? Of als de beter bedeelde broeders op de anderen neêrzien met minachting? Zou 't ook hier zyn: un frère est un ennemi donné par la nature?
Is die afscheiding van standen zedelyk?
Meen niet dat ik gelykheid predik. Volstrekt niet. Zoowel als de maat van myn kleeding verschilt van de maat die 'r past aan m'n kleinen jongen (50) zoowel ook is er groot verschil in zedelyke waarde, in verstandelyke ontwikkeling, in gepresteerde dienst, en dus in aanspraak. Volstrekte gelykheid is ongelykheid,
en daarom onbillyk. Maar 't verschil van stand wordt niet aangewezen door verschil in bezitting. Hoe? M'nheer die of die wist miljoenen by elkaêr te zuigen uit de bron die allen moest laven... anderen hebben te weinig, wat hy te veel genoot... en men zou hem by 't onwettig leeuwendeel dat-i wist te zamelen, nog eerbied en onderdanigheid bewyzen bovendien?
Is dit stellen van een premie op 't byeenschrapen van fortuin, niet laag en laf in wie ze aanbiedt, oneerlyk en laag in wie ze vordert of ontvangt?
Is die toestand zedelyk?
Ik erken dat de lamzalige onderdanigheid van middelstand en armen my meer stuit dan de trots der anderen. * Als ik kiezen
moet tusschen een kalf en wie er voor knielt, kies ik 't kalf. Het beest is stom, en kan niet zeggen: besteed je tyd en je kniën beter.
Gelykheid? O neen! Geen twee bladen aan een boom zyn ge-
lyk. Geen twee bladen zelfs in de heele natuur. Geen twee stofjes. Neen, geen gelykheid!
Er is verschil, en groot verschil, tusschen een mensch en een
mensch. De waarlyk brave man die 't goede wil, die 't betrachtte, die daaraan z'n leven wydt, daarvoor zich opoffert als 't noodig is... o, hy staat niet gelyk met den ellendeling die onder schyn van nederige vergetenheid, zich alleen bezighield met het mesten van zyn ik, met rusten zonder ooit te hebben gearbeid. Curtius, die in den kuil sprong om Rome te redden, staat niet gelyk met 'n verrader die z'n medeburgers in den kuil gooit om zichzelf te bevoordeelen. Ik sta niet gelyk met Duymaer van Twist. En zùlk verschil van stand wil en zal ik handhaven met alle macht. In dàt verschil ligt ook de natuurlyke adel die nooit kan worden weggecyferd, al heeft men ten-rechte den maatschappelyken onnatuurlyken perkament-adel beroofd van alle prerogatief.
De ware adel zit in 't hart, en plant zich voort in de harten. Ten-allen-tyde zal 't een kind aangenaam zyn te hooren, en een spoorslag wezen ten-goede, dat men hem zegt: uw vader dacht
- en handelde - goed. Die adel blyft bestaan. Gevolg van feiten, is hyzelf een feit.
En er bestaan ook andere verschillen. Verschil in ontwikkeling van denkvermogen, toon, beschaving, ondervinding, smaak. O zeker, dit alles scheidt de menschen in soorten en klassen. En ikzelf erken, zeer aristocratisch gesteld te zyn op 't handhaven van dat onderscheid, en daarom dan ook afkeerig van veel omgang. * Maar dit alles wettigt de afscheiding van standen niet, zoo-als we die waarnemen in onze maatschappy, en die belachelyk wezen zou, als de gevolgen niet zoo treurig waren. De groothandelaar acht zich verheven boven den tweedehands-koopman. Deze boven den makelaar of winkelier. De winkelier in die straat, boven z'n collega in een andere straat. Deze weêr boven den uit-venter op den publieken weg. Het getal afscheidingen is eindeloos, en er hoort een microscopischen blik toe, om al de verschillen waartenemen. Ik ben er dan ook dikwyls meê in de war, en verwys u, als gy gesteld zyt op juistheid in de classificatie, tot meester Pennewip.
't Is treurig, zeide ik. Ja. Want de zoogenaamd-hoogere klasse leert de lagere niet kennen. De broederschap openbaart zich alleen in tyden van gevaar. Dan is de arme of minder welvarende broeder goed genoeg voor schutter, conscrit, pypgast, of nummer zooveel op de lyst van choleralyders. Dan zakt de hoogheid een beetje, en verwaardigt zich tot kennisname van 't bestaan der lager geplaatste broeders. Overigens blyft ze, zelfs waar menschenliefde 't pakjen aantrok van uithangbordige philanthropie, op 'n afstand, grootsch, styf, vormelyk, en... wreed. Zonder in 't minst party te trekken voor verjaarde toestanden, beweer ik dat de verhouding tusschen adel en gemeenen, tusschen slavenhouders en slaven, over 't geheel, meer lichtpunten aanbood, meer liefelyks bevatte, dan er in onze maatschappy wordt gevonden in de
relatien van armen, burgerluî en ryken. En dit nog: de ryken zyn 't ergst niet. De middelstand, de ‘heele fatsoenlyke’ middelstand drukt veelal met z'n halfbakken fatsoen nog zwaarder op den armen werkman, dan de ryke wiens hoogheid niet betwist wordt en die dus, eenmaal 't gouden kalf vertoonende, altans in z'n rol is door kalverigheid.
Ook de verhouding tusschen patronen en cliënten te Rome was schooner, dan wat daarvoor in de plaats zou moeten zyn by ons. En zoo geheel anders was de opvatting van den band tusschen meester en slaaf by de oude Romeinen, dat we in onze moderne talen het woord ‘familie’ hebben overgenomen ter aanduiding van bloedverwantschap, terwyl dat woord toch oorspronkelyk het huisgezin beteekende: met inbegrip van lyfeigenen. Dat men oudtyds z'n slaven mishandelde, is waar. 't Is even waar, als dat er tegenwoordig zooveel kinderen mishandeld worden door de ouders. Maar uit alle geschriften blykt dat de verhouding tusschen meester en knecht, tusschen aanzienlyk en gering, in vroeger tyd inniger was dan by ons, en misschien ware 't niet onjuist het woord familiaar te vertalen met: zoo-als een dienaar (famulus) tot z'n heer spreekt. Zoo kan er verwyt liggen in spraakgebruik, en soms moet men de taal verkrachten om leugenachtige zeden te verschoonen. Van ons woord: slecht, dat in maatschappelyken zin beduidde:onaanzienlyk, niet voornaam, heeft de meisjesachtige preutsheid van die zeden een neusöptrekkend méchant gemaakt. Kerel = 'n manbaar persoon, een volwassen, sterk, dapper man - misschien, even als 't woord kracht, van den sanskritwortel kr = werken, maleisch: kerdda - is vastgegroeid aan: gemeen. Ja, 't adjectief hoeft er niet eens by. De beteekenis daarvan is opgenomen in 't hoofdwoord. Wie werken kon, wie sterk was, flink, dapper en bekwaam om z'n handen uittesteken, moest 'n gemeen persoon wezen. 't Was ‘onfatsoenlyk’ dachten de meisjes van de kostschool die 't menschdom bezoekt sedert 'n eeuw of vier. 't Woord gemeen zelfs hoort geheel by deze opmerkingen. Commun, communis, ke- of gemein, common... overal heeft die klank nu de beteekenis van zekeren degradatie, terwyl toch de oorspronkelyke zin alleen doelt op ontstentenis van rang. 't Woord dief - Saksisch theof - beduidt niet: iemand die steelt. 't Is een dienstknecht, een volgeling, een lyfeigene, iemand van lagen rang altoos, maar geen misdadiger daarom. Het denkbeeld: misdaad, oneerlykheid, schande enz. is, in al die woorden, een uitvindsel van 't ploertig fatsoen der eeuwen. *
Maar genoeg van taal. Is 't in onze maatschappy zedelyk, dat de armen en gemeenen op zoo verren afstand worden gehouden?
De ryken en aanzienlyken zyn òf beschaafder, verstandiger, beter dan de geringen, en in dat geval zyn ze wat meêdeeling schuldig van den zedelyken schat dien ze bezitten. Of ze zyn dat alles niet, en dan vervalt hun aanspraak op onderscheiding.
Maak evenwel uit dit alles niet op, dat ik de geringen zedelyk hoog stel. Integendeel, ik vind het gemeen meestal zeer gemeen.
Alleen beweer ik dat de ongemeenen verantwoordelyk zyn voor de laagte waarop hun gemeene broeders staan. Als ik 't straatgezang hoor, dat me zoo walgt, ben ik verontwaardigd, ja. Maar in dit gevoel is beklag van de zangers, aanklacht tegen de voorgangers. Tegen de voorgangers in de raadzaal en wettenfabrieken, op kansels of katheder. Op hùn hoofd komt de liederlyke smakeloosheid van 't Volk. 't Is de witharige wysheid van 't fatsoenlyk canaille, dat aangetast moet worden over den toestand der armen. En dat voor dien toestand boeten zal, als ik nog wat leef, en gelegenheid heb om te werken. De maskers van gehuichelde deftigheid moeten afgelicht worden. Het Volk moet weten: eerst hoe laag 't zonk, daarna hoe 't door geloof, staatkunst en fatsoen, met grondwetten, kiezerybluf en dagbladen, met witte dassen en keizersgrachtery, met bybels, tractaatjes en een ‘Heer’ tot die laagte gebracht is.
Een Heer? Zeker. Ik mag myn hoofdstuk over de zedeloosheid des Volks niet sluiten, zonder melding te maken van den godsdienst die zoo'n ellendige hoofdrol speelt in onze maatschappy. (428, 429, 436, 437) In gods naam stuurt men z'n kinderen naar katechisatie of biechtstoel. In gods naam laat men ze biologeeren door 'n geestelyke. * In gods naam verwaarloost men verstand, hart, karakter, wilskracht, eergevoel...
In gods naam maakt men den Javaan tot slaaf, en idioten van de Hollanders...
Och, de aarde zou zoo leelyk niet wezen, als men zich minder liet bedriegen door al 't ontuig dat z'n zes schellingen vraagt voor 'n boodschap uit den hemel. (443)
Voor ik overga tot de beschouwing van den intellectueelen toestand van 't Volk, moet ik u nogmaals herinneren hoe deze brief door myzelf wordt gehouden voor zeer onvolledig. Meermalen zag ik kans, één regel daaruit te maken tot tekst van 'n heele preek. Gy weet dat ik maar aanstip, en staat-maak op den rykdom uwer eigen opmerkingen, en die van andere lezers, om aantevullen of uittebreiden wat ik voorbyging of vluchtig noemde. Voor ik verder ga, heb ik evenwel 'n andere opmerking. Straks in de tweede en derde afdeeling van dit hoofdstuk, zal 't u wellicht toeschynen, dat ik ten-onrechte sommige punten behandel als verstandelyke fouten, wyl ze thuishooren op stoffelyk gebied. Misschien ook zal ik aan andere zaken plaatsgeven onder de afdeeling:
materieele toestand, die ten-rechte zouden behooren by de beschouwing der zedelykheid. Welnu, 't is me om 't even. 't Moge u een bewys te-meer zyn, dat ik ditmaal vluchtig schryf, meer doelende op wakker-maken dan op overtuigen, meer op alarm roepen, dan op wegwyzen of aanvoeren. 't Ontwaken moet elke verbetering van richting voorafgegaan. Gelukt het my, een eind te maken aan den loggen slaap waarin Nederland verzonken is, dan scheelt het me weinig of deze en gene opmerking in dit schryven op de rechte bladzy staat. Bovendien, gy weet het, ik ben zeer tuchteloos. En dit wil ik blyven, vooral ook omdat ik zoo weinig goeds zie doen door de luî die tucht hebben... naar hun zeggen.
En, eilieve, is 't wel waar dat deze of gene opmerking niet op de juiste plaats gesteld is? Bestaat er wel een juiste plaats voor opmerkingen, die allen in-elkaêr grypen? Had ik ook wellicht beter gedaan, elke verdeeling wegtelaten? Zou 't ook misschien ordelyker wezen alles dooréén te plaatsen, juist om aantetoonen hoe alles in-verband staat? Misschien wel.
Nu, zoodra ik weer zoo'n brief schryf, zal ik de kiezery laten volgen op de voeding, de straatliedjes op de preeken, de veerkrachteloosheid van den werkman op 't plichtverzuim van regeerders, en dat alles onder dit eene hoofd: verrotting.
Maar nu ik eenmaal begonnen ben met in driën te preeken als 'n domine, zal ik zoo voortgaan. Ik ben genaderd tot:
b.) Intellectueel. Het onderwys is slecht. De kinderen en jongeluî leeren over 't algemeen juist genoeg om te geraken tot 'n broodwinning. En zelfs dat ter-nauwernood. Professer de Gelder klaagde dat men hem zooveel studenten op z'n collegies zond, die niet bedreven waren in... de vier hoofdregels der lagere rekenkunde! En spreek eens met jongeluî die schoolgaan, of de scholen reeds verlieten. Merk eens op, hoe weinig ze weten, en hoe nog dat weinige verward dooreen ligt. Hoe oppervlakkig meestal de kennis is, die ze hebben van de meest gewone zaken, van zaken die ze toch noodig hebben te weten. Op hooger en lager scholen wordt een-en-ander onderwezen, dat meestal later blykt eigenlyk meer te zyn opgenomen onder de vakken van onderricht, om zeker soort van leeraars aan den kost te helpen, dan om die leerlingen tot practisch-bekwame menschen te vormen. (340, 341) Dit geldt voor den werkman zoo goed als voor den zoogenaamd geleerde. Het lezen en schryven van den eerste, baat hèm even weinig, als de klassieke schoolgeleerdheid den ander. Oefening in het denken - beter buiten dan in de school - wordt meermalen eer onderdrukt dan aangemoedigd, en de blyken daar-
van zyn menigvuldig. Het zeer gemakkelyk autoriteitsgeloof neemt de plaats in van zelfoordeelen, en de oogst zou zeer schraal wezen, als men de oorspronkelyke denkbeelden byeensprokkelde, die er sedert langen tyd gegroeid zyn op Nederlandschen grond. * In requisitoren en vonnissen beroept men zich brutaal-dom op jurisprudentiën van 't een of ander hof, dat is: op de meening van 'n paar onbekende ouwe heeren die lang genoeg leefden om raadsheer te worden. Het heeft er veel van, als-of men zeide: zoo was 't gevoelen van apostel die of profeet die. En aldus worden er vonnissen gegrond op opiniën van personen die aan spoken geloofden, en niet wisten dat de aarde draait. Dat noem ik de theologie van het recht.
Ik herinner me, in Indië eenmaal eene kwestie te hebben gehad over de vraag, of zeker meisje dat ten-huwelyk aangeteekend was, en trouwen wilde zonder den by de - toen nieuwe - wet, bepaalden ouderdom te hebben bereikt, al of niet mocht huwen? De heeren van de rechten brachten er Justinianus en Hugo de Groot by te-pas... of te on-pas. Ik liet het kind by me komen, zag duidelyk, zonder de Groot of Justinianus te raadplegen, dat ze onder de oude wet voorschot had genomen op de nieuwe, en trouwde haar.
Schryvers wedyveren in onbeduidendheid, en zouden nog onopgemerkter voorbygaan dan het geval is, wanneer zy niet onderling à titre de revanche elkander verhieven door lof, of - wat byna op 'tzelfde neerkomt - deden in 't oog vallen door tegenspraak.
In het algemeen is de niveau van hen die 't Volk voorgaan in kennis, geleerdheid en oordeel, zeer laag, en er ware een heel dagblad te vullen met de dagelyksche vermelding alleen, der anecdotische nietigheid van de Schriftgeleerden. Zie als 'n staaltje, in m'n Ideen, de aanhaling van professor Muurling die in z'n formulier ter inzegening van 't huwelyk, den predikanten uitdrukkelyk voorschryft, het huwend paar geen opstaan te bevelen wanneer dat paar niet geknield ligt, noch de gemeente toetespreken als de gemeente niet tegenwoordig is, enz. enz.
't Verzamelen van dergelyke staaltjes moge den lachlust der lezers opwekken, het is een treurige arbeid, en wie 't in den grond wèl meent met het Volk, geeft daarover zyn sarkasmen niet zonder smart.
Wat is er te denken van den intellectueelen toestand der minderen, als we byvoorbeeld in 'n krant-artikel lezen, dat het publiek ministerie in een ‘sierlyke’ rede... den dood eischte, gelyk onlangs in de Rotterdammer. Welk denkbeeld heeft zoo'n schryver van sierlykheid, van ‘den dood eischen’ en van misdaad?
Wat moet men gelooven van de verstandelyke ontwikkeling eens Volks, waar 'n minister van finantiën niet weet wat 'n bankier is? Zoo-als onlangs bleek.
Kort na de koncessie voor 't doorgraven van Holland op z'n smalst namelyk, zei de Heer Betz dat die zaak toch zeker goed was ‘want hy wist van-goeder-hand dat er londensche bankiers waren, die hunne bureaux wilden openstellen voor de inschryving.’ Dat is: er waren in Londen wel menschen die zonder eenige risico, 5% van 18 miljoen wilden verdienen. En er was niemand in de Kamer, die opstond om den minister te vragen, welke bewyskracht ten voordeele der verleende concessie er in zyne mededeeling gelegen was?
Ik denk dat de londensche bankiers ook wel genegen zyn - tegen 5% altoos - gelden te ontvangen om 'n spoorweg naar de maan te maken, als ze maar niet gehouden zyn hun geld daarin te steken, of meetereizen.
Wat heeft men te denken van de intelligentie eens Volks, dat na zoo moeielyken barensnood by 't kiezen, voorgelicht en geholpen door zoovele kieskollegien en dagbladen, niets anders weet byeentebrengen dan de zeventig heeren die 't vertegenwoordigen, die 't zóó vertegenwoordigen als we dat dagelyks lezen kunnen in 't byblad? Van zoogenaamd-staatkundige partyen spreek ik nu niet. Ik spreek van bekwaamheid, van talent, van kunde. Dat alles toch ware te vorderen in menschen die verondersteld worden de élite der natie te zyn. Misschien zelfs zou er spraak behooren te wezen van genie, in mannen de geroepen zyn kennis te hebben van... alles. Doch zonder de eischen zóó hoog optevoeren, welke uitstekende mannen heeft ons parlement opgeleverd sedert 1816? En vooral sedert 1848? *
Een aandachtige beschouwing van de Nederlandsche parlementaire geschiedenis, geeft aanleiding tot zeer bedroevende opmerkingen. (Vergelyk wat ik daarover zeg in myne eerste brochure over Vryen-Arbeid, alsmede myn uitval in dat boekje tegen de dagbladschryvers.)
En de ministers, de Regeering! Afwisselend behoudend en liberaal, blyft zy zich standvastig gelyk in onbekwaamheid. De stukken die de ministeriëele bureaux verlaten, munten uit door gebrek aan styl, door slechte redactie. Nog niet zeer lang geleden, werd dit in de kamer erkend door partyloopers van 't betrokken ministerie zelf, en ook zonder die erkenning zou 't heel moeielyk wezen het tegendeel voltehouden. Wat dan ook nooit beproefd wordt.
Ik hecht aan welsprekendheid, en aan 't kunstje van schryven, niet de waarde die daaraan wordt toegekend door het algemeen. Maar zy die wèl hechten aan de wyze van uiting, op welke schitterende voorbeelden hebben zy te wyzen? Waar blykt het dat die kunsten welke volgens my leiden tot parlage en verbiage, maar die door anderen worden toegejuicht, ik zeg niet op hoogen, maar zelfs op middelmatigen trap staan in ons land? Waar is in ons parlement, Guizot, Thiers, Jules Favre, Berryer? Of om terugtegaan, welken Danton hebben wy? welken Robespierre? welken Barnave? En vooral, welken Mirabeau? Ik spreek nu niet van staatkundige richting, ik spreek alleen van talent.
En onze rechtbanken en balie! Telkens als er 'n lid sterft van rechtbank of hof, zegt de president by 't installeeren van z'n opvolger: dat die overledene nu juist zoo byzonder knap was. Zoolang de man leefde, wist niemand iets van die knapheid.
Altans men bemerkte er niets van in de rechtspraak. 't Is 'n gewetenstillende regel geworden, dat de uitspraak der justitie niet zoozeer ten-doel heeft het recht te handhaven, als wel: op wettelyke wyze een eind te maken aan kwestien. *
Ach... die opmerking behoorde in m'n afdeeling: zedeloosheid.
En als de couranten verslag geven - welk verslag, lieve hemel! - van 'n terechtzitting, heeft de advokaat die of die altyd
zoo byzonder mooi gesproken. Eilieve, waar is onze Dufaure, Crémieus, Chaix d'Est-Ange, Lachaux, Jules Favre alweêr, en Berryer alweder, en vooral waar is onze Paillet?
Ja, zegt men... welsprekend zyn ze niet ten onzent, maar... 't zyn zulke ‘knappe juristen.’ Och! Dat zei men ook van den procureur Duymaer van Twist! *
Onlangs las ik 'n memorie van verdediging, gesteld door zoo'n knappen jurist. 't Ding was geredigeerd op 'n wyze die 't maakte tot een memorie van zelfbeschuldiging. De ‘knappe jurist’ liet eerst z'n cliënte een paar punten ontkennen, en daarna ‘god almachtig’ aanroepen by 'n volgend punt, alsof ze zoo'n prachtig woord by de vorige ontkenningen niet durfde gebruiken, en die alzoo introk. De heele verdediging gaf daardoor den indruk van schuldbekentenis, vooral wyl de zinsnede waarin god voorkwam als geciteerde getuige à dècharge - of-i gecompareerd is, weet ik niet - zoo kronkelig gesteld was, dat meer de plaats waar, dan 't feit zelf scheen bedoeld te worden, waarom 't dan toch om de schuld te beoordeelen, te doen was.
En intelligentie op ander terrein. De voorbeelden heb ik voor 't grypen. Is niet van der Palm de prins der kanselredenaars, bybeluitleggers, enz.? lees eens die bybeluitlegging, en als ge niet verbaasd zyt over de diepte zyner opmerkingen, over deze, byv.: ‘dat onder 't woord beddekens - als kind las ik altyd dekens - moet verstaan worden groote bedden en kleine bedden’ dan zoudt ge verdienen ten-eeuwigen-dage te slapen op zoo'n klein bed.
Wilt ge iets van later tyd? Onlangs kocht ik postpapier, en las 't gedrukt blaadje waarin 't gewikkeld was. Ik vernam daaruit, dat de wyn die Jezus wonderde te Kana ‘van zoo byzonder goede hoedanigheid was.’ Premier crû zeker. En hoe wist de schryver dit? Wel, heel eenvoudig: ‘de hofmeester van den huize had het verklaard, en die was een deskundige.’ Gy begrypt dat ik den naam wilde weten van den voorganger des Volks, die zooveel - en zulk! - licht verspreidt. Ik vraagde er naar: de man heet Nonhebel, van beroep: schriftgeleerde.
Wilt ge meer staaltjes? Voor eenigen tyd had Domine Koetsveld ontdekt dat er in den bybel zooveel vieze dingen staan. Met het bekende slendertje: ‘het woord gods is in den bybel, maar de bybel is gods woord niet’ beloofde hy een nieuwe en
verbeterde editie te bezorgen van dat boek. ‘En, stond er in 't program zyner onderneming: ik zal de paarlen zuiveren van zand en slyk.’ Groot rumoer in de gemeente.
Protesten, demonstratiën, deftig bezoek van een kommissie by domine Koetsveld, om te reclameeren tegen zyn ‘slyk en zand.’ De man scheepte de klagers af met de verzekering dat hy ze zou tevreden stellen. Maar het program was nu eenmaal in de wereld. De inteekenaars hadden recht op gezuiverde ‘paarlen.’ En aan de vromen had de man toegestemd dat er geen zuivering noodig was. De toestand was moeielyk, maar niet te moeielyk voor 'n intelligenten voorganger der gemeente. De bybel naar de beschryvinghe van Domine K. verscheen, en in 't voorbericht kan jong en oud deze tevredenstellende woorden lezen: ‘Met het slyk heb ik bedoeld: het slyk der zonde. Het zand is de zandlooper des tyds.’ Vrage: hoe zand een zandlooper wezen kan? Vrage: wat zoo'n uitlegging te-pas komt by 't in z'n program verkondigd voornemen de vuiligheden der hoogheilige schrift te supprimeeren? Vrage... o allerlei vragen! Maar is niet alleen deze genoeg: Wat heeft men te denken van de intelligentie eens Volks dat gediend is met zùlke voorgangers?
Intelligentie? Welke uitvindingen zyn er gedaan in Nederland, op 't gebied van techniek, van industrie, van natuurkunde? Wat hebben we den laatsten tyd opgeleverd in sterrekunde, geologie, botanie, chemie, landbouw, zeevaart, natuurkunde.
O, men werpe my geen renommées de clocher tegen. Wat of wie inderdaad iets beduidt, breekt baan over de grenzen, en zeker is de eenige persoon in ons land die, sedert Erasmus, Huygens, Boerhave, en de Ruyter, bogen kan op Europesche bekendheid, Dr. P.Bleeker die ongelukkigerwyze als 'n echte Hollander z'n roem heeft gezocht beneden de oppervlakte van de zee, door zich te maken tot den Linnaeus van de visschen. *
Wat men hier-en-daar vermeld vindt over europesche vermaardheid van dezen of genen Nederlander onzer dagen, is veelal - ja, ik geloof byna altyd - broederschap en camaraderie à titre de revanche. Zie 't Jerusalem, waarvan domine ten Kate verlost is in 't hollandsch. Men heeft weten te bewerken dat er 'n stuk in de couranten geplaatst werd, vol italiaansche verrukking over nederduitsche welluidendheid. Domine ten Kate is tot ridder
geslagen, alsof-i Tancred of Godfried zelf was, en zeker zal de italiaansche verrukking ook beloond worden. En dit zal billyk wezen. Want ik vind het makkelyker 'n paar-duizend verzen saemtelymen in 't hollandsch, dan daarover verrukking te voelen in 't italiaansch. Dit moet veel inspanning gekost hebben, en in Holland zelf heeft men 't dan ook zoo ver niet kunnen brengen.
Als men my mocht tegenwerpen dat Moleschot te Turyn, en Kern die te Oxford beroepen werd, Nederlanders zyn, antwoord ik dat die beide heeren in Nederland geen plaats vonden naar verdienste, en dat dus hunne beroeping naar den vreemde, pleit tegen de intelligentie der natie. Toch zal men later Moleschot en Kern opnemen onder beroemde Nederlanders * zoo-als men nu doet met Ary Scheffer, tot wiens ontwikkeling, roem en welvaart, Nederland niets heeft bygedragen. Hier had men den man belet verf en paneel te koopen, en hy zou gestikt zyn uit ergernis. (360) By 't eerste schoone stuk van zyn hand, had men hem uitgemaakt voor 'n onverlaat. Van domine ten Kate heb ik nooit iets kwaads gehoord.
De eenige man die er ooit in slaagde, recht populair te worden en te blyven in Nederland, is de laffe vuile platte vader Cats die nota bene zes geslachten lang voor 'n dichter is aangezien. Holland heeft twee eeuwen noodig gehad, om Huet voorttebrengen, die den algemeenen vader - en 't kroost er by, dat hem 't vaderschap opdroeg - ontkroostte en ontvaderde met 'n flinken oorveeg. Ik ben er waarlyk grootsch op, dat ik als kind reeds dien lammen liederlyken godzaligen rymelaar heb veracht. Maar toen durfde ik 't niet zeggen.
Die Cats was ook een voorganger in z'n tyd, een heel fatsoenlyk persoon met ringkraag, pruik, deftige relatien, buitenplaats, geloof, en verder toebehooren van fatsoen. Als hy nu leefde, werd-i zeker lid van de Kamer. Zulk soort van voorgangers hadden en hebben wy velen, al maken ze geen verzen. Maar wat is er te zeggen van 't eigenlyke Volk? Van de ongeleerde laffe aristocratie, van den ploertigen middelstand, van den werkman, van den arme? O, ik weet dat de statistiek in Nederland een hooger cyfer dan elders aangeeft, voor 't getal lotelingen of bruidsparen die hun naam kunnen teekenen. Is dit intelligentie? Maar dan is de Chinesche natie de intelligentste van de wereld, want elk Chinees kan lezen en schryven. Ik heb meermalen opgemerkt dat het onderwys dáárin de ontwikkeling van 't denkvermogen
eer belemmert dan bevordert. Lezen, als hulpmiddel om gedachten van anderen in zich optenemen, die te verwerken, te beoordeelen, en daardoor te geraken tot het vormen van eigen denkbeelden, werkt zeker beschavend. Maar dient het lezen den werkman ten-onzent dáártoe? Wat leest hy? Verstaat hy wàt-i leest? Blykt het uit de ontwikkeling zyner denkbeelden, dat het lezen waarlyk vruchten draagt? Ik geloof het niet.
Hoor een Nederlandschen werkman iets verhalen, en oordeel of hy een zoo geregelden gedachtenloop heeft, als byv. de Franschman die niet leerde lezen? Naar myne ervaring is dit zoo niet, en zeker heeft nooit 'n vreemdeling, by 't waarnemen van de geestontwikkeling onzer landgenooten, de opmerking gemaakt: er blykt me dat ik my in een land bevind, waar de statistiek van lezen en schryven gunstiger is dan by ons.’
En zy die lezen kunnen, lezen zy inderdaad? Zoo neen, waartoe dient het? Zoo ja, wàt lezen zy? Wat werkt het uit? Ik ontdek er niets van, en weet dat het boeken-debiet hier-te-lande - met uitzondering van de godzalighedens, maar die worden mindergelezen dan gekocht - in zeer ongunstige verhouding staat tot het bevolkingcyfer. De vraag moet zyn: hoeveel wordt er gelezen, wàt wordt er gelezen, en met welk resultaat? Begrypt men 't gelezene? Meestal neen. En dit gaat niet den geringen man alleen aan. (95) Ik weet er zoo iets van! Na de meeste moeite om my duidelyk uittedrukken, bemerk ik gewoonlyk niet geslaagd te zyn. Myn stryd tegen hysterie byv., is gelezen als-of ik party-trok vóór dat monster. Als-of ik ontucht predikte, en zelfbederf! Een schryver heeft zelden bekwaamheid genoeg, om zich te verplaatsen op de laagte zyner lezers. En in-plaats van natedenken over de kwestie: wat is waarheid? moet hy zich gedurig tot afmattens toe, inspannen tot het beantwoorden der vraag: hoe zal ik de waarheid uitdrukken, dat ze geen leugen schyne door verkeerde opvatting?
Dit is zeker dat in weinig landen, de lagere klasse niet alleen, maar ook de zoogenaamde middelstand, en zelfs de hoogere klasse des Volks, zoo weinig weten van de Staatsinrichting, van algemeene belangen, van volkswelstand, enz. als by ons. Menig paryzer concierge zou daarin, wat zyn land betreft, een beschamend voorbeeld kunnen geven aan veel Nederlanders die zich in ontwikkeling ver boven hem verheven wanen.
Ik acht het geenszins wenschelyk, het ras der politieke tinnegieters uittebereiden. Maar volslagen onkunde baart onverschilligheid, en 't is die onverschilligheid welke aan de weinige raddraaiers die ons rechtstreeks of indirect regeeren, de gelegenheid geeft, ten algemeenen nadeele, heer te spelen over de natie.
Op 't platteland, in de provinciesteden althans, is de middel-
stand iets meer ontwikkeld dan in de hoofdplaatsen, maar hier is 't dan toch ook zéér erg. Als onderwerp van studie is 't belangryk de gesprekken aantehooren, zoo-als die gewoonlyk worden gevoerd in de koffihuizen, en men staat meestal verbaasd over de verrassende onwetendheid en de nietigheid van die heeren. * Gewoonlyk komt by my 't denkbeeld op: dat zyn de luî die den Javaan willen beschaven, verlichten, tot mensch maken, enz., en onwillekeurig doen we de vraag, of 't niet tyd wezen zou eene aziatische zendingzaak in 't leven te roepen, tot beschaving en verlichting van den Nederlander. Daartoe ware by den oosterling slechts noodig zekere geest van proselytisme, die 't angelsaksisch ras schynt te kenmerken, en die meermalen zucht tot verovering bedekt met 'n voorgewende blyde boodschap. Wy weten overigens dat in de overzeesche bezittingen de inlanders 't minst beschaafd en 't diepst verdorven zyn op de plaatsen waar ze 't meest in aanraking kwamen met Nederlanders. De intelligentie onzer natie schynt zich dus 't best te openbaren in het meedeelen van bederf, of misschien wel daarin alleen. †
c.) Materieel. Alles is in alles. Alles hangt samen, in-verhouding van oorzaak of gevolg. Of wel, er bestaat 'n soort van zusterschap tusschen alle omstandigheden, door geboorte uit dezelfde oorzaak. De toestand van 't Nederlandsche Volk in materiëelen zin, is zeer nauw verwant met den lagen trap waarop intelligentie en moraliteit staan. We kunnen nu in 't midden laten of gebrek aan genot - in wysgeerigen zin gelykstaande met gebrek aan deugd - oorzaak of gevolg is van onvoldoende voeding, slechte woning en verdere gebreken of schraalte in den materiëelen toestand. Ik denk dat èn 't een èn 't ander wel waar zal wezen.
Een volledige schets van de ellende des volks op stoffelyk terrein, zou 'n zeer groot werk vullen, en by strikt-nauwkeurige behandeling jaren arbeids vereischen. Ook zou daartoe noodig wezen wat ruimte van geldelyke middelen, want het Volk is beschroomd en achterdochtig. Het geeft namelyk z'n openhartigheid niet gaarne om-niet. Er wordt tot het volbrengen van zulk werk nog meer gevorderd, dat ik niet bezit, maar nu voorbyga, wyl ik in dit
schryven geen aanspraak maak op volledigheid. Het zal voldoende wezen straks eenige hoofdpunten aantestippen.
Vooraf 'n paar aanhalingen uit het schoone werk van Le Play, les Ouvriers Européens, aanhalingen die zeker menigen hollandschen werkman zullen doen watertanden, en niet alleen den werkman. Men zal er uit zien dat zelfs de Nederlandsche middelklasse, in reëel welzyn, staat beneden den half-nomadischen Oural-bewoner in Oost-Rusland.
Ik verzoek u, uit den toon en verdere byzonderheden van Le Play's werk, te beoordeelen met welke nauwgezetheid de schryvers die daaraan meêwerkten, hun onderwerp hebben behandeld. Het is, na oplettende inzage, onmogelyk te twyfelen aan de juistheid der opgaven die overal het eigenaardig kenmerk dragen van de conscientie der wetenschap. Bovendien, by elke opgaaf staat de naam vermeld van 't huisgezin dat tot type gekozen is. Men zou kunnen tegenwerpen dat het navragen niet gemakkelyk is, wyl vele opgaven den toestand betreffen van gezinnen die ver-af wonen, en niemand er licht toe komt, zich naar Rusland of Noorwegen te verplaatsen, om 't werk van Le Play te controleeren. Ik heb hierop veel te antwoorden:
Vooreerst. Hy levert insgelyks vele opgaven over den toestand van gezinnen die niet ver-af wonen, en omtrent welke 't onderzoek dus gemakkelyk is.
Ten tweede. Wat vèr wezen zoude voor 'n particulier, ligt onder 't bereik van de Staatsbesturen en der diplomatie. Het schoone werk van Le Play is gedrukt op de keizerlyke drukkery. In Frankryk namelyk, dat zoo vreeselyk despotisch geregeerd wordt, bemoeit zich de slechte keizer met den toestand van 't Volk, en de pogingen om daarin verbetering te erlangen, worden ondersteund. Dat is nu wel zeer tyranniek, onvry, onhollandsch en infaam, maar 't is zoo, en de arme Franschen moeten zich schikken. Ten-gevolge van zulke schandelyke ondersteuning, is dan ook dat werk tot stand gekomen, waaraan misschien wel 'n millioen franken zal ten-koste gelegd zyn. Dit alles brengt mede dat Le Play's arbeid de waarde heeft gekregen van een staatkundig feit, dat niet mag geïgnoreerd worden door de europesche diplomatie, of door de officiëele economisten onder de ministers van alle landen, waar 't bestuur tyranniek genoeg is om te willen weten: wat het Volk eet, hoe 't zich vermaakt, hoe het leeft. Daar men nu van de juistheid der opgaven uit eene russische of deensche provincie, zich te Petersburg en te Kopenhagen even goed kan vergewissen, als te Parys van de accuratesse der données uit 'n Fransch departement, is 't niet te onderstellen dat Le Play zich zou hebben durven blootstellen aan démenti.
Ten derde. De medearbeiders aan 't werk van Le Play hadden geen thesis te verdedigen. Zy pleiten niet. Wanneer ik, die begon met den toestand des Nederlandschen Volks ellendig te noemen, straks of later een paar budjetten geef van Nederlandsche gezinnen, kan men denken dat ik de truffels die de Nederlandsche werkman gebruikt, uit m'n opgaaf weglaat uit rechthaberei, dat ik de pâtés de foie gras verzwyg uit rancune, omdat ik my te beklagen heb over de Natie. En men zal dus wèl doen myn opgaven naterekenen, waartoe ik my aanbeveel. Maar Le Play en z'n medearbeiders werden, zoover ik weet, in hun vaderland nooit mishandeld, en hebben dus geen aanleiding tot dubbelzien by 't kyken naar de ménage van een Rus. Ook beweren zy niet dat de toestand elders beter of slechter is dan ten-hunnent. Zy noemen 't goede en 't kwade, zoo-als ze dat vinden, en laten de conclusien over aan lezers en... regeeringen. Dat zy voorts den Keizer niet trachten te vleien met verzonnen welvaart, blykt uit de schets der ellende in de Soissonnais en elders, in Frankryk zelf.
In-weêrwil van dit alles erken ik dat sommige cyfers my te hoog voorkomen. Maar ik schryf daarover aan Le Play, en zal de justificatie meedeelen zoodra ik kan.
En ik voorzie nog 'n opmerking, want men is vindingryk in 't aanvoeren van bedenkingen, als er beweerd wordt dat Nederland geen modelstaat is. Men vraagt: is dan alles in 't buitenland beter dan by ons? Op die nuchtere vraag antwoord ik even nuchter, dat ik dit niet beweerd heb, maar alleen dit beweer, dat er ten-onzent veel leelyks is. Ik denk dat men hier-en-daar in 't buitenland regeeringen zal vinden, schuldig aan nog onverantwoordelyker plichtverzuim, werkluî en armen, nòg ellendiger gevoed en gehuisvest dan by ons. Maar deze ontdekking verschoont òns bestuur niet, voedt ònzen arbeider niet, en maakt het krot dat hy bewoont, niet tot 'n menschelyk verblyf. Het gedurig beroep op den ellendigen toestand elders, bewyst juist de gegrondheid der klachte, en doet denken aan Slymering's theorie, die vond dat Havelaar ongelyk had zich zoo te bekommeren over Lebak:
- Wyl. Dat. Alles. Te. Tjiringien. Nog. Erger. Was.
Nu volgen eenige aanhalingen uit Le Play's werk:
Herder-Baschkirs in Oost-Rusland.
‘Dans tous le cas, l'abondance des moyens de subsistance rend facile le soulagement de ceux qui tombent momentanément dans la détresse...
Er staat uitdrukkelyk by, dat in die streken geen inrichtingen zyn van liefdadigheid. Ze zyn er niet noodig. In 't voorbygaan zy gezegd, dat niets meer den lagen trap aanduidt van algemeene welvaart en zedelykheid, dan 't groot getal inrichtingen van dien aard. * Ons woord ‘godshuizen’ is karakteristiek. Waar liefde ontbreekt, komt terstond in daad en woord een god voor den dag. En als men de herkomst van die godshuizen opspoort, zal er blyken dat ze een bydrage leveren tot de opmerking, hoe verkeerd de kapitalen verdeeld zyn. Honderd welvarende gezinnen zouden geen gestichten van dien aard noodig hebben. Waar zoo'n ding is opgericht, kan men aannemen dat de welvaart van negen-en-negentig is opgeslokt door één. Er zouden weinig ouwe vrouwtjes of weeskinderen onder dak komen, als de geloovers het aardsche slyk konden meênemen naar hun hemel. Als ze sterven moeten, koopen ze hun lievenheer om, door hem 'n deel te bieden van den buit, om daarmeê de joyeuse entrée in de zaligheid te betalen. Er zou geen voordeeliger betrekking wezen, dan die van god in een Staat waar veel armen zyn, als-i maar wat meer kon rekenen op z'n administrateurs. Godsdienst en menschenliefde staan lynrecht tegenover elkander.
Een Javaansch hoofd vraagde my eens, hoe 't kwam dat er in Nederland zooveel weeshuizen waren? ‘Zou men anders 'n ouderloos kind laten omkomen?’ vraagde hy...
Nu weêr naar Rusland:
‘Chaque habitant peut couper tout le bois de feu, nécessaire à sa consommation...
‘les droits de chasse, de pêche et de cueillette sont à la disposition de tous...
‘les jours de fête on mange de la viande, rôtie dans de la graisse, ou dans le beurre de vâche. On prépare quelquefois un mets nommé
bichbarack, composé de viande hâchée, d'orge, d'oignon et de légumes assaisonnées de sel et de divers aromates...
‘les jeunes gens s'amusent une fois par semaine au jeu de balle, à la lutte, à la course, et se disputent les prix institués à cet effet par les notables. Ils se livrent aussi au chant...
‘Un repas copieux termine toujours certaines journées de travail...
Voeding van een Baschkir-huisgezin, uit den laagsten stand, gedurende een jaar. Twee mannen, twee vrouwen en vier kinderen.
| Tarwe, rogge, gerst, haver. . . . . . . . . . . . . . . | 1443 | kilo |
| Boter en room. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 63 | kilo |
| Melk, kaas, eieren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 3866 | kilo |
| Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 226 | kilo |
| Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 274 | kilo |
| voorts zout, peper, kaneel, koek, thee, suiker en honig. |
Dit alles wordt genoten door een arm gezin in het barbaarsche Rusland! En in datzelfde land verbruikte:
Een gezin van karrevrachtryders (tien personen, waaronder twee kinderen beneden de vier jaar) in de steppen van Oremburg:
| Tarwe, rogge, enz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 7,177 | kilo |
| Boter, vet en olie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 123 | kilo |
| Melk, eieren enz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 1,060 | kilo |
| Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 642 | kilo |
| Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 1,724 | kilo |
| Zout, honig, peper, enz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 135 | kilo |
| Diverse gegiste dranken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 10,060 | kilo |
Aanhalingen uit Le Play's werk:
‘dans ces occasions - op feestdagen - on mange une grande quantité de mets, six à huit par repas: des soupes de viande aux navets, au vermicelli, des viandes froides à la gélée, ou des pâtés farcis; des rôtis de boeuf, de mouton, de cochon de lait, de poules, de canards, d'oies, et de dindons; des boudins au gruau; beaucoup de gruaux diversément assaisonnés de lait, de crême, de beurre, d'oeufs, de miel; des galettes, des bouillies frites; des flans, diversément assaisonnés de beurre, d'oeufs, de crême, de miel...
En zulke feesten komen gewoonlyk negen-en-twintig malen in 't jaar voor!
Dat barbaarsche Rusland! Nu weet ik wel, dat de menschen daar toch niet recht gelukkig kunnen zyn, omdat ze 't ware Geloof niet hebben, en geen Kieswet als wy, maar toch betwyfel ik of ze zouden willen ruilen. Ik denk dat ze verblind zyn door indigestie van welvaren.
Ons strafwetboek is altyd in de maak. - Toch straffen de rechtbanken maar altyd voort. Hoe durven zy dit te doen, als zyzelf erkennen dat de bepalingen op 't straffen niet deugen? - Nu, hoe zou 't wezen als we in de nieuwe wet vaststelden, dat hoofdmisdaden zullen gestraft worden met verbanning naar de steppen van Oremburg? Of zou misschien die strafbepaling den Nederlandschen hongerlyder verlokken tot misdaad? 't Is mogelyk, en zelfs waarschynlyk.
Lastdragers-schuitevoerders in Centraal Rusland. Twee mannen, vier vrouwen en één kind van negen jaren, gedurende een jaar. Één man gedurende een halfjaar, en één man in tachtig dagen, gebruikten te zamen:
| Haver en gerst. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 6,502 | kilo |
| Boter, room, vet en olie. . . . . . . . . . . . . . | 95 | kilo |
| Melk en eieren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 1,286 | kilo |
| Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 328 | kilo |
| Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 1,087 | kilo |
| Specery en toespys. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 153 | kilo |
| Gegiste dranken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 7,300 | kilo |
Aanhalingen uit Le Play's werk:
‘les membres de cette famille appartiennent à la classe la plus modeste...
‘les jeunes filles se réunissent assez souvent dans la belle saison, pour se livrer à la danse...
‘les récréations principales sont les fêtes de mariage, les réunions de travailleurs, et surtout les repas copieux pris dans ces occasions, et dans une multitude de fêtes et de réunions...
Smid en kolebrander in Noord-Rusland. Sterkte: man en vrouw met vyf kinderen, oud 19, 11, 9, 7, en 1 jaar.
| Tarwe, gerst, haver, enz. . . . . . . . . . . . . . | 2,027 | kilo |
| Boter en olie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 22 | kilo |
| Melk en eieren. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 2,243 | kilo |
| Vleesch en visch. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 285 | kilo |
| Groente en vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 763 | kilo |
| Toespys en specery. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 55 | kilo |
| Gegiste dranken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 16 | kilo |
Het maken van dergelyke specifieke uittreksels uit het boek van Le Play zou my verder leiden dan in dit schryven past. Wel ware dit belangryk, maar 't zou te huis behooren in een uitvoerig werk dat geschreven werd om de oogen van 't Nederlandsche Volk te openen, en ik stel my voor dit te doen, zoodra ik in staat zal wezen geregeld te arbeiden. Nog eenige korte aanduidingen zullen voldoende zyn voor m'n tegenwoordig doel.
Opgave van het gebruikte aan vleesch of visch in één jaar, door de gezinnen van een:
| Smidsgezel te Danemora (Zweden). . . . . . . . . . . . . . . . . . | 420 | kilo |
| Werkman by de
kobaltmynen, te Buskerud (Zuid-Noorwegen). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 489 | kilo |
| Smid te Samakowa (Turkye). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 172 | kilo |
| Landman in Middel-Hongarye. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 443 | kilo |
| Gieter by de zilverwerken te Schemnitz (Hongarye). . . . | 191 | kilo |
| Schrynwerker te Weenen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 72 | kilo |
| Kolebrander in Carinthie (één persoon.). . . . . . . . . . . . . . | 44 | kilo |
| Arbeider in de kwikmynen te Carniola (Oostenryk). . . . | 31 | kilo |
| Mynwerker in den Opper-Hartz (Hanover). . . . . . . . . . . | 85 | kilo |
| Werkman by een yzergietery in Pruissen. . . . . . . . . . . . . | 77 | kilo |
| Arbeider in een wapenfabriek te Solingen . . . . . . . . . . . . | 314 | kilo |
| Wever in Pruisen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 73 | kilo |
| Horlogiemaker te Geneve . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 153 | kilo |
| Horlogiemaker te Geneve (een ander gezin) . . . . . . . . . . . | 148 | kilo |
| Boerenarbeiders familie in Castilië . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 62 | kilo |
| Mynwerker in Galicië (Een persoon gedurende 210 dagen) | ||
| Dit is alleen visch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 11 | kilo |
| Werkman in een messenfabriek te Londen . . . . . . . . . . . . | 297 | kilo |
| Werkman te Sheffield . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 217 | kilo |
| Schrynwerker te Sheffield . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 208 | kilo |
| Werkman in een yzergietery (Derbyshire). . . . . . . . . . . . | 240 | kilo |
| Daglooner in de wynbergen te Armagnac . . . . . . . . . . . . . | 171 | kilo |
| Idem te Morvan (Deze klasse van menschen gebruikt slechts eenmaal 's jaars vleesch. Hun toestand wordt dan ook beschreven als zeer ellendig.) . . . . . . . . . . . . . . | 4 | kilo |
| Daglooner in de Maine. (Opmerking als boven) . . . . . . . | 4 | kilo |
| Daglooner in Neder-Bretagne. (Opmerking nagenoeg als boven) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 13 | kilo |
| Maaier in de Soissonnais. (Opmerking als boven) . . . . . . . | 5 | kilo |
Zonder nu te willen beweren, dat alleen het gebruik van vleesch de krachten der bevolking voortbrengt en regelt, verdient het toch aandacht dat er zooveel huwelyken in de laatstgemelde provincie onvruchtbaar zyn. Ik vind in zeker dorp van de Soissonnais, op 73 huisgezinnen, slechts 98 kinderen opgegeven.
Het oordeel van Malthus over de verhouding tusschen bevolking en voedingsmiddelen, is bekend. Maar minder bekend is de opmerking die ik geloof te moeten maken, dat men by die verhouding niet alleen behoort te letten op 't cyfer der bevolking, maar tevens wel degelyk op 't gehalte. 't Ware te wenschen dat het gebrek aan voedingsmiddelen in Nederland, zich openbaarde in minder geboorten, maar dan van een ander soort. * Onze bevolking neemt normaal toe, maar... 't is er ook na, of naar!
| Gietersgezel in de Nivernais. . . . . . . . . . . | 106 | kilo |
| Mynwerker in Auvergne. . . . . . . . . . . . . . . . . . | 13 | kilo |
| Wever te Mamers (Sarthe). . . . . . . . . . . . . . . | 17 | kilo |
| Hoefsmid in de Maine. . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 35 | kilo |
| Waschman blanchisseur te Parys. . . . . . . . . | 341 | kilo |
| Vodderaper te Parys. (Het gezin van dezen man bestaat slechts uit man, vrouw en een dochtertje van 13 jaren.). . . . . . . . . . . . . . | 33 | kilo |
Ik geloof de aanspraken van den Nederlandschen werkman niet te hoog te stellen, als ik voor hem vorder: minstens gelykheid met een voddekrabber. Ik zal daarom hier eenige aanhalingen laten volgen uit het werk van Le Play, die den toestand van zulk een industrieel voldoende blootleggen, om dien te kunnen vergelyken met het bien-être van den smid, den timmerman, den schrynwerker, den fabriekarbeider ten-onzent, lieden die in hun bedryf toch allen een zeker kapitaal meebrengen van kennis, van handigheid, bekwaamheid en kracht, terwyl de voddekrabber geen andere bezitting inlegt, dan oogen, beenen, een haakstokje, en wat relatie met 'n opkooper van z'n straatoogst.
‘La famille fait régulièrement deux repas par jour. La petite fille emporte en outre à l'école un troisième repas...
Het déjeuner bestaat uit koffi met melk en suiker, en brood. De koffi is vermengd met 25% chicorei. Het diner uit: soupe a la graisse et au pain, een schotel linzen of witte boonen, ryst of vermicelli. Eens in de week vleesch - dit wordt toebereid gekocht op de markt St. Honoré - met aardappelen of uien. Eenmaal 's weeks: fromage de Brie...
‘Quelquefois en outre on ajoute à chacun des mets ci-dessus indiqués, du fromage de Brie, des pommes de terre, ou des oignons frits...
‘Pendant trois mois de l'été, une fois par semaine, on achète de la viande de boeuf ou de vâche, chez le boucher. On en mange le premier jour une partie bouillie et chaude, puis, le deuxième jour, le reste froid avec de l'huile ou du vinaigre; on mange deux autres jours de la soupe au pain, et de la salade; pendant les trois autres jours, diverses sortes de légumes, achetés ordinairement dans le temps où ils abondent, parfois aussi en temps de primeur...
En temps de primeur... verbeeld u... jonge dopërten! En onze Nederlandsche werkman?
Maar ik spreek hier niet van een werkman, ik spreek van een vodderaper. Le Play noemt hem, uit beleefdheid of ter-bekorting: ouvrier, en dit moge juist wezen in wetenschappelyk-économischen zin, op den maatschappelyken eertitel van werkman heeft de voddekrabber geen aanspraak.
‘l'ouvrier prend quelquefois en rentrant le soir, un morceau de pain...
‘l'enfant emporte chaque matin en s'en allant à l'école, deux tartines faites de pain tendre...
Pain tendre... fyn witbrood... een voddekrabberskind!
Ik gun het aan 't meisjen, o ja! Maar... wat krygen de kinderen van onze werkluî mede naar school? Ik herinner me hoe eens te Brussel, een dienstmeisje weigerde roggebrood te eten, dat ik als zeldzaamheid had meêgebracht uit Holland. Ze zei: c'était pour les chiens et les chevaux. Ik beweer niet dat dit meisje daarin gelyk had. Ik haal 't maar aan om te doen zien welke pretentiën er in 't buitenland gemaakt worden door personen uit den geringen stand. Al keurt men nu die aanspraken af, er blykt uit: aan welke pretentiën ze gewoon zyn, welke aanspraken hun toestand blykt te veroorloven. 't Is er ver af, dat wy den werkman ten-onzent zouden hoeven te berispen over te groote keurigheid. Maar ik erken dat diensboden vaak lastig zyn. Ze zyn be-
dorven door te nauwe aanraking met halve fatsoenlykheid, of fatsoenlyk onfatsoen.
Wit brood dus, en:
‘du pain tendre, et une compôte de fruits...
Compôte de fruits... een voddekrabberskind! Zeer goed. Ik gun het dat meisje nog-eens, en hartelyk, maar... de kinderen van onze werkluî, wat krygen zy meê naar school?
‘la famille mange une grande quantité de fruits, et elle fait comme réjouissance, quatre repas copieux chaque année...
‘l'habitation située à un deuxième étage, consiste en une grande chambre (six mètres sur trois) ayant vue sur un jardin...
‘le mobilier est proprement entretenu; il est simple, sans indiquer ledenûment; quelques objets, tels qu'un fauteuil, une montre, une bibliothèque, indiquent une tendance au luxe bourgeois. Les vêtements des deux époux sont propres. Ceux de la petite fille ont même un certain dégré d'élégance...
Een bibliotheek... élégance in de kleeding van het kind! En onze werklieden?
Nu volgt het hoofd: récréation: uitspanning van 't gezin des voddekrabbers.
De schryver erkent dat dit door hem gekozen voorbeeld geen type is van 't geheel. Dit zou ook ongerymd wezen. Het voorbeeld heeft niet ten-doel te bewyzen: hoe de vodderapers te Parys leven. Het toont aan: hoe 't leven te Parys voor een vodderaper mogelyk is.
‘les principales qualités de l'ouvrier, le développement de l'esprit réligieux, l'habitude de la réflexion, et l'amour de la famille, se révèlent dans le choix de ses récréations. Toutefois celles-ci se ressentent aussi de la pénurie du ménage...
Een pénurie die den Nederlandschen werkman zou voorkomen als weelde.
‘sa distraction habituelle est de s'entretenir avec sa fille, et de lire à haute voix la bible, ou un autre livre réligieux...
De man, hoewel van geboorte Italiaan en katholiek, heeft neiging tot het protestantisme.
‘en accompagnant cette lecture de réflexions et de commentaires, souvent empreints d'une profonde connaissance de la vie, et du coeur humain...
Men vindt dit veel by menschen die 'n zwervend leven leiden. Herders, bedelaars, Chaldeën, woestynbewoners, Zigeuners, nomaden, volkeren of individuen zonder vaste woonplaats, schynen uit hun omdwalen iets eigenaardigs optedoen. (378) De man van wien hier sprake is, had veel gezworven. Onder anderen was hy in z'n jeugd te Harderwyk geweest, en werd daar aangenomen als Nederlandsch held. Het schynt dat die betrekking hem niet aanstond. Altans hy liep weg, en is dus aan den Nederlandschen Staat z'n handgeld schuldig. Maar ik vind beter dit niet terug te vorderen, schoon 't een prachtig onderwerp wezen zou voor Kamerspeeches en geleerde diplomatieke verwikkelingen. Ik beweer dat de man z'n handgeld ruim vergoedt door de gelegenheid die hy ons geeft, om den toestand van 't Nederlandsch Volk te vergelyken met den toestand elders. Mocht ons braaf ministerie hem lastig vallen om die schuld, dan stel ik m'n lezers voor, dat gezamenlyk voor hem te betalen. Het zou m'n geweten bezwaren, als ik 'm door myn schryven in ongelegenheid bracht.
Wat overigens dat lezen aangaat van bybel en godsdienstige boeken, niet dáárdoor is de man goed van gedrag, niet dáárdoor weet hy zich in z'n lage maatschappelyke betrekking te verheffen tot een denker. Juist andersöm. De man is een denker, hy houdt van onderzoek, dat en zóó is hy geworden door loopbaan en neiging. Z'n lezen is gevolg, geen oorzaak van zyn zedelyke hoogte. Hy zoekt waarheid, en als-i ten-slotte bemerkt dat die niet te vinden is in z'n lectuur, zal hy z'n bybel wegwerpen en de verloren inspanning betreuren, tenzy deze hem den weg wees naar betere bronnen van kennis, of de behoefte daaraan opwekte.
Wie de juistheid van myn oordeel over bybelsche lectuur betwyfelt, lette op de liederlykheid, neen... op de smakeloosheid van onzen geringen stand, die zooveel tractaatjes leest. Al die crinolienzangers hebben bybels in huis.
‘les plus grands plaisirs de la famille sont les quatre repas des jours de Noël, du Mardi-gras, de Pâques, et de Pentecôte. Le mets composant ce repas est un macaroni au beurre et au fromage. On y ajoute un litre de vin.
L'ouvrier ne fréquente point les autres familles des chiffonniers; il ne boit jamais avec eux. Huit fois par an, il va faire un petit repas à la barriére, avec sa femme et sa fille. Il mâche les bouts de cigare qu'il ramasse dans la rue. La femme achete du tabac à priser. L'un des plus grands plaisirs des parents est de faire de temps en temps un petit cadeau à leur enfant...
Ik stap voor ditmaal af van het werk van Le Play, dat een gezette studie overwaard is. Het geeft stof tot vergelyking en
diep nadenken. Ook tot op- en aanmerkingen. Die allen te voorzien en te beantwoorden, zou mij te-ver leiden. Bovendien, veel aanmerkingen maak ikzelf. Wat een Franschman soupe noemt, is dikwyls slechts een lauw zout watertje met wat broodkruimels. Hy geeft vaak mooie namen aan onbeteekenende dingen. 't Woord bibliothèque moet waarschynlyk vertaald worden met boekerekje. Compôte aux fruits zal wel beduiden gekneusde appelen, meer niet, enz.
Doch... laat ons zien wat hier-te-land wordt gebruikt. In Nederland is volgens officiëele opgaven - die ditmaal juist zullen wezen, wyl de cyfers moeten overeenstemmen met de ontvangen accyns - in één jaar aan rundvleesch gebruikt voor veertien miljoen gulden. *
Dat is dus gemiddeld ruim vier gulden per hoofd.
Dit cyfer is welsprekend. Hier is geen sprake van weelde, van overdaad. Hier helpt geen godsdienstige afkeer van alles wat lykt naar vroolykheid, pret, wereldschen zin. Hier wordt gesproken van 't noodige.
Wy beklagen hier den werkman, niet omdat-i verstoken is van Oostersche pracht, van parysche verfyning... 't is hier om vleesch te doen, om vleesch dat in zyn weiden groeit. Vleesch van de runderen die hy ziet grazen, die hy loeien hoort in 't veld. Vleesch, dat-i ziet te-koop hangen in de winkels der slachters. Vleesch, dat-i ziet wegvoeren naar Engeland...
Vleesch, dat hy overal ziet of waarneemt... behalve op zyn tafel, behalve op zyn schotel, behalve inzyn maag.
Vleesch, dat-i noodig heeft om gezond te zyn naar ziel en lichaam. Om 't werk te verrichten dat van hem geëischt wordt. Vleesch, dat zich in hem zou behooren omtezetten in spieren en bloed, met evenredige levenslust, wilskracht en energie.
Is 't niet treurig?
Men heeft op dit cyfer van vier gulden 's jaars per hoofd deze beide aanmerkingen gemaakt:
De opgave van 14 millioen gulden aan geslacht rundvleesch, berust op de geboekte accyns. Er kan gesloken zyn.
Ja, zéker is er gesloken. De hatelyke accyns wordt zooveel mogelyk ontdoken. Wie durft het wraken? Maar aannemende dat het geslokene 10 pct. bedraagt van 't aangegeven cyfer - méér zal men toch niet durven stellen - dan verhoogt dit de waarde van 't door één persoon 's jaars genoten rundvleesch, tot op nog geen ƒ 4½. Verandert dit iets aan de zaak? Bovendien,
de vraag is niet, of de arme, de werkman - jazelfs de middelstand voor een groot deel - of hy voor vier gulden per hoofd aan vleesch gebruikt, dan wel voor vier en een half?... de treurige waarheid is: dat al die personen geen vleesch gebruiken. Dit immers volgt uit de opmerking, hoevelen er in die veertien-millioen deelnemen voor vyftig gulden, voor honderd, tweehonderd gulden 's jaars, en meer.
Een tweede aanmerking was deze:
De geringe man gebruikt by voorkeur varkensvleesch of spek.
Varkensvleesch eet hy weinig. Het is te duur. Spek gebruikt hy wanneer-i dat betalen kan - straks zullen we zien of en in hoeverre dit het geval is - maar hy gebruikt het niet by-voorkeur. Volstrekt niet. Althans niet by-voorkeur van smaak. Evenmin omdat hy zich bemoeit met berekeningen over voedingsvermogen of verwarmingskracht van 't vet. Dit laatste zou bovendien 's zomers geen reden zyn om spek te eten.
Het gebruik van spek by den arme, heeft 'n andere reden. Hy heeft vet noodig om aardappelen te slikken. Wat het vet in de maag uitwerkt, gaat hem niet aan, hy gebruikt het voor de keel. Scheikundigen die in filanthropie doen - ik bedoel dezulken die by hun wetenschap gezond verstand kunnen gebruiken, en niet uit boekerigheid afkeerig zyn van de onomstootelyke waarheid der feiten - worden uitgenoodigd eens de voedingskracht te ontleden van 't maal dat byv. de amsterdamsche werkman gebruikt. Daarby is van vleesch geen spraak. En zelfs meestal niet van vet. Het surrogaat daarvan is ‘kattenburger doop’ namelyk: water en azyn.
Men zou 't den soldaat niet durven voorzetten. Jazelfs den gevangene niet. En men bedenke dat de werkman arbeiden moet, dus meer behoefte heeft aan goed voedsel, dan gevangenen of militairen.
Wie officiëel in den kost is by den Nederlandschen Staat - door misdryf of conscriptie dan - heeft aanspraken. Hy kan reclameeren. Dit kan de werkman niet, naar 't schynt. En daarom doe ik 't voor hem, by dezen. Men schynt te meenen dat de arbeider geboren is tot onthouding, verdriet, geloof, vermoeienis, zweet, hongerlyden en berusten. Ik geloof aan vooruitgang. Tot alle vooruitgang is beweging noodig. Die beweging ontbreekt in Holland. De arme teert zwygend weg. Hy heeft de geestkracht niet om verbetering van z'n lot te vorderen, en juist datzelfde lot belet hem om te geraken tot geestkracht. Dit alles loopt rond in 'n fatalen kring die verbroken moet worden. En dit kan wel. Ik zal 't beproeven.
Ik wil hier 'n opmerking tusschenvoegen, die geheel thuishoort
op economisch terrein, en die ik dringend aanbeveel in de attentie van heeren filanthropen. Hoe komt het, dat een slaaf in Oost of West - vóór de afschaffing * - geldswaarde had, en dat het Nederlandsch individu geen geldswaarde heeft?
Een slaaf kon door matig werk, de kosten opbrengen van z'n onderhoud. Men was door eigenbelang genoopt - en waar dit zweeg, door de wet gedwongen - hem te onderhonden. De meester verschafte hem deksel en voedsel, beiden in overeenstemming met z'n behoeften. Jazelfs was 'n eigenaar den slaaf ondersteuning schuldig, in-geval van ziekte of verwonding. Al deze uitgaven konden bestreden worden uit de winsten die de arbeid van den slaaf afwierp. En bovendien werd uit die winst gedekt: de rente en risico van 't voor inkoop van den slaaf betaalde kapitaal.
Eilieve, welk kapitaal zou men durven uitgeven voor een werkman ten-onzent? - Wie zou hem - onder verplichting van behoorlyk onderhoud - durven koopen, wanneer hy mocht te-koop gesteld worden? Niemand.
Een afrikaansch dier van 't genus: homo, had geldswaarde. De eigenaar eener negerin die verloste, deed winst.
Een Nederlandsch dier van dat genus, heeft geen waarde. Elk kind dat hier ter-wereld komt, is 'n lastpost.
Ginds brachten de geboorten rykdom aan. Hier vermeerderen zy de armoede. Daar stal men kinderen en menschen. Hier legt men ze te-vondeling. Gemeenten of armbesturen kibbelen en procedeeren om 't eigendomsrecht van zich afteschuiven.
Hoe is dit, filanthropen, christenen, wereldbeschaver